Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:10103

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-05-2015
Datum publicatie
08-09-2015
Zaaknummer
C/09/487472 / KG-ZA 15-567
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

tenuitvoerlegging vervangende hechtenis niet onrechtmatig; gedaagde op goede gronden geweigerd om (opnieuw) betalingsregeling met eiser te treffen;

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team Handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/487472 / KG ZA 15-567

Vonnis in kort geding van 19 mei 2015

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] , thans verblijvende in de PI [X] ,

eiser,

advocaat mr. S. Wortel te Utrecht,

tegen:

DE STAAT DER NEDERLANDEN, Ministerie van Veiligheid en Justitie, meer in het bijzonder het arrondissementsparket Utrecht van het Openbaar Ministerie,

zetelende te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. J. Nijland te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiser] ’ en ‘de Staat’.

1 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 8 mei 2015 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1.

[eiser] is bij onherroepelijk vonnis van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Utrecht van 13 december 2010 veroordeeld tot een gevangenisstraf van veertien maanden, waarvan zeven maanden voorwaardelijk, en een werkstraf van 240 uren voor het medeplegen van oplichting, verduistering en mensenhandel. Bij voormeld vonnis is aan [eiser] tevens ten behoeve van verschillende benadeelde partijen een schadevergoedingsmaatregel opgelegd voor een bedrag van in totaal € 81.600,--, te vervangen door 537 dagen hechtenis.

1.2.

De tenuitvoerlegging van de aan [eiser] opgelegde schadevergoedingsmaatregel is op 13 april 2012 door het Openbaar Ministerie overgedragen aan het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB). Het CJIB heeft [eiser] bij brief van 4 juni 2012 op diens verzoek een voorlopige betalingsregeling toegestaan voor de duur van zes maanden, waarbij [eiser] maandelijks een bedrag van € 75,-- diende te voldoen. In deze brief wijst het CJIB [eiser] op de mogelijkheid om vóór 4 december 2012 een nieuw gemotiveerd voorstel voor een betalingsregeling te doen, waarbij binnen maximaal 36 maanden tot volledige voldoening van de schadevergoedingsmaatregel diende te worden gekomen. Voormelde voorlopige betalingsregeling is op 29 november 2012 ingetrokken.

1.3.

Bij brief van 14 december 2012 heeft [eiser] het CJIB verzocht in te stemmen met een betalingsregeling voor de duur van twaalf maanden, waarbij door hem met ingang van 4 januari 2013 maandelijks een bedrag van € 75,-- zou worden betaald.

1.4.

Het CJIB heeft bij brief van 21 december 2012 aan [eiser] bericht dat hem in beginsel een betalingsregeling van maximaal 36 maanden kan worden toegestaan, hetgeen maandelijkse betalingen impliceert van € 2.677,54. Gelet op de hoogte van het verschuldigde bedrag en de draagkracht van [eiser] , zoals deze blijkt uit de uitgevoerde draagkrachtmeting, heeft het CJIB in deze brief geoordeeld dat geen betalingsregeling met [eiser] kan worden getroffen.

1.5.

Bij brieven van 21 januari 2013 en 8 maart 2013 heeft het CJIB [eiser] gemaand tot volledige voldoening van de opgelegde schadevergoedingsmaatregel.

1.6.

[eiser] heeft bij brief van 8 april 2013 het CJIB onder meer verzocht met hem een betalingsregeling te treffen, waarbij door hem met ingang van 4 mei 2013 gedurende een periode van twaalf maanden een bedrag van € 100,-- per maand zou worden betaald. Het CJIB heeft dit voorstel bij brief van 16 april 2013 afgewezen omdat – kort gezegd – niet aannemelijk is dat op grond van dit voorstel betaling van de gehele schadevergoedingsmaatregel binnen 36 maanden zal plaatsvinden.

1.7.

Het CJIB heeft op 9 mei 2013 een dwangbevel jegens [eiser] uitgevaardigd. Hierop heeft het CJIB het dossier ten behoeve van de incasso van de schadevergoedingsmaatregel overgedragen aan de deurwaarder.

1.8.

In juni 2013 en april 2014 heeft [eiser] met de deurwaarder een voorlopige betalingsregeling getroffen van € 500,-- per maand, zulks onder de voorwaarde dat hij nadien een hoger bedrag ter afbetaling zou aanbieden.

1.9.

Bij brief van 2 november 2014 heeft het CJIB [eiser] gewaarschuwd dat bij het niet voldoen van het gehele verschuldigde bedrag tot tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis zal worden overgegaan.

1.10.

[eiser] heeft op 12 november 2014 het CJIB telefonisch verzocht een betalingsregeling met hem te treffen, hetgeen het CJIB heeft geweigerd.

1.11.

Het CJIB heeft op 30 november 2014 een arrestatiebevel tegen [eiser] uitgevaardigd. [eiser] bevindt zich vanaf 18 februari 2015 in detentie, zulks ter tenuitvoerlegging van de resterende 324 dagen van de aan hem opgelegde vervangende hechtenis.

1.12.

Bij brief van 4 maart 2015 heeft [eiser] het CJIB verzocht met hem een betalingsregeling te treffen.

1.13.

Het CJIB heeft in reactie op voormelde brief bij brief van 12 maart 2015 het verzoek om een betalingsregeling afgewezen vanwege het feit dat de zaak reeds aan de penitentiaire inrichting is aangeboden teneinde de resterende vervangende hechtenis ten uitvoer te leggen.

2 Het geschil

2.1.

[eiser] vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de Staat te veroordelen akkoord te gaan met een regeling, inhoudende dat hij in vrijheid wordt gesteld en het openstaande bedrag van de schadevergoedingsmaatregel in maandelijkse termijnen van € 500,-- kan afbetalen, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom en met veroordeling van de Staat in de proceskosten.

2.2.

Daartoe voert [eiser] aan dat hij na zijn veroordeling een betalingsregeling met de deurwaarder is overeengekomen, welke regeling eenzijdig door de deurwaarder is beëindigd. [eiser] stelt dat hij nadien niets van het CJIB heeft vernomen tot het moment dat hij werd aangehouden ter executie van de vervangende hechtenis. Volgens [eiser] is dit het gevolg van het feit dat zijn ex-partner voor hem bestemde post heeft achtergehouden. [eiser] verwijst in dit verband naar een tweetal schriftelijke verklaringen van zijn ex-partner, waarin zijn ex-partner zulks bevestigd. [eiser] is van mening dat de vervangende hechtenis ten onrechte ten uitvoer wordt gelegd, nu hij nog steeds bereid en in staat is een betalingsregeling te treffen, inhoudende een maandelijkse betaling van € 500,--. Het CJIB heeft desondanks echter geweigerd om met een dergelijke betalingsregeling in te stemmen. Met de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis wordt naar de mening van [eiser] geen enkel doel gediend, nu hij tijdens zijn detentie niet in staat zal zijn om betalingen te verrichten. Om grond van het voorgaande dient de vervangende hechtenis volgens [eiser] als onrechtmatig te worden aangemerkt.

2.3.

De Staat voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

3 De beoordeling van het geschil

3.1.

Ter beoordeling staat of de Staat onrechtmatig jegens [eiser] handelt door de vervangende hechtenis ten uitvoer te leggen.

3.2.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat in het wettelijk stelsel besloten ligt dat een veroordelende beslissing van de strafrechter, zoals in dit geval het strafvonnis van 13 december 2010 met daarin de aan [eiser] opgelegde schadevergoedings-maatregel, waartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat, niet alleen mag maar ook moet worden ten uitvoer gelegd. De stelling van [eiser] dat met de tenuitvoerlegging van de aan hem opgelegde vervangende hechtenis geen redelijk doel wordt gediend, stuit reeds op voormeld uitgangspunt af. Op grond van artikel 561, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) dient een schadevergoedingsmaatregel zo spoedig mogelijk ten uitvoer te worden gelegd. In het derde lid van dit artikel is bepaald dat het openbaar ministerie uitstel van betaling kan verlenen of betaling in termijnen kan toestaan. In opdracht van het openbaar ministerie is het CJIB belast met de executie van – onder meer – schadevergoedingsmaatregelen. De wijze waarop het CJIB een schadevergoedingsmaatregel ten uitvoer legt, is in hoofdlijnen neergelegd in de ‘Aanwijzing executie’ (laatstelijk gepubliceerd in Staatscourant 19 december 2014, 37617) (hierna: ‘de Aanwijzing’). In bijlage 3 van de Aanwijzing is ten aanzien van de betalingsregeling opgenomen dat de verantwoordelijkheid voor het aangaan daarvan exclusief is voorbehouden aan het CJIB, alsmede dat het CJIB in beginsel geen betalingsregeling treft, tenzij een daartoe strekkend verzoek, op grond van bijzondere omstandigheden kan worden gehonoreerd. Hierbij is bepaald dat een verzoek tot het treffen van een betalingsregeling in beginsel niet in behandeling wordt genomen, onder meer indien de vervaldatum van de tweede aanmaning is verstreken of er reeds een arrestatiebevel is uitgevaardigd. Bij de inhoudelijke beoordeling van het verzoek geldt volgens de genoemde bijlage als uitgangspunt dat uitzicht moet bestaan op volledige voldoening van de schadevergoedingsmaatregel. De termijn waarbinnen volledige betaling moet zijn gerealiseerd bedraagt in beginsel maximaal 12 maanden. In bijzondere gevallen kan de termijn worden verlengd tot hoogstens 36 maanden, doch alleen indien binnen de afgesproken termijn betaling van de gehele vordering aannemelijk is. Slechts in uitzonderingsgevallen, waarin sprake is van een schrijnende situatie, kan hiervan worden afgeweken. Het CJIB heeft bij de toepassing van de Aanwijzing een ruime beleidsvrijheid. Dit brengt mee dat de voorzieningenrechter in kort geding de beslissingen van het CJIB in beginsel slechts marginaal kan toetsen. Daarbij geldt blijkens vaste jurisprudentie dat het in de Aanwijzing neergelegde beleid in beginsel de toets der kritiek kan doorstaan.

3.3.

De inhoud van voormelde Aanwijzing en de bestendige jurisprudentie daaromtrent in ogenschouw nemend, heeft het CJIB naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter op goede gronden geweigerd om (opnieuw) met [eiser] een betalingsregeling te treffen. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter in de eerste plaats dat [eiser] zijn meest recente verzoek tot het treffen van een betalingsregeling (van maart 2015) heeft gedaan nadat jegens hem reeds een arrestatiebevel was uitgevaardigd (en hij zich reeds in detentie bevond). In zijn betoog dat hij als gevolg van het feit dat zijn ex-partner post voor hem achterhield – naar de voorzieningenrechter begrijpt – niet in eerder staat was een betalingsregeling te verzoeken en dat om die reden thans met hem een betalingsregeling moet worden getroffen, kan [eiser] niet worden gevolgd. Het is immers aan [eiser] om ervoor zorg te dragen dat aan hem gerichte post, die – naar niet ter discussie staat – is verzonden aan het adres waarop [eiser] (destijds) in de GBA stond ingeschreven, hem daadwerkelijk bereikt. Overigens constateert de voorzieningenrechter dat de door [eiser] gestelde omstandigheid dat hij een aantal brieven van het CJIB niet heeft ontvangen, hem niet heeft belemmerd in het doen van betalingsvoorstellen. Door [eiser] is immers niet weersproken dat hij in juni 2013, april 2014 alsmede op 12 november 2014 de deurwaarder dan wel het CJIB om een betalingsregeling heeft verzocht en dat hem in juni 2013 en april 2014 ook daadwerkelijk een voorlopige betalingsregeling door de deurwaarder is toegestaan. In de tweede plaats stuit de vordering van [eiser] af op het feit dat – zoals door [eiser] niet is weersproken – de met de deurwaarder getroffen betalingsregelingen van juni 2013 en april 2014 door hem niet zijn nagekomen. Van de zijde van de Staat is ter zitting betoogd dat het vast beleid is om in beginsel geen betalingsregeling meer te treffen als een eerder overeengekomen betalingsregeling niet is nagekomen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het hanteren van dit beleid valt binnen de aan het CJIB toekomende beleidsvrijheid en dat dit voorshands niet onredelijk kan worden geacht. Van een situatie die onmiskenbaar zou moeten leiden tot het maken van een uitzondering op dit beleid is in deze zaak niet gebleken. In de derde en laatste plaats is naar het oordeel van de voorzieningenrechter van belang dat van de zijde van [eiser] niet is weersproken dat alle tot op heden door hem voorgestelde betalingsregelingen niet konden dan wel niet zouden hebben kunnen leiden tot een volledige voldoening van de schadevergoedingsmaatregel binnen de in de Aanwijzing genoemde termijn van 36 maanden. In dat verband is tevens van belang dat niet ter discussie staat dat [eiser] ook thans financieel niet in staat is om voor een volledige voldoening binnen voormelde termijn zorg te dragen. Uit het voorgaande volgt dat de vordering van [eiser] dient te worden afgewezen. Dat de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis – zoals ter zitting van de zijde van [eiser] is betoogd – een grote impact heeft op het gezinsleven met zijn twee minderjarige kinderen en op het leven van zijn ex-partner, tevens moeder van zijn kinderen, is invoelbaar maar kan niet leiden tot de conclusie dat sprake is van een schrijnende situatie in de zin van de Aanwijzing. Een hechtenis is naar zijn aard immers een ingrijpende maatregel, die voor een ieder die hem moet ondergaan en diens naaste familieleden een zware last zal betekenen. Door [eiser] is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zijn ex-partner niet in staat is om gedurende de resterende periode van zijn detentie de zorg voor hun twee minderjarige kinderen alleen te dragen.

3.4.

Uit het voorgaande volgt dat de vordering van [eiser] dient te worden afgewezen. [eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding, te vermeerderen met de wettelijke rente als gevorderd.

4 De beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het gevorderde af;

- veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op € 1.429,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat, € 613,-- aan griffierecht en bepaalt dat deze kosten binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis aan de Staat dienen te worden voldaan;

- bepaalt dat [eiser] bij gebreke van tijdige betaling de wettelijke rente over de proceskosten verschuldigd is;

- verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.P. van Ham en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2015.

mw