Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:10096

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-08-2015
Datum publicatie
01-09-2015
Zaaknummer
C/09/491946 / KG-ZA 15-998
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Overlevering Italië; geen sprake van juridische misslag, vonnis internat. rechtshulpkamer want toegestaan meerdere keren op EAB te beslissen; geen sprake van dreigende flagrante schending art. 2,3 en 6 EVRM; med.zorg tijdens vervoer en detentie voorhanden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/491946 / KG ZA 15-998

Vonnis in kort geding van 12 augustus 2015

in de zaak van

[eiser] ,

thans verblijvende in de PI [X] , locatie [Y] , Justitieel Centrum [Z] ,

eiser,

advocaat mr. I.A. van Straalen te Den Haag,

tegen:

DE STAAT DER NEDERLANDEN

(Ministerie van Veiligheid en Justitie),

zetelende te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. C.M. Bitter te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiser] ’ en ‘de Staat’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 13 juli 2015;

- de op 17 juli 2015 van de zijde van [eiser] ingediende producties 1 tot en met 19;

- de op 27 juli 2015 van de zijde van [eiser] ingediende producties 20 tot en met 22;

- de faxbrief van mr. Bitter van 28 juli 2015, met productie;

- de op 29 juli 2015 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd.

1.2.

Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

Op 4 oktober 2010 heeft de aan het Court of Bologna (Italië) verbonden officier van justitie een Europees Aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd, strekkende tot aanhouding en overlevering van [eiser] aan Italië, zulks in verband met de tenuitvoerlegging van een bij verstek gewezen vonnis van voormelde instantie van 11 mei 2010, waarbij [eiser] wegens illegale handel in verdovende middelen is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 jaar en 3 maanden en een boete van € 250.000,--. Van deze gevangenisstraf dient [eiser] thans nog 17 jaar en 3 maanden uit te zitten en van voormelde boete dient hij nog een bedrag van € 240.000,-- te betalen.

2.2.

De officier van justitie te Amsterdam heeft op 15 oktober 2010 bij de rechtbank Amsterdam een vordering ingediend ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), onder meer strekkende tot het in behandeling nemen van het EAB.

2.3.

Bij uitspraak van 14 december 2010 heeft de Internationale Rechtshulpkamer van de rechtbank Amsterdam op voormelde vordering beslist en daarbij de verzochte overlevering van [eiser] geweigerd vanwege het feit dat de officier van justitie in Italië niet de in artikel 6, eerste lid, OLW bedoelde terugkeergarantie had gegeven.

2.4.

Op 21 januari 2015 heeft de officier van justitie te Amsterdam bij de rechtbank Amsterdam wederom een vordering ingediend ex artikel 23 OLW, onder meer strekkende tot het in behandeling nemen van het EAB van 4 oktober 2010.

2.5.

De Internationale Rechtshulpkamer van de rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 17 maart 2015 de overlevering van [eiser] aan Italië toegestaan. De rechtbank heeft daartoe onder meer als volgt overwogen:

4. De weigeringsgrond van artikel 6, tweede lid, OLW en van artikel 12 OLW

(…)

Naar het oordeel van de rechtbank voldoet de verzetsgarantie aan de eisen van artikel 12 sub d OLW en is de in dit artikel bedoelde weigeringsgrond derhalve niet van toepassing. Met zijn betoog miskent de raadsman [van [eiser] , toevoeging voorzieningenrechter] hetgeen eveneens in de door hem aangehaalde toelichting (…) wordt vermeld, te weten: his right to a retrial or appeal, in which he has the right to participate and which allows the merits of the case, including fresh evidence, to be re-examined and which may lead the original decision being reversed. Deze zinsnede houdt onmiskenbaar een nieuwe inhoudelijke behandeling van de strafzaak in en gelet op het vertrouwensbeginsel moet het er aldus voor worden gehouden dat dit de opgeëiste persoon ook daadwerkelijk wordt gegund.

(…)

Gelet op voornoemde omstandigheden is het vonnis waarvan de tenuitvoerlegging wordt gevraagd, nog niet onherroepelijk en wordt het EAB door de rechtbank gelezen als strekkende tot vervolging van de opgeëiste persoon, in verband met het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan zeven naar het recht van Italië strafbare feiten. Uit het voorgaande volgt dat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW niet aan de orde is.

(…)

6 De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom alleen worden toegestaan, indien naar het oordeel van de rechtbank is gewaarborgd dat, zo hij ter zake van de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan.

(…)

Naar het oordeel van de rechtbank is de hiervoor vermelde garantie voldoende.

(…)

8 Niet-ontvankelijkheidsverweer

Zoals uit het voorgaande reeds volgt, is de rechtbank (…) van oordeel dat de huidige situatie afwijkt van de situatie ten tijde van het eerder door de Italiaanse justitiële autoriteiten ingediende overleveringsverzoek dat door de rechtbank is afgewezen

(…)

Het niet-ontvankelijkheidsverweer (…) slaagt dan ook niet.

9 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW, er een garantie is gegeven als bedoeld in artikel 12 sub d OLW en er ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan. (…)”

2.6.

Op verzoek van (de advocaat van) [eiser] heeft dr. [A] , als medisch adviseur (RGA) verbonden aan Info Medical Medisch Adviesbureau (hierna: ‘dr. [A] ’), op 18 juni 2015 een medisch rapport uitgebracht over [eiser] . Dr. [A] rapporteert hierin onder meer als volgt:

“Na bestudering van de door mij ter beschikking gestelde medische gegevens concludeer ik dat de heer [eiser] een uitgebreide medische voorgeschiedenis heeft, bestaande uit een ernstige vorm van COPD (…) en een paralyse van het rechter diafragma (het middenrif) als gevolg van een frenicusparese (een uitval van de nervus frenicus, die het middenrif innerveert). Daarnaast is hij bekend met hypertensie, angina pectoris, diabetes mellitus, jicht, een status na een ernstig verkeersongeval met een bekkenfractuur en een blaasruptuur in 1986, een stentplaatsing in verband met een abdominaal aneurysma in 2004 en een stuma (vergroting van de schildklier) (…) In 2011 maakte cliënt een septische shock door in verband met een bilaterale pneumonie (een longontsteking).

Blijkens informatie van de behandelend longarts prof. [B] (…) is cliënt bij laatstgenoemde al jarenlang onder behandeling in verband met de eerder genoemde COPD. Deze geeft aan dat cliënt subjectief een kortademige indruk maakt, doch dat objectief gezien de COPD in een stabiele fase verkeerd. (…) Ten aanzien van de COPD heeft longarts [B] gesteld dat er thans geen noodzaak tot een specifieke interventie bestaat. (…)

Na mijn bezoek aan de heer [eiser] werd door mij telefonisch contact opgenomen met longarts prof. [B] . Deze gaf aan dat de COPD thans weliswaar in een relatief stabiele fase verkeert doch dat plotselinge exacerbaties zeker niet kunnen worden uitgesloten, hetgeen in februari 2015 nog het geval is geweest (…) Hij gaf aan dat een eventueel transport per ambulance over grote afstand niet geheel zonder risico is, gezien het labiele evenwicht waarin cliënt verkeert.

Tevens werd door hem vermeld dat in zijn optiek de behandeling van de heer [eiser] dermate specialistisch is dat hij deze in detentie in Italië met een hoge mate van waarschijnlijkheid niet zal kunnen ontvangen. (…)

Na bestudering van de medische gegevens en eigen onderzoek (…) kom ik tot de conclusie dat er sprake is van een ernstige vorm van COPD (…) De fysiologische gevolgen van de COPD worden nog versterkt door de bestaande paralyse van het rechter diafragma, hetgeen de compliance van de longen nog verder doet afnemen. Door deze constellatie van afwijkingen is cliënt niet in staat om enigszins vlak in bed te liggen. (…)

Op basis van het bovenstaande ben ik de mening toegedaan dat de heer [eiser] , conform de visie van een tweetal artsen in overheidsdienst, om medische redenen niet per vliegtuig kan worden vervoerd, aangezien dit zou kunnen leiden tot een oncontroleerbare hypoxemie (een te laag zuurstofgehalte in het bloed) met alle gevolgen van dien.

Daarnaast oordeel ik dat er evident risico’s verbonden zijn aan een transport per ambulance van cliënt van Nederland naar Italië. Deze visie wordt ondersteund door zijn behandelend longarts prof. [B] . Het grootste risico van een dergelijk transport bestaat uit een acute exacerbatie van de COPD, welke tijdens het transport minder goed medicamenteus te behandelen is dan in een normale medische setting. In het meest ongunstige scenario zou dit, gesuperponeerd op de reeds gecompromitteerde cardiale status, tot het overlijden van cliënt kunnen leiden. Daarnaast acht ik medische risico’s verbonden aan een langdurig verblijf van cliënt in een Italiaanse gevangenis. Ofschoon ik als medicus niet bekend ben met de specifieke omstandigheden in Italiaanse gevangenissen, ga ik ervan uit dat de medische behandeling aldaar minder adequaat en toegesneden is op de specifieke situatie van cliënt dan het geval is in Nederland. De behandeling van de heer [eiser] is dermate specialistisch dat hij deze in detentie in Italië met een hoge mate van waarschijnlijkheid niet zal kunnen ontvangen. Een verlengd verblijf van de heer [eiser] in minder optimale detentieomstandigheden acht ik risicovol, gezien de constellatie van afwijkingen. Er is thans sprake van een fragiel evenwicht (…), dat gemakkelijk kan worden verstoord door een minder optimale medische behandeling, waaronder het niet-chronisch toedienen van zuurstof en een niet-adequate medicamenteuze behandeling. (…)”

2.7.

De advocaat van [eiser] heeft het openbaar ministerie bij e-mail van 19 juni 2015, onder verwijzing naar het bij deze e-mail gevoegde medisch rapport van dr. [A] , verzocht om op medische gronden af te zien van overlevering van [eiser] aan Italië. Bij e-mail van 29 juni 2015 heeft het openbaar ministerie te kennen gegeven aan dit verzoek geen gehoor te zullen geven en de feitelijke overlevering van [eiser] in gang te zetten.

2.8.

Bij e-mail van 29 juni 2015 heeft de heer [C] , werkzaam als medisch adviseur bij de Dienst Justitiële Inrichtingen van het Ministerie van Veiligheid en Justitie (DJI) (hierna: ‘ [C] ’), naar aanleiding van het medisch rapport van dr. [A] het openbaar ministerie onder meer als volgt omtrent [eiser] geadviseerd:

“Ik ondersteun nogmaals de opmerking dat verplaatsing per vliegtuig niet de meest voor de hand liggende optie is, hoewel een COPD Gould 2/3 een relatieve contra indicatie is en geen absolute. Daar zou echt een onderzoek en advies van een longarts (…) aan ten grondslag moeten liggen. Dus als u overweegt om hem toch per vliegtuig terug te sturen, zou ik adviseren om hem (met de vraag of het medisch verantwoord is dat hij naar Italië vliegt) te laten onderzoeken door een longarts. Vervoer over de weg per ambulance is (…) goed mogelijk. Dhr. [A] geeft aan dat er bij complicaties onvoldoende ingegrepen kan worden, maar bij een goede voorbereiding kan dit risico tot een minimum beperkt worden. Daarnaast kan een exacerbatie ook in een ambulance bestreden worden en mocht het echt uit de hand lopen (die kans is minimaal) dan reist men door medisch goed geoutilleerde landen en kan bij een echt probleem altijd uitgeweken worden naar een ziekenhuis (nogmaals, die kans acht ik zeer gering). Daarnaast is enig risico op verergering van de klachten en een overlijden, bij deze bijna 75 jarige man met zijn longproblemen, nooit uit te sluiten.

Op de opmerkingen die vervolgens gemaakt worden over een behandeling van dhr. zijn klachten in Italië wil ik het volgende kwijt. Het zou beter zijn geweest als dhr. [A] hier geen uitspraken over had gedaan (hij geeft zelf aan dat hij niet bekend is met de omstandigheden in Italiaanse gevangenissen) en neemt aan dat de zorg in Italië minder adequaat is dan in Nederland. Ik vraag me af waar dat op gebaseerd is.

Ik zit zelf in een netwerk waar ok Italiaanse artsen (die ook werkzaam zijn in Italiaanse gevangenissen) deel van uitmaken (…) en ik ben er van overtuigd dat de zorg, zeker voor de klachten die dhr. [eiser] heeft, niet zal onderdoen van een behandeling hier. (…)”

2.9.

Op verzoek van (de advocaat van) [eiser] heeft dr. [A] in reactie op de e-mail van [C] bij brief van 2 juli 2015 onder meer het volgende verklaard:

“(…) Daarnaast oordeel ik dat er evident risico’s verbonden zijn aan een transport per ambulance van Nederland naar Italië. Deze visie wordt ondersteund door zijn behandelend longarts prof. [B] . Het grootste risico van een dergelijk transport bestaat uit een acute exacerbatie van de COPD, welke tijdens het transport minder goed medicamenteus te behandelen is dan in een normale medische setting. Daarenboven is cliënt bekend met een paralyse van het rechter diafragma als gevolg van een frenicusparese. De combinatie van COPD met de laatstgenoemde afwijking leidt ertoe dat cliënt niet in een horizontale positie vervoerd kan worden, aangezien dit een onbeheersbare dyspnoe tot gevolg zou hebben. Gezien deze constellatie van aandoeningen zou cliënt zittend vervoerd dienen te worden, doch dit stuit op een dilemma, aangezien bij een status na stentplaatsing wegens een abdominaal aneurysma, hetgeen bij cliënt het geval is, het niet wenselijk is om langdurig in een zittende houding te verkeren. Gezien al de genoemde factoren, gesuperponeerd op de reeds gecompromitteerde cardiale status, zou een transport per ambulance over een afstand van circa 1200 kilometer in het meest ongunstige scenario tot het overlijden van cliënt kunnen leiden. Dit wordt thans beaamd door collega [C] .

Tevens heb ik gesteld dat er medische risico’s verbonden zijn aan een langdurig verblijf van cliënt in een Italiaanse gevangenis. In dat kader wijs ik op een drietal documenten (…) welke betrekking hebben op het Italiaanse gevangeniswezen. Hierin wordt onder andere aangegeven dat de medische verzorging in Italiaanse penitentiaire inrichtingen over het algemeen beperkt blijft tot het hoogst noodzakelijke. Ook het probleem van overbevolking in de inrichtingen wordt hierin besproken. Het wordt zelfs als het meeste nijpende in Europa omschreven. Niettegenstaande de uitlating van collega [C] (welke niet met feiten is onderbouwd), blijf ik op basis van het bovenstaande van mening dat de medische behandeling in Italiaanse gevangenissen minder adequaat en toegesneden is op de specifieke situatie van cliënt dan het geval is in Nederland. De behandeling van de heer [eiser] is dermate specialistisch dat hij deze in detentie in Italië, wijzende op de bijgevoegde documenten, met een zeer hoge mate van waarschijnlijkheid niet zal ontvangen.

(…)

In conclusie handhaaf ik mijn oordeel dat er evident risico’s verbonden zijn aan het vervoer per vliegtuig en ambulance van cliënt van Nederland naar Italië en daarnaast en met name aan een langdurige detentie in Italië, gezien de minder optimale detentieomstandigheden aldaar. (…)”

2.10.

De heer [D] , algemeen directeur van het Departement van de Penitentiaire Administratie (Algemene directie Gevangenen en behandeling) van het Italiaanse Ministerie van Justitie, heeft bij ongedateerde brief onder meer als volgt aan Bureau van de Verbindingsmagistraat voor Italië en de Nederlandse Ambassade te Rome verklaart omtrent de organisatie van de gezondheidszorg voor gedetineerden in het Italiaanse penitentiaire systeem en de beschikbaarheid van deze zorg voor [eiser] in het bijzonder:

“Als gevolg van een hervorming die in het jaar 1998 (…) is ingezet zijn binnen alle penitentiaire instituten binnen het nationale territorium medische afdelingen actief die gerund en georganiseerd worden door de Nationale Gezondheidszorg, die bevoegd is om medische behandelingen te geven aan gedetineerden, waarbij geen verschil mag bestaan tussen gedetineerden en zich in vrijheid bevindende personen. (…)

Dergelijke medische afdelingen zijn verschillend georganiseerd naar gelang de grootte van de gevangenisinstituten en in het bijzonder wordt opgemerkt dat in een aantal detentie instituten die zich in de grote steden bevinden er medische afdelingen voorhanden zijn, genaamd SAI (Diensten voor Intensieve Behandeling) – (de voormalige Klinische Centra –CDT) die aan de gedetineerde een 24 uur assistentie door artsen en verplegers waarborgen, alsmede een breed scala aan specialistische zorg.

De behandelingen die niet gegeven kunnen worden binnen de gevangenissen worden gegarandeerd binnen de burgerziekenhuizen die vallen onder de nationale gezondheidszorg, die zich buiten de gevangenissen bevinden en die zijn verbonden aan de medische afdelingen van de ziekenhuizen om zo de continuïteit van de zorg te kunnen waarborgen, een en ander overeenkomstig het principe van het zogenaamde “regionale en nationale zorgnetwerk”.

In het bijzonder zijn er in (…) ziekenhuizen speciale afdelingen actief die speciaal zijn gericht op de gezondheidszorg aan gedetineerden. Het betreft de “reparti di medicina protetta” (Beveiligde medische afdelingen), waar de medische zorg verleend wordt door speciaal opgeleid medisch en verpleegkundig personeel alsmede door de Penitentiaire politie.

(…)

Voor wat betreft het onderhavige geval, bericht men dat uit informatie van het Ministerie van Binnenlandse Zaken Interpol blijkt dat er al contacten zijn tussen de Nederlandse arts bij wie de gedetineerde in behandeling is en de verantwoordelijke arts van de Polizia di Stato van het Ministerie van Binnenlandse Zaken. Echter de Nederlandse arts heeft aan de verantwoordelijke van de Artsen van de Polizia di Stato van het Italiaanse Ministerie van Binnenlandse Zaken verzocht op dit moment nog niet de informatie over de gezondheidstoestand van de gedetineerde te verspreiden.

Mocht de gedetineerde in Italië worden gebracht, dan geeft men hierbij de naam en het nummer van de arts van dit Departement van de Penitentiaire Administratie door (…) die van de arts van de Polizia di Stato van het Italiaanse Ministerie van Binnenlandse Zaken die informatie kan ontvangen die nodig is om die gevangenis aan te wijzen die geschikt is om de vereiste medische zorg te garanderen aan de patiënt.

Men bevestigt hierbij ook nog dat de gedetineerde direct bij aankomst in de penitentiaire van bestemming instelling zal worden onderworpen aan een medische controle (…)”

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert – zakelijk weergegeven – primair de Staat te bevelen om niet te voldoen aan het verzoek tot overlevering van de Italiaanse autoriteiten c.q. de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 maart 2015, althans subsidiair aan deze uitspraak niet te voldoen totdat prejudiciële vragen zijn beantwoord omtrent het opnieuw behandelen van en beslissen op het EAB van 4 oktober 2010, althans meer subsidiair aan deze uitspraak niet te voldoen totdat de Italiaanse autoriteiten uitdrukkelijk en gespecificeerd hebben gegarandeerd dat hem de medische zorg zal worden geboden die zijn medische conditie vereist, een en ander met veroordeling van de Staat in de proceskosten.

3.2.

[eiser] stelt daartoe in de eerste plaats dat de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 maart 2015 nietig is, nu hierin is beslist op een EAB dat reeds in 2010 definitief was afgedaan, hetgeen heeft te gelden als een juridische misslag en dient te leiden tot een verbod op executie van deze uitspraak. Het geven van uitvoering aan deze nietige uitspraak is volgens [eiser] jegens hem onrechtmatig. [eiser] wijst in dit verband op het ‘Kaderbesluit van de Raad van de Europese Unie van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten’ (hierna: ‘het Kaderbesluit’), waarin is bepaald dat een EAB met spoed wordt behandeld en beslist en waarin wordt gerept over een definitieve beslissing over de tenuitvoerlegging van een EAB binnen 60 dagen na aanhouding van de gezochte persoon. [eiser] wijst daarnaast op artikel 22 OLW, waarin eveneens is bepaald dat de rechtbank binnen 60 dagen na aanhouding dient te beslissen over de overlevering. Nu tegen de uitspraak van de rechter blijkens artikel 29, tweede lid, OLW geen rechtsmiddel openstaat, gaat volgens [eiser] ook de OLW uit van een definitieve beslissing op het overleveringsverzoek. Tegen de beslissing op het EAB van 14 december 2010 stond geen rechtsmiddel open. Het opnieuw beslissen op het EAB moet naar de mening van [eiser] worden aangemerkt als een verkapt hoger beroep tegen de beslissing van 14 december 2010. [eiser] is dan ook van mening dat de rechtbank Amsterdam het EAB niet opnieuw in behandeling had mogen nemen en daarop niet op nieuw had mogen beslissen. [eiser] geeft de voorzieningenrechter in overweging ter zake prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen.

3.2.1.

[eiser] stelt daarnaast dat zowel de door de Staat voorgenomen wijze van vervoer over de weg per ambulance naar Italië als zijn feitelijke overlevering aan Italië zijn fundamentele recht op leven en op het gevrijwaard blijven van een onmenselijke en vernederende behandeling dusdanig in gevaar brengen, dat bij een effectuering van de overlevering en de voorgenomen wijze van overbrenging sprake is van een dreigende flagrante schending van de artikelen 2 en 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). [eiser] verwijst in dat kader naar zijn medische conditie, zoals deze is omschreven in de rapporten van dr. [A] , meer in het bijzonder op de door dr. [A] aanwezig veronderstelde risico’s bij vervoer over de weg per ambulance en diens conclusie dat de voor hem noodzakelijke medische zorg in Italiaanse gevangenis hoogstwaarschijnlijk niet kan worden verstrekt. Wat betreft dit laatste verwijst [eiser] naar de brochure ‘Gearresteerd in Italië’, opgesteld door het Ministerie van Buitenlandse Zaken, de Reclassering Nederland en de Nederlandse ambassade te Rome, waaruit volgt dat de medische zorg in Italiaanse gevangenissen in het algemeen beperkt blijft tot het hoogst noodzakelijke. Het is, gelet op het feit dat eerst in 2013 de in artikel 6 OLW bedoelde garantie werd verstrekt, volgens [eiser] geheel aan de Italiaanse autoriteiten te wijten dat overlevering niet eerder, lees toen zijn medische conditie aanzienlijk beter was, heeft plaatsgevonden.

3.2.2.

Eveneens is naar de mening van [eiser] sprake van een dreigende (meervoudige) flagrante schending van artikel 6 EVRM. In dat verband stelt [eiser] in de eerste plaats dat door het aanzienlijke tijdsverloop geen sprake is van een berechting binnen een redelijke termijn. Daarnaast wijst [eiser] op het feit dat het schenden van het recht op een berechting binnen een redelijke termijn in Italië een bestendige praktijk is. Voorts belemmert volgens [eiser] het tijdsverloop hem in het op adequate wijze voeren van verweer, waarmee het recht op een eerlijk proces eveneens wordt gefrustreerd.

3.3.

De Staat voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

Ter beoordeling staat of, zoals door [eiser] is betoogd, de Staat onrechtmatig handelt door uitvoering te geven aan het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 17 maart 2015 en [eiser] op die grondslag aan Italië over te leveren.

4.2.

[eiser] heeft de door hem gestelde onrechtmatigheid allereerst gegrond op de stelling dat het vonnis van 17 maart 2015 op een juridische misslag berust. Volgens [eiser] heeft de rechtbank Amsterdam de officier van justitie ten onrechte ontvankelijk verklaard in zijn vordering, nu reeds eerder, te weten op 14 december 2010, op het EAB van 4 oktober 2010 was beslist. In die stelling kan [eiser] niet worden gevolgd. Anders dan [eiser] betoogt, kunnen naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter noch in het Kaderbesluit noch in de OLW aanknopingspunten worden gevonden voor het standpunt dat - zoals in het onderhavige geval - bij een door de rechtbank Amsterdam geconstateerde relevante wijzing in de feitelijke omstandigheden (afgifte door de Italiaanse autoriteiten van de in artikel 6 OLW bedoelde terugkeergarantie) niet meerdere keren op een EAB mag worden beslist. Voor het stellen van prejudiciële vragen op dit punt bestaat dan ook geen aanleiding.

4.3.

[eiser] heeft daarnaast betoogd dat wanneer de Staat hem daadwerkelijk aan Italië uitlevert, een flagrante schending van de artikelen 2, 3 en 6 EVRM dreigt. Ook dit betoog kan [eiser] niet baten. Artikel 11 OLW bepaalt immers dat de rechtbank, die over de overlevering beslist, deze niet toestaat wanneer het vermoeden bestaat dat inwilliging van het verzoek zou leiden tot flagrante schending van de fundamentele rechten van de betrokken persoon, zoals die worden gewaarborgd door het EVRM. Hieruit volgt dat de door [eiser] beoogde toetsing aan het EVRM diende plaats te vinden door de rechtbank Amsterdam. In deze procedure dient er gelet op de zinsnede van de uitspraak van 17 maart 2015 ‘en er ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan’ vanuit te worden gegaan dat de rechtbank Amsterdam deze toets ook daadwerkelijk heeft aangelegd. Bij die van stand van zaken staat artikel 29, tweede lid, OLW eraan in de weg dat in deze procedure de overlevering van [eiser] opnieuw aan voormelde verdragsbepalingen wordt getoetst. De Staat heeft er met juistheid op gewezen dat [eiser] de door hem gestelde dreigende schending van voormelde artikelen van het EVRM, gelet op het feit dat Italië partij is bij het EVRM, aan de orde dient te stellen in de in Italië te doorlopen strafrechtelijke procedure.

4.4.

Zoals de Staat terecht heeft opgemerkt, dient, nu de rechtbank Amsterdam de overlevering van [eiser] toelaatbaar heeft verklaard, [eiser] op grond van de OLW zo spoedig mogelijk feitelijk te worden overgeleverd aan Italië. Feitelijke overlevering kan, gelet op artikel 35, derde lid, OLW, bij wijze van uitzondering achterwege blijven zolang er ernstige humanitaire redenen bestaan die aan de feitelijke overlevering in de weg staan, in het bijzonder zolang het, gelet op de gezondheidstoestand van de opgeëiste persoon, niet verantwoord is om te reizen. De officier van justitie bepaalt in dat geval, na overleg met de uitvaardigende justitiële autoriteit de tijd en plaats waarop de feitelijke overlevering alsnog kan plaatsvinden. Aan de officier van justitie komt ter zake een zekere beoordelingsvrijheid toe, hetgeen met zich brengt dat zijn beslissingen in rechte slechts marginaal kunnen worden getoetst. Dit betekent dat thans dient te worden beoordeeld of de officier van justitie in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat geen sprake is van ernstige humanitaire redenen die (tijdelijk) in de weg staan aan overlevering van [eiser] aan Italië.

4.5.

Niet ter discussie staat dat [eiser] lijdt aan diverse (complexe) aandoeningen, waardoor zijn medische conditie verre van optimaal is. Evenmin is in geschil dat tot op heden door partijen ingeschakelde medische adviseurs niet is geconcludeerd dat [eiser] vanwege zijn medische conditie in het geheel niet tot reizen naar Italië in staat is. De ingeschakelde medische adviseurs verschillen wel van mening over de vraag of vervoer van [eiser] naar Italië over de weg per ambulance tot de mogelijkheden behoort. Anders dan dr. [A] in opdracht van [eiser] heeft geconcludeerd, is naar de mening van [C] vervoer over de weg per ambulance goed mogelijk. Het door dr. [A] als reëel ingeschatte risico op acute in de ambulance moeilijk te behandelen exacerbatie, kan volgens [C] bij een gedegen voorbereiding tot een minimum worden beperkt. Echter ook indien zicht tijdens de reis een exacerbatie voordoet, kan deze volgens [C] in een ambulance eveneens op afdoende wijze worden behandeld, terwijl volgens hem daarnaast in het uiterste geval altijd kan worden uitgeweken naar een nabijgelegen ziekenhuis. Nu ervan uit mag worden gegaan dat het vervoer op de hiervoor bedoelde gedegen wijze zal worden voorbereid en de bestaande mogelijkheid om tijdens het vervoer in geval van nood naar een regulier ziekenhuis uit te wijken, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter een voldoende adequate medische behandeling van [eiser] gedurende de reis naar Italië in voldoende mate gewaarborgd. Overigens is thans nog niet gezegd dat het vervoer ook daadwerkelijk per ambulance zal plaatsvinden. Van de zijde van de Staat is ter zitting toegelicht dat momenteel in overleg met de Italiaanse autoriteiten en de behandelaars van [eiser] wordt bezien welke wijze van vervoer het meest passend (lees het minst belastend) is bij de medische situatie van [eiser] . Niet alleen vervoer per ambulance maar ook vervoer per trein en zelfs per vliegtuig worden volgens de Staat thans als mogelijke opties onderzocht. Gelet op de structuur waarbinnen thans wordt overlegd, mag ervan worden uitgegaan dat het vervoer van [eiser] op de voor hem vanuit medisch oogpunt bezien meest verantwoorde en aldus minst belastende wijze zal plaatsvinden.

4.6.

Dat aan [eiser] in Italiaanse detentie de voor hem noodzakelijke specialistische zorg zal worden onthouden is door [eiser] , onder verwijzing naar de rapporten van dr. [A] gesteld, maar in het licht van het advies van [C] en de door de Staat overgelegde verklaring van het Italiaanse Ministerie van Justitie onvoldoende onderbouwd. Uit de verklaring van laatstgenoemde volgt immers dat in alle Italiaanse penitentiaire inrichtingen een medische afdeling is ingericht en dat in een aantal inrichtingen in grote steden medische afdelingen zijn ingericht waar specialistische zorg 24 uur per dag beschikbaar is. Voor specialistische behandelingen die binnen de penitentiaire inrichtingen niet voorhanden zijn, kan worden uitgeweken naar speciaal voor gedetineerden ingerichte afdelingen binnen reguliere ziekenhuizen. [eiser] zal bij aankomst aan een medische controle worden onderworpen, waarna op basis van de uitkomsten van deze controle en – naar de voorzieningenrechter begrijpt – mede aan de hand van door zijn Nederlandse behandelaars verstrekte medische informatie een voor [eiser] geschikte penitentiaire inrichting zal worden aangewezen. Aldus moet worden aangenomen dat de noodzakelijke medische behandeling van [eiser] ook in Italië op adequate wijze zal plaatsvinden.

4.7.

Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat de officier van justitie in redelijkheid heeft kunnen komen tot het oordeel dat geen sprake is van humanitaire redenen die op dit moment aan een feitelijke overlevering van [eiser] aan Italië in de weg staan. Dit betekent dat de vorderingen van [eiser] dienen te worden afgewezen.

4.8.

[eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding. Voor veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert (vgl. HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1116, NJ 2011/237).

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

wijst het gevorderde af;

5.2.

veroordeelt [eiser] om binnen veertien dagen nadat dit vonnis is uitgesproken de kosten van dit geding aan de Staat te betalen, tot dusverre begroot op € 1.429,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat, € 613,-- aan griffierecht;

5.3.

bepaalt dat [eiser] bij gebreke van tijdige betaling de wettelijke rente over de proceskosten verschuldigd is;

5.4.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.H.I.J. Hage en in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2015.

mw