Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:1014

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-02-2015
Datum publicatie
11-02-2015
Zaaknummer
C-09-459843 - FA RK 14-966
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verhaal uitvaartkosten

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EB 2015/42
PFR-Updates.nl 2015-0054
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 14-966

Zaaknummer: C/09/459843

Datum beschikking: 3 februari 2015

Verhaal uitvaartkosten

Beschikking op het op 5 augustus 2014 ingekomen verzoek van:

de GEMEENTE LEIDERDORP,

de gemeente.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vrouw],

de vrouw,

wonende te [woonplaats],

advocaat: mr. C.I. Zaad te ‘s-Gravenhage.

Procedure

Bij beschikking van 2 september 2014 van deze rechtbank is de behandeling van het verzoek tot verhaal uitvaartkosten aangehouden, teneinde de vrouw, na de ter griffie van de rechtbank op 21 augustus 2014 ontvangen reactie van de gemeente, in de gelegenheid te stellen zich uit te laten. Voorts is iedere verdere beslissing ten aanzien van het verzoek tot verhaal van de uitvaartkosten en de proceskosten aangehouden.

De rechtbank heeft vervolgens ontvangen de brief d.d. 15 september 2014, met bijlagen, van de zijde van de vrouw.

Beoordeling

De rechtbank handhaaft al hetgeen bij genoemde beschikking is overwogen en beslist, voor zover in deze beschikking niet anders wordt overwogen of beslist.

Aan de orde is thans de vraag of de gemeente de uitvaartkosten van de heer [naam] die zij voor haar rekening heeft genomen kan verhalen op de vrouw. De gemeente heeft haar verzoek gebaseerd op artikel 22 van de Wet op de Lijkbezorging jo de artikelen 392-396 van Boek I van het Burgerlijk Wetboek (BW).

Artikel 22 van de Wet op de Lijkbezorging luidt als volgt:

“De kosten, verbonden aan de bezorging van lijken waarvoor de burgemeester zorg draagt, daaronder begrepen lijken die uit zee worden aangebracht, komen ten laste van de gemeente. Voor zover zij door de bij de lijken gevonden, niet klaarblijkelijk aan anderen toebehorende goederen of gelden niet kunnen worden gedekt, kan de gemeente die kosten verhalen op de nalatenschap en, bij ongenoegzaamheid van deze, op de bloed- en aanverwanten, die krachtens de artikelen 392-396 van Boek I van het Burgerlijk Wetboek tot onderhoud van de overledene verplicht zouden zijn geweest, dan wel de reder indien en voor zover kosten van de lijkbezorging op grond van artikel 416 Wetboek van Koophandel voor diens rekening komen. paragraaf 6.5 van de Participatiewet is voor zover mogelijk van overeenkomstige toepassing.”

Artikel 1:392 BW luidt als volgt:

“1.Tot het verstrekken van levensonderhoud zijn op grond van bloed- of aanverwantschap gehouden:

a. de ouders;

b. de kinderen;

c. behuwdkinderen, schoonouders en stiefouders.

2.Deze verplichting bestaat, behalve wat betreft ouders en stiefouders jegens hun minderjarige kinderen en stiefkinderen en jegens hun kinderen bedoeld in artikel 395a van dit boek, slechts in geval van behoeftigheid van de tot levensonderhoud gerechtigde.

3.De in het eerste lid genoemde personen zijn niet verplicht levensonderhoud te verstrekken, voor zover dit van de echtgenoot of een vroegere echtgenoot dan wel de geregistreerde partner of vroegere geregistreerde partner overeenkomstig het in de vijfde titel a, zesde, negende of tiende titel van dit boek bepaalde kan worden verkregen.”

Nu de verplichting tot het verstrekken van levensonderhoud van een echtgenoot zijn grondslag vindt in artikel 1:81 BW en niet in de artikelen 1:392-396 BW is de rechtbank van oordeel dat in het onderhavige geval artikel 22 van de Wet op de Lijkbezorging jo de artikelen 1:392-396 BW geen ruimte biedt om de uitvaartkosten van de heer [naam] op de vrouw te verhalen. Gelet hierop zal het verzoek van de gemeente daartoe worden afgewezen.

De gemeente zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De proceskosten aan de zijde van de vrouw worden begroot op € 77,-- griffierechten en € 768,-- advocaatkosten (liquidatietarief I, 2 punten).

Beslissing

De rechtbank:

wijst af het verzoek van de gemeente;

veroordeelt de gemeente in de kosten van het geding welke aan de zijde van de vrouw tot op heden zijn begroot op € 845,--.

Deze beschikking is gegeven door mr. K.M. Braun, bijgestaan door P. Lahman als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 februari 2015.