Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:10143

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-08-2015
Datum publicatie
01-09-2015
Zaaknummer
C/09/469064 / HA ZA 14-767
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

CMR-vervoer. Ladingschade door noodstop, gevolgd door contaminatieschade. gevoegd met zaak- en rolnummer C-09-468338-HA ZA 14-735.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

Vonnis in de gevoegde zaken van 19 augustus 2015

in de zaak met zaaknummer / rolnummer C/09/468338 / HA ZA 14-735 van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PPG INDUSTRIES FIBER GLASS B.V.,

gevestigd te Hoogezand,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HDI-GERLING VERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

eiseressen,

advocaat mr. V.R. Pool te Rotterdam,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

OLDENBURGER FRITOM B.V.,

gevestigd te Veendam,

gedaagde,

advocaat mr. A.D. Huisman te Rotterdam,

en

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

STEENBERGEN MEPPEL B.V.,

gevestigd te Bodegraven,

gedaagde,

advocaat mr. J. Mulder te Hoogeveen,

en in de gevoegde zaak met zaaknummer / rolnummer: C/09/469064 / HA ZA 14-767 van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

OLDENBURGER FRITOM B.V.,

gevestigd te Veendam,

eiseres,

advocaat mr. A.D. Huisman te Rotterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

STEENBERGEN MEPPEL B.V.,

gevestigd te Bodegraven,

gedaagde,

advocaat mr. J. Mulder te Hoogeveen,

Partijen zullen hierna PPG, HDI, Oldenburger en Steenbergen genoemd worden. PPG en HDI zullen gezamenlijk worden aangeduid als PPG c.s.

1 De procedure

in de zaak 14-735

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de inleidende dagvaardingen van 24 april 2014 (2x),

  • -

    de akte houdende overlegging producties,

  • -

    de conclusie van antwoord van de zijde van Oldenburg, met producties,

  • -

    de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring, met producties,

  • -

    de conclusie van antwoord in het incident tot oproeping in vrijwaring,

  • -

    het vonnis in incident van 17 september 2014,

  • -

    de conclusie van antwoord van de zijde van Steenbergen, met productie,

  • -

    het tussenvonnis van 12 november 2014, waarin een comparitie van partijen is gelast,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 23 april 2015 en de daarin genoemde stukken.

1.2.

Ten slotte is een datum voor het wijzen van vonnis bepaald.

in de zaak 14-767

1.3.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de inleidende dagvaarding van 24 april 2014,

  • -

    de akte overlegging producties tevens houdende vermeerdering van eis alsmede incidentele conclusie tot voeging ex art. 222 Rv,

  • -

    de conclusie van antwoord in het incident,

  • -

    het tussenvonnis van 20 augustus 2014, waarbij de zaak is gevoegd bij de zaak 14-735,

  • -

    de conclusie van antwoord, met productie,

  • -

    het tussenvonnis van 12 november 2014, waarin een comparitie van partijen is gelast,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 23 april 2015 en de daarin genoemde stukken.

1.4.

Ten slotte is een datum voor het wijzen van vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

PPG heeft opdracht gegeven aan Oldenburger voor vervoer over de weg van een zending glasvezelgranulaat (hierna: de lading) van Westerbroek, Nederland, naar Kerpen, Duitsland. Oldenburger heeft dat vervoer op haar beurt uitbesteed aan Steenbergen.

2.2.

De lading is, zoals blijkt uit de schone CMR-vrachtbrief, op of omstreeks 23 februari 2012 door de chauffeur van Steenbergen in goede staat in ontvangst genomen. De lading betrof 24.000 kg glasvezelgranulaat dat was verpakt in 24 plastic zakken die in zogenaamde octabins waren geplaatst. De octabins waren afgesloten met een kartonnen deksel.

2.3.

Op de ringweg van Kolham in Nederland heeft de chauffeur een noodstop moeten maken als gevolg waarvan een aantal van de octabins is verschoven en de inhoud daarvan deels op de bodem van de vrachtwagen en deels op het wegdek terecht is gekomen.

2.4.

Na het incident is de vrachtwagen terug gereden naar PPG te Westerbroek. Aldaar bleek dat de zending niet kon worden gelost. Vervolgens is besloten de lading te lossen bij Oldenburger te Veendam.

2.5.

Op 5 maart 2012 heeft bij Oldenburger een expertise plaats gevonden waarbij namens PPG en Steenbergen experts aanwezig waren. De door (de verzekeraar van) Steenbergen ingeschakelde expert heeft op 24 februari bij PPG en op 5 maart 2012 bij Oldenburger de lading geïnspecteerd. Diens rapport van 30 mei 2012 luidt, voor zover relevant:

“Daags na het ongeval hebben wij een bezoek gebracht aan PPG en troffen de lading glasvezel aan in de oplegger van verzekerde.

Totaal stonden 24 pallets met kartonnen octabins voorzien van een plastic inliner in de oplegger. Alle octabins waren scheefgezakt voorover richting het kopschot van de oplegger. Op de vloer van de oplegger lag een laag glasvezel granulaat.

(…)

Na uitvoerig overleg met PPG werd besloten om de oplegger niet bij PPG te lossen, omdat zij hiervoor niet voldoende is uitgerust. Vervolgens hebben wij in overleg met verzekerde en claimant besloten om de oplegger te laten vervoeren naar de loods van claimant. Claimant zou de oplegger lossen en de lading na lossing apart zetten in afwachting van een tweede gezamenlijke expertise.

Op 5 maart 2012 hebben wij gezamenlijk met [x] en claimant de geloste octabins in de loods bij claimant beoordeeld.

23 octabins waren in redelijke staat gelost, waarbij een enkele octabin schade aan de inliner vertoonde, waarbij een geringe hoeveelheid granulaat uit de octabins was gelopen. Eén octabin was dusdanig beschadigd dat de inhoud deels was overgeladen in een big bag.

Van claimant vernamen wij dat het losse glasvezel granulaat door medewerkers van claimant uit de oplegger was geschept en was verdeeld over verschillende octabins. Achteraf kon door claimant niet aangewezen worden in welke octabins het losse granulaat was geschept.

Kwaliteitsmedewerkers van PPG hebben de gehele partij afgekeurd omdat deze glasvezel vervuild was met glasvezel granulaat wat op de opleggervloer had gelegen en het terugscheppen de overige lading had vervuild. Wij hebben in vele octabins vervuild glasvezel aangetroffen.”

2.6.

De expert berekent de schade ten gevolge van de remmanoeuvre op € 1.105 (waarde 1 octabin - restwaarde van € 175) en de schade ten gevolge van de vervuiling na het lossen op € 25.415 (23 octabins – restwaarde € 4.025)

2.7.

De expert namens PPG, [x] Marine & Transportation, heeft op 5 maart 2012 eveneens een bezoek gebracht aan Oldenburger en op 26 maart 2012 een rapport opgesteld dat, voor zover relevant, luidt:

“Ten tijde van onze inspectie bleek dat (straat) vuil aanwezig was in de octabins met glasvezel. Navraag wees uit dat het personeel van Oldenburger Fritom te Veendam het glasvezel dat in de trailer lag, teruggegooid had in de overige octabins, waardoor het niet meer mogelijk was gezond product van het ongezonde te scheiden.

Het product wordt gebruikt voor de auto industrie waardoor de kwaliteitseisen erg hoog zijn. PPG (…) wees het product af omdat het niet meer aan de kwaliteitseisen / normen voldeed. Verzekerde had toestemming verleend om de parti aan dernj te verkopen.

(…)

Oorzaak van de schade

Uit de verkregen informatie en stukken kan worden opgemaakt wij dat de chauffeur van Steenbergen (…) op de snelweg ter hoogte van Kolham, een noodstop moest maken door een onverwachte verkeerssituatie, Een chauffeursverklaring is bijgevoegd.

Door deze noodstop was de zending in de trailer gaan schuiven en raakte een tweetal octabins dusdanig beschadigd dat de inhoud hiervan deels in de trailer en deels op het wegdek terecht was gekomen.”

2.8.

De expert berekent de totale schade van PPG op € 26.520 (waarde van 24 octabins - restwaarde van € 4.200).

3 Het geschil

in de zaak 14-735

3.1.

PPG c.s. vordert – samengevat – dat de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad

1. gedaagden hoofdelijk veroordeeld tot betaling aan HDI, althans PPG, van een bedrag van € 26.520, vermeerderd met rente,

2. gedaagden hoofdelijk veroordeeld tot betaling aan HDI, althans PPG, van de expertisekosten van € 2.200,21, vermeerderd met rente,

3. gedaagden hoofdelijk veroordeeld tot betaling aan HDI, althans PPG van de buitengerechtelijke kosten van € 1.158, vermeerderd met rente

4. alles met veroordeling van gedaagden in de kosten van de procedure.

3.2.

PPG c.s. legt aan haar vordering ten grondslag dat de lading in goede orde in ontvangst is genomen en vervolgens tijdens de periode van vervoer beschadigd is geraakt. Voor deze schade is Oldenburger jegens PPG aansprakelijk op grond van artikel 17 lid 1 CMR. Ook voor de schade veroorzaakt door haar hulppersoon Steenbergen is Oldenburger op grond van artikel 3 CMR aansprakelijk.

Steenbergen is uit hoofde van onrechtmatige daad aansprakelijk jegens PPG. Zij heeft onzorgvuldig gehandeld tijdens de periode van vervoer als gevolg waarvan de schade is ontstaan aan de zaken van PPG.

3.3.

Oldenburger en Steenbergen voeren verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in de zaak 14-767

3.5.

Oldenburger vordert – samengevat – dat de rechtbank uitvoerbaar bij voorraad Steenbergen veroordeelt tot betaling van € 26.520, vermeerderd met expertisekosten van € 2.200,21 en rente, met veroordeling van Steenbergen in de proceskosten.

3.6.

Oldenburger legt aan haar vordering ten grondslag dat Steenbergen voor de ladingschade aansprakelijk is nu zij de lading in goede staat in ontvangst heeft genomen en de lading door Steenbergen niet in goede staat ter bestemming is afgeleverd.

3.7.

Steenbergen voert verweer.

3.8.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in de zaak 14-735

Toepasselijk recht

4.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat op de onderlinge relatie tussen PPG en Oldenburger het Verdrag betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg (hierna: het CMR) van toepassing is en aanvullend Nederlands recht.

4.2.

Evenmin is tussen partijen in geschil dat de rechtsrelatie tussen PPG en Steenbergen dient te worden beoordeeld aan de hand van Nederlands recht nu de schade door de noodstop in Nederland is ontstaan, terwijl het CMR niet van toepassing is nu een contractuele relatie tussen PPG en Steenbergen ontbreekt.

Aansprakelijkheid van Steenbergen

4.3.

Steenbergen erkent dat zij aansprakelijk is voor de schade die tijdens de noodstop is ontstaan, maar betwist dat zij aansprakelijk kan worden gehouden voor de schade ten gevolge van de vervuiling van de lading bij Oldenburger.

4.4.

De rechtbank is met Steenbergen van oordeel dat zij op grond van onrechtmatige daad uitsluitend aansprakelijk kan worden gehouden voor de tijdens de noodstop veroorzaakte schade, nu deze het gevolg is van het feit dat de chauffeur heeft nagelaten, zoals Steenbergen met PPG was overeengekomen, om de lading voldoende te stuwen.

4.5.

Steenbergen erkent aansprakelijkheid voor een bedrag van € 1.105, zijnde de schade aan één octabin, nu volgens haar slechts (de inhoud van) één octabin verloren is gegaan ten gevolge van de noodstop, zoals volgt uit het rapport van haar expert.

4.6.

Nu de experts ten aanzien van de schade ten gevolge van de noodstop verschillend verklaren (de expert van PPG noemt twee octabins, de expert van Steenbergen 1 octabin) zal de rechtbank de schade ten gevolge van de noodstop begroten op anderhalve octabin en Steenbergen veroordelen tot betaling aan PPG van een bedrag van € 1.657,50, nu de goederen voor rekening en risico van PPG werden vervoerd en zij mitsdien vorderingsgerechtigd is.

4.7.

Nu Steenbergen terecht aanvoert dat zij niet de CMR-rente verschuldigd is en PPG c.s. ter zitting heeft toegelicht dat haar vordering (ook) betrekking heeft op de wettelijke rente , zal de rechtbank de wettelijke rente over voornoemd bedrag toewijzen met ingang van 24 februari 2012 tot aan de dag van algehele betaling.

4.8.

Redelijke kosten van het vaststellen van de schade van verlies van de vervoerde goederen komen, anders dan Steenbergen stelt, op grond van artikel 23 lid 1 CMR voor vergoeding in aanmerking. Steenbergen heeft in verband met de gevorderde expertisekosten nog betoogd dat HDI niet vorderingsgerechtigd is omdat de factuur van de expert is gericht aan Willis B.V. Nu de rechtbank het op basis van de door PPG c.s. in het geding gebrachte geaccordeerde schaderekening en het bewijs van betaling voldoende aangetoond dat Willis die kosten heeft geboekt in de rekening-courantverhouding met HDI, zal de rechtbank Steenbergen veroordelen tot betaling aan HDI van de expertisekosten van € 2.200,21, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 april 2014 tot aan de dag van algehele betaling.

4.9.

De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal – mede gelet op de door deze rechtbank gevolgde aanbevelingen van het Rapport BGK-integraal – worden afgewezen. PPG c.s. heeft immers nagelaten een omschrijving te geven van de voor haar rekening verrichte buitengerechtelijke werkzaamheden. De kosten waarvan PPG c.s. vergoeding vordert, moeten dan ook worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling wordt geacht een vergoeding in te sluiten.

4.10.

Steenbergen zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van PPG c.s. worden begroot op:

- dagvaarding € 77,52

- griffierecht 1.892,00

- salaris advocaat 1.158,00 (2,0 punten × tarief € 579,00)

Totaal € 3.127,52

Aansprakelijkheid van Oldenburger

4.11.

Oldenburger betwist dat de lading vervuild is geraakt tijdens de door haar personeel uitgevoerde loswerkzaamheden. Oldenburger voert daartoe aan dat “het niet is uitgesloten” dat vervuiling ook reeds kan hebben plaatsgevonden tijdens de opruimwerkzaamheden die door Rijkswaterstaat zijn uitgevoerd op de ringweg. Bovendien is de vrachtwagen diezelfde dag naar PPG gereden en is het evenmin uitgesloten dat de vervuiling aldaar is ontstaan, aldus Oldenburger.

4.12.

De rechtbank is van oordeel dat het verweer van Oldenburger faalt. Uit de in het geding gebrachte ongedateerde schriftelijke verklaring van de chauffeur blijkt dat Rijkswaterstaat een “veegzuigauto” heeft gebeld om het op het wegdek terecht gekomen glasvezelgranulaat op te ruimen. Zonder nader toelichting, die Oldenburger niet heeft gegeven, valt niet in te zien hoe de in de veegzuigauto terecht gekomen glasvezelgranulaat in de oplegger terecht gekomen kan zijn, temeer nu uit de verklaring van de chauffeur volgt dat hij al vertrokken was voordat de veegzuigauto arriveerde.

4.13.

Dat de vervuiling bij PPG heeft plaatsgevonden acht de rechtbank ook onwaarschijnlijk, nu de vrachtwagen juist naar Oldenburger is gestuurd omdat PPG niet in staat was om de octabins te lossen, terwijl het personeel van Oldenburger vijf uur bezig is geweest met het lossen van de octabins, getuige de verklaring van een van de personeelsleden die de werkzaamheden heeft uitgevoerd. De door Oldenburger aangevoerde omstandigheid dat PPG reeds op 24 februari 2012 een brief heeft gestuurd waarin zij heeft aangegeven dat zij de gehele zending als verloren beschouwde, bewijst niet dat de vervuiling reeds voordien heeft plaatsgevonden. Ware dat het geval geweest, dan was er immers geen reden meer geweest voor de experts om op 5 maart 2012 een inspectie van de geloste lading uit te voeren.

4.14.

Oldenburger voert voorts als verweer dat haar personeel tijden de lossing los/vervuild product op de vloer van de oplegger in twee aparte big bags heeft verpakt, zodat de lading niet tijdens het lossen bij Oldenburger vervuild is geraakt. Oldenburger legt daartoe over verklaringen van twee personeelsleden:

De heer [personeelslid 1] verklaart in een e-mail van 28 februari 2012:

“Zaterdag ben ik samen met [personeelslid 2] bezig geweest deze vracht te lossen. Hier zijn wij 5 uur mee bezig geweest. Dat was volgens mij al bekend.

Maar wij hebben hiervoor ook twee lege bigbags van Kisuma gebruikt om een pallet PPG in over te scheppen.”

De heer [personeelslid 2] heeft op 13 mei 2014 een op briefpapier van Oldenburger gestelde verklaring ondertekend die luidt:

“Hiermee verklaar ik [personeelslid 2] , geboren [geboortedatum] , dat ik op zaterdag, 25 februari samen met mijn collega [personeelslid 1] , bezig ben geweest de schadevracht van PGG / Steenbergen te lossen.

We hebben twee lege bigbags van Kisuma gebruikt om een pallet van PPG in over te scheppen.

Er is door ons geen los glasvezelgranulaat overgeschept in de octabins met glasvezelgranulaat van PPG.”

4.15.

De rechtbank is van oordeel dat uit die verklaringen – die gelden als schriftelijke bewijsmiddelen – in het geheel niet volgt dat de vervuiling niet tijdens de loswerkzaamheden heeft plaatsgevonden. De heer [personeelslid 1] , wiens verklaring dateert van vlak na het lossen, heeft immers niets verklaard over wat er is gebeurd met het glasvezelgranulaat dat op de bodem van de oplegger heeft gelegen. Nu een aanvullende verklaring van de heer [personeelslid 1] daaromtrent ontbreekt, de verklaring van de heer [personeelslid 2] dateert van ruim twee jaar na het voorval, hij een Pool is en – nu hij de verklaring niet zelf heeft opgesteld – onduidelijk is of de heer [personeelslid 2] de verklaring heeft kunnen lezen en begrijpen, is de rechtbank van oordeel dat zelfs als zij uitgaat van de juistheid van de verklaring [personeelslid 1] , dat daaruit niet volgt dat de vervuiling niet bij Oldenburger, maar elders heeft plaatsgevonden. Ook overigens is gesteld noch gebleken dat dit het geval is. Dit standpunt van Oldenburger gaat dus niet op.

4.16.

Voor zover Oldenburger stelt dat haar geen verwijt treft aangezien PPG bij brief van 24 februari 2012 reeds had verklaard dat het product voor haar waardeloos was, gaat zij voorbij aan de op haar rustende schadebeperkingsplicht die zij heeft geschonden door de lading te vervuilen, als gevolg waarvan de restwaarde van de lading is gedaald.

4.17.

Waar Oldenburger als verweer heeft gevoerd dat de zending voor rekening en risico van de koper van de lading werd verzonden nu PPG de lading had verkocht op basis van CIP afleveradres, faalt dit verweer nu als afleveradres is overeengekomen Sindorf in Duitsland, zodat het vervoer wel degelijk voor rekening en risico van PPG werd verricht.

4.18.

Oldenburger heeft ook nog aangevoerd dat zij bij gebrek aan wetenschap betwist dat het onmogelijk was om vast te stellen in welke zakken wel en in welke zakken geen vervuild glasvezelgranulaat was gedaan, nu de expert namens Steenbergen heeft aangeven dat in vele (en dus niet alle) octabins vervuild glasvezel is aangetroffen. In het licht van de reactie van de ter comparitie aanwezige expert, te weten dat niet visueel was zeker te stellen welke octabins vervuild waren geraakt, gaat de rechtbank aan dit niet onderbouwde verweer voorbij.

4.19.

Nu Oldenburger niet heeft bestreden dat zij voor het handelen van Steenbergen aansprakelijk is, leidt het voorgaande ertoe dat Oldenburger aansprakelijk is voor de door PPG c.s. gevorderde schade. Nu Oldenburger heeft bestreden dat HDI in verband met de vordering (deels) is gesubrogeerd in de rechten van PPG en PPG c.s. dit onvoldoende heeft onderbouwd, zal de rechtbank Oldenburger – voor wat betreft het bedrag van € 1.6657,50 hoofdelijk naast Steenbergen – veroordelen tot betaling aan PPG van een bedrag van € 26.520, te vermeerderen met de door PPG c.s. gevorderde en door Oldenburger niet bestreden CMR-rente met ingang van 24 februari 2012 tot de dag der algehele betaling.

4.20.

Met betrekking tot de expertisekosten geldt dat, zoals de rechtbank hiervoor onder 4.8. reeds heeft overwogen die kosten zijn betaald door HDI, zodat HDI die kosten ook met succes van Steenbergen kan vorderen. De rechtbank zal Oldenburger dan ook hoofdelijk naast Steenbergen veroordelen tot betaling aan HDI van het bedrag van € 2.200,11, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 april 2014 tot aan de dag van algehele betaling.

4.21.

Met betrekking tot de buitengerechtelijke kosten heeft de rechtbank hiervoor onder 4.9. reeds geoordeeld dat die niet voor vergoeding in aanmerking komen.

4.22.

Tot slot zal Oldenburger hoofdelijk naast Steenbergen worden veroordeeld in de proceskosten, tot op heden begroot op € 3.127,52.

in de zaak 14-767

Toepasselijk recht

4.23.

Tussen Oldenburger en Steenbergen is niet in geschil dat zij een vervoerovereenkomst hebben gesloten, waarop het CMR van toepassing is en hun rechtsverhouding overigens wordt beheerst door Nederlands recht.

Aansprakelijkheid van Steenbergen jegens Oldenburger

4.24.

Zoals de rechtbank hiervoor reeds heeft geoordeeld geldt in deze zaak in het kader van de onderlinge schuldverdeling dat van de totale schade een bedrag van € 1.657,50 kan worden toegerekend aan Steenbergen, nu die schade is ontstaan ten gevolge van de noodstop, terwijl een bedrag van € 24.862,50 kan worden toegerekend aan Oldenburger ten gevolge van de vervuiling van de lading tijdens het lossen. De rechtbank zal om die reden Steenbergen veroordelen tot betaling aan Oldenburger van een bedrag van € 1.657,50. Met betrekking tot de verschuldigdheid van de rente heeft Steenbergen terecht aangevoerd dat op grond van artikel 27 CMR eerst rente verschuldigd is vanaf de dag waarop de vordering schriftelijk bij de vervoerder is ingediend of, indien dit niet is geschied, vanaf de dag waarop zij in rechte aanhangig is gemaakt. Om die reden zal de rechtbank de CRM-rente toewijzen met ingang van de dag van dagvaarding, te weten met ingang van 24 april 2014 tot aan de dag van algehele betaling.

4.25.

De rechtbank is met betrekking tot de gevorderde expertisekosten van oordeel dat beide voorvallen (de noodstop en de vervuiling bij lossing) in gelijke mate hebben bijgedragen aan de omvang van de expertisekosten. Om die reden zal de rechtbank Steenbergen veroordelen tot betaling aan Oldenburger van de helft van de expertisekosten, mitsdien € 1.100,21, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 april 2014 tot aan de dag van algehele betaling.

4.26.

Nu Oldenburger voor het merendeel in het ongelijk is gesteld en het aannemelijk is dat het resterende bedrag door Steenbergen ook zonder een gerechtelijke procedure zou zijn betaald, ziet de rechtbank aanleiding om de proceskosten te compenseren.

5 De beslissing

De rechtbank

in de zaak 14-735

5.1.

veroordeelt Steenbergen en Oldenburger hoofdelijk aan PPG te betalen een bedrag van € 1.657,50, te vermeerderen met de wettelijke rente over voornoemd bedrag met ingang van 24 februari 2012 tot aan de dag van algehele betaling,

5.2.

veroordeelt Oldenburger aan PPG te betalen het verschil tussen de wettelijke rente en de CMR-rente over het bedrag van € 1.657,50 met ingang van 24 februari 2012 tot aan de dag van algehele betaling,

5.3.

veroordeelt Oldenburger aan PPG te betalen een bedrag van € 24.862,50, te vermeerderen met de CMR-rente over voornoemd bedrag met ingang van 24 februari 2012 tot aan de dag van algehele betaling,

5.4.

veroordeelt Oldenburger en Steenbergen hoofdelijk aan HDI te betalen een bedrag van € 2.200,21, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 april 2014 tot aan de dag van algehele betaling,

5.5.

veroordeelt Oldenburger aan HDI te betalen het verschil tussen de wettelijke rente en de CMR-rente over het bedrag van € 2.200,21 met ingang van 24 februari 2012 tot aan de dag van algehele betaling,

5.6.

veroordeelt Steenbergen en Oldenburger hoofdelijk tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van PPG c.s. tot op heden begroot op € 3.127,52,

5.7.

verklaart dit vonnis in deze zaak tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.8.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in de zaak 14-767

5.9.

veroordeelt Steenbergen aan Oldenburger te betalen een bedrag van € 1.657,50, te vermeerderen met vermeerderen met de CMR-rente vanaf 24 april 2014 tot aan de dag van algehele betaling,

5.10.

veroordeelt Steenbergen aan Oldenburger te betalen een bedrag van € 1.100,11, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 april 2014 tot aan de dag van algehele betaling,

5.11.

verklaart dit vonnis in deze zaak tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.12.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.L.M. Luiten en in het openbaar uitgesproken op 19 augustus 2015.