Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:10100

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-07-2015
Datum publicatie
08-09-2015
Zaaknummer
C/09/489217 / KG-ZA 15-723
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

rechtmatige toepassing dwangmiddel buitengebruikstelling auto; buitengebruikstelling van rechtswege geëindigd; auto thans in kader van retentierecht bewaard. geen sprake van Paulianeus handelen Staat en zorgvuldige bel.afweging ikv toepassing Wahv

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/489217 / KG ZA 15-723

Vonnis in kort geding van 24 juli 2015

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. J.M.R. Vlaar te Budel ,

tegen:

DE STAAT DER NEDERLANDEN

(Ministerie van Veiligheid en Justitie, Centraal Justitieel Incassobureau),

zetelende te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. M.M.C. van Graafeiland te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiser] ’ en ‘de Staat’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 12 juni 2015, met producties;

- de brief van mr. Vlaar van 3 juni 2015, met productie;

- de brief van mr. Vlaar van 7 juli 2015, met producties;

- de brief van mr. Graafeiland van 16 juli 2015, met producties;

- de op 17 juli 2015 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd.

1.2.

Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

[eiser] drijft een loodgietersbedrijf in de vorm van een eenmanszaak.

2.2.

[eiser] is op 26 januari 2010 in staat van faillissement verklaard. Bij beschikking van 27 juni 2012 is dit faillissement opgeheven.

2.3.

Blijkens een drietal door de Staat overgelegde zaaksoverzichten van het Centraal Justitieel Incassobureau, een orgaan van de Staat (hierna: ‘het CJIB’), zijn aan [eiser] drie administratieve sancties op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) opgelegd. [eiser] heeft deze sancties niet voldaan en heeft evenmin gereageerd op de daarop gevolgde aanmaningen met wettelijke verhogingen. Het betreft de navolgende administratieve sancties:

1. CJIB-nummer: [nummer 1]

Overtreding: niet afsluiten van een voor een motorvoertuig vereiste verzekering

Pleegdatum: 4 maart 2014

Voertuig: personenauto met kenteken [kenteken 1]

Opgelegde sanctie: € 400,--, na verhogingen inclusief administratiekosten thans

€ 1.207,--

2. CJIB-nummer: [nummer 2]

Overtreding: niet stoppen voor rood licht

Pleegdatum: 21 april 2014

Voertuig: personenauto met kenteken [kenteken 2]

Opgelegde sanctie: € 230,--, na verhogingen inclusief administratiekosten thans

€ 697,--

3. CJIB-nummer: [nummer 3]

Overtreding: niet stoppen voor rood licht

Pleegdatum: 26 mei 2014

Voertuig: aanhangwagen/oplegger achter motorvoertuig met kenteken [kenteken 3]

Opgelegde sanctie: € 230,--, na verhogingen inclusief administratiekosten thans

€ 697,--

2.4.

[eiser] stond vanaf 2 januari 2014 tot en met 15 mei 2015 in de gemeentelijke basisadministratie (GBA) van de gemeente [woonplaats] ingeschreven op het adres [adres 1] en vanaf 16 mei 2015 op het adres [adres 2] .

2.5.

Bij brief van 25 mei 2015 heeft het CJIB ter zake van de administratieve sancties met CJIB-nummers [nummer 1] en [nummer 2] een ‘kennisgeving buitengebruikstelling’ aan [eiser] gezonden op het adres [adres 2] te [woonplaats] . Hierin is melding gemaakt van de buitengebruikstelling van de op naam van mr. Vlaar staande personenauto met kenteken [kenteken 4] (Volvo XC 90) (hierna: ‘de auto’) voor de duur van vier weken, zulks met ingang van 19 mei 2015. Na deze periode zal de auto, zo is verder aangekondigd, worden overgedragen aan de Dienst Domeinen, een ander onderdeel van de Staat. Gedurende voormelde periode van vier weken kan de auto blijkens de kennisgeving worden teruggekregen door de verschuldigde bedragen (administratieve sancties, administratiekosten en verhogingen), alsmede de kosten van overbrenging en bewaring bij de politie te voldoen. Na het verstrijken van voormelde periode van vier weken kan de auto tegen betaling van de kosten van overbrenging en bewaring worden teruggekregen. Daarnaast volgt uit voormelde kennisgeving dat indien [eiser] de auto na twaalf weken na aanvang van de buitengebruikstelling niet heeft afgehaald, hij geacht wordt zijn recht op de auto te hebben opgegeven, waarna de officier van justitie gerechtigd is de auto aan een derde in eigendom te doen overdragen, te doen verkopen of te doen vernietigen. Omdat de auto op naam staat van mr. Vlaar heeft het CJIB voormelde kennisgeving bij brief van 22 mei 2015 eveneens aan mr. Vlaar gezonden.

2.6.

Bij brief van 8 juni 2015 heeft het CJIB ter zake van de administratieve sanctie met CJIB-nummer [nummer 3] een ‘kennisgeving buitengebruikstelling’ aan [eiser] gezonden op het adres [adres 1] te [woonplaats] . In deze kennisgeving is melding gemaakt van de buitengebruikstelling van de aanhangwagen met kenteken [kenteken 3] (Hapert K 2000) (hierna: ‘de aanhangwagen’) voor de duur van vier weken, zulks met ingang van 19 mei 2015. Deze kennisgeving is voor het overige inhoudelijk gelijkluidend aan de op 25 mei 2015 aan [eiser] gezonden kennisgeving.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. opheffing van de buitengebruikstelling c.q. teruggave van de auto, zonder verplichting tot vergoeding van kosten;

II. teruggave van de aanhangwagen;

III. vergoeding van de als gevolg van de onrechtmatige buitengebruikstelling van de auto en de aanhangwagen ontstane schade;

IV. veroordeling van de Staat in de proceskosten.

3.2.

Daartoe voert [eiser] aan dat de Staat zich met de buitengebruikstelling van de auto en de aanhangwagen in het zicht van een schuldenregeling met de thans bestaande schuldeisers paulianeus bevoordeelt boven de andere schuldeisers en zodoende de totstandkoming van een dergelijke schuldenregeling feitelijk onmogelijk maakt. Daarnaast is volgens [eiser] de buitengebruikstelling van de aanhangwagen niet op de wet gegrond (de geconstateerde overtreding is volgens hem niet door de aanhangwagen maar door een motorvoertuig gepleegd), terwijl volgens hem daarnaast de buitengebruikstelling van zowel de auto als aanhangwagen strijdig is met het beslagverbod op beroepsgereedschap. [eiser] stelt in verband met dit laatste dat het zonder de auto en de aanhangwagen voor hem onmogelijk is om zijn beroep en bedrijf als loodgieter uit te oefenen. Voorts stelt [eiser] dat in het kader van de toepassing van de Wahv geen behoorlijke belangenafweging heeft plaatsgevonden. In dat verband wijst [eiser] erop dat het CJIB eind 2013 te kennen heeft gegeven in te kunnen stemmen met de destijds door hem voorgestelde schuldenregeling.

3.3.

De Staat voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

Het geschil van partijen spitst zich toe op de vraag of het dwangmiddel van buitengebruikstelling als bedoeld in artikel 28b van de Wahv ten aanzien van [eiser] rechtmatig is toegepast.

4.2.

De voorzieningenrechter stelt in het kader van de beantwoording van deze vraag voorop dat de officier van justitie op grond van artikel 25 lid 2 Wahv gedurende twee jaar nadat ten aanzien van de administratieve sancties een onherroepelijke beslissing is genomen, verhaal kan nemen, bijvoorbeeld op de goederen van de betrokkene (met dwangbevel, artikel 26 Wahv) of op de inkomsten uit arbeid of uitkering dan wel op het tegoed van een bankrekening (zonder dwangbevel, artikel 27 Wahv). Indien de administratieve sanctie niet wordt voldaan en verhaal als bedoeld in de artikelen 26 en 27 Wahv niet of niet volledig heeft kunnen plaatsvinden, voorziet de wet in verschillende dwangmiddelen, te weten inneming van het rijbewijs (artikel 28a Wahv), buitengebruikstelling van een voertuig, waaronder begrepen soortgelijke voertuigen waarover degene aan wie de administratieve sanctie is opgelegd beschikt (artikel 28b Wahv) en gijzeling (artikel 28 Wahv). Het doel van deze dwangmiddelen is te bereiken dat de administratieve sancties kunnen worden geïnd. De Wahv schrijft niet dringend voor in welke volgorde voormelde dwangmiddelen moeten worden toegepast. Artikel 3 van het Besluit buitengebruikstelling voertuigen (hierna: ‘het Besluit’) bepaalt dat het voertuig door degene die met de feitelijke bewaring is belast aan de rechthebbende wordt teruggeven nadat de termijn van de buitengebruikstelling is verstreken dan wel nadat het verhoogde bedrag van de administratieve sanctie is voldaan. In beide gevallen geschiedt de teruggave tegen betaling van de kosten van overbrenging en van de feitelijke duur van de bewaring. Voormeld artikel van het Besluit behelst een retentierecht in de zin van artikel 3:290 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

4.3.

[eiser] heeft er ter zitting op gewezen dat de kennisgeving van buitengebruikstelling van de aanhangwagen niet is verstuurd naar het adres waarop hij op dat moment in de GBA stond ingeschreven, waardoor deze kennisgeving hem niet heeft bereikt. De Staat heeft ter zitting erkend dat de kennisgeving naar een onjuist adres is gestuurd, maar heeft er tevens met juistheid op gewezen dat de Wahv niet tot het versturen van bedoelde kennisgeving verplicht. Dit betekent dat voormelde omissie aldus niet raakt aan de rechtsgeldigheid van de buitengebruikstelling. Daar komt bij dat [eiser] vanaf het moment van de buitengebruikstelling op 19 mei 2015 bekend moet worden verondersteld met de buitengebruikstelling, vanaf die datum had [eiser] immers niet meer de beschikking over deze aanhangwagen, zodat het doel dat met de kennisgeving wordt gediend feitelijk is bereikt.

4.4.

[eiser] vordert in de eerste plaats de buitengebruikstelling van de auto op te heffen. Deze vordering is niet toewijsbaar nu de maximale duur van de buitengebruikstelling van vier weken (artikel 28b Wahv) inmiddels is verstreken en de buitengebruikstelling aldus van rechtswege is geëindigd en de auto en de aanhangwagen thans in het kader van de uitoefening van een retentierecht worden bewaard.

4.5.

Met zijn stellingen dat de Staat paulianeus heeft gehandeld en de in het geding zijnde belangen in het kader van de toepassing van de Wahv niet op een behoorlijke wijze heeft afgewogen, betoogt [eiser] in feite dat destijds niet tot buitengebruikstelling van de auto en aanhangwagen had mogen worden overgegaan. In dit betoog kan [eiser] niet worden gevolgd. Niet in geschil is dat [eiser] de aan hem opgelegde administratieve sancties tot op heden onbetaald heeft gelaten. Gelet op het hiervoor geschetste wettelijk kader kwam aldus bij die stand van zaken op grond van de Wahv aan de Staat de bevoegdheid toe om over te gaan tot buitengebruikstelling. De buitengebruikstelling is immers een middel om te bewerkstelligen dat de opgelegde administratieve sancties worden voldaan. Niet ter discussie staat dat [eiser] ten tijde van de buitengebruikstelling zijn loodgietersbedrijf uitoefende en daarmee inkomsten genereerde. Aldus mocht er in beginsel vanuit worden gegaan dat [eiser] beschikte over financiële middelen om (bedragen op de) administratieve sancties (in mindering) te voldoen, zodat – anders dan [eiser] lijkt te betogen – niet op voorhand duidelijk was dat verhaal ter zake van deze sancties illusoir zou zijn. Dat de buitengebruikstelling tot gevolg heeft gehad dat het voor hem niet langer mogelijk is om een schuldenregeling met zijn schuldeisers te treffen, is door [eiser] gesteld, maar onvoldoende door hem onderbouwd. Zo heeft [eiser] onvoldoende aannemelijk gemaakt dat een schuldenregeling met zijn overige schuldeisers, gelet op zijn eerdere niet geslaagde poging daartoe, überhaupt tot de mogelijkheden behoorde en evenmin dat hij thans in het geheel niet meer in staat is om als loodgieter (bijvoorbeeld in loondienst) inkomsten te genereren, waarmee een te treffen schuldenregeling financieel gestand kan worden gedaan. Hieruit volgt reeds dat van het door [eiser] gestelde paulianeus handelen, wat hier verder ook van zij, en de door hem gestelde onzorgvuldige belangenafweging in het kader van de toepassing van de Wahv geen sprake is en dat aldus het buitengebruikstellen van de auto en de aanhangwagen niet op die gronden als onrechtmatig kan worden aangemerkt.

4.6.

Vervolgens is aan de orde de stelling van [eiser] dat de buitengebruikstelling van de aanhangwagen niet op de wet gegrond is omdat de desbetreffende overtreding niet met de aanhangwagen werd begaan. Ook in die stelling kan [eiser] niet worden gevolgd. Zoals de Staat terecht heeft opgemerkt, volgt uit het door hem overgelegde zaaksoverzicht betreffende CJIB-nummer [nummer 3] dat de desbetreffende overtreding door [eiser] werd begaan met de aanhangwagen. Aldus moet ervan worden uitgegaan dat in de niet overgelegde administratieve sanctie eveneens de aanhangwagen staat vermeld als voertuig waarmee de overtreding werd begaan. Indien [eiser] van mening is dat niet het juiste voertuig in de bewuste administratieve sanctie is vermeld, lag het op zijn weg om daartegen tijdig op te komen. [eiser] heeft van die mogelijkheid echter geen gebruik gemaakt, zodat thans op dit punt in rechte dient te worden uitgegaan van de juistheid van die administratieve sanctie. Aldus kon op grond van het bepaalde in artikel 28b Wahv ook de aanhangwagen buiten gebruik worden gesteld.

4.7.

[eiser] heeft ten slotte nog betoogd dat de buitengebruikstelling van de auto en de aanhangwagen strijd is met het beslagverbod op beroepsgereedschap. Ook dit betoog kan [eiser] niet baten nu – zoals de Staat met juistheid heeft gesteld – van beslaglegging op de auto en de aanhangwagen geen sprake is.

4.8.

Uit het voorgaande volgt dat van het door [eiser] gestelde onrechtmatig handelen van de Staat geen sprake is. De door [eiser] gevorderde teruggave van de auto en de aanhangwagen, wat betreft de auto zonder vergoeding van de kosten van overbrenging en bewaring, en de door hem gevorderde schadevergoeding zijn daarmee niet voor toewijzing vatbaar. De conclusie is dan ook de vordering van [eiser] in zijn geheel dient te worden afgewezen.

4.9.

[eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

wijst het gevorderde af;

5.2.

veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op € 1.429,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat en € 613,-- aan griffierecht;

5.3.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

Dit vonnis is gewezen door mr. G.P. van Ham en in het openbaar uitgesproken op 24 juli 2015.

mw