Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:10088

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
27-08-2015
Datum publicatie
01-09-2015
Zaaknummer
C/09/446567 / HA RK 13-340
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Rechtsgeldige erkenning niet-biologische vader. Familierechtelijke betrekkingen naar Ghanees recht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2015/142
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rekestnummer: C/09/446567 / HA RK 13-340

Beschikking van 27 augustus 2015

in de zaak van

[verzoekster] ,

wonende te Ghana,

verzoekster,

advocaat mr. S.S. Jangali te Amsterdam,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN

(Ministerie van Veiligheid en Justitie,

Immigratie- en Naturalisatiedienst),

verder te noemen ‘de IND’,

belanghebbende,

vertegenwoordigd door mr. drs. C.J. Cappon.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het op 9 juli 2013 ingekomen verzoekschrift, met producties;

- de brief van de IND van 3 september 2013;

- de brief van mr. Jangali van 18 juni 2014, met productie;

- de brief van de IND van 22 september 2014;

- de brief van mr. Jangali van 11 november 2014, met producties;

- de brief van de IND van 17 februari 2015, met producties;

- de brief van de officier van justitie van 24 maart 2015;

- de brief van mr. Jangali van 15 juni 2015, met producties.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 18 juni 2015. Namens verzoekster is mr. Jangali verschenen en namens de IND mr. Cappon. Tevens was ter zitting aanwezig mevrouw [de tolk] , tolk in de taal Twi (niet zijnde familie van de hierna te melden [A] ). De officier van justitie heeft te kennen gegeven dat hij niet wenst te concluderen en zich aansluit bij het standpunt van de IND.

1.3.

Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling is de heer [B] (hierna: ‘ [B] ’), na het afleggen van de eed, als getuige gehoord. Zijn verklaring is vastgelegd in een door hem ondertekend proces-verbaal.

2 De feiten

2.1.

Verzoekster is geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Ghana) als dochter van de op dat moment ongehuwde mevrouw [A] , van Ghanese nationaliteit (hierna: ‘ [A] ’).

2.2.

De geboorte van verzoekster is op [datum registratie] geregistreerd in het ‘Register of Births for [plaats] in the [geboorteplaats] Council Registration District’. Bij de stukken bevindt zich een 'Birth Certificate', rechtsboven genummerd nummer [nummer 1] en met registratienummer [registratienummer] , waarin staat vermeld dat verzoekster kind is van [A] en [B] . Op dit stuk staat niet vermeld wie de geboorte van verzoekster heeft aangegeven; er is op dit formulier ('Birth Certificate Form G) geen voorbedrukte ruimte voor een dergelijke vermelding aanwezig. Op het stuk staat niet vermeld wanneer het is afgegeven.

2.3.

[B] is de biologische vader van verzoekster.

2.4.

[B] , die zich in 1994 in Nederland heeft gevestigd, heeft op 6 mei 1997 een verzoek om naturalisatie ingediend en daarbij aangegeven geen gelijktijdige naturalisatie te verzoeken van zijn minderjarige kinderen. Bij Koninklijk Besluit van 25 juni 1997 heeft [B] de Nederlandse nationaliteit verkregen. In dit besluit is opgenomen dat het Nederlanderschap wordt onthouden aan zijn minderjarige kinderen aan wie geen verblijf voor onbepaalde tijd binnen het Koninkrijk is toegestaan. Aan verzoekster was destijds geen verblijf voor onbepaalde tijd binnen het Koninkrijk toegestaan.

2.5.

Op [datum erkenning] heeft mr. [waarnemend notaris] , waarnemend notaris te [plaats 3] , een akte van erkenning opgemaakt. Uit die akte blijkt dat de broer van [B] , de heer [C] (hierna: ‘ [C] ’), sinds 27 november 1996 in het bezit van de Nederlandse nationaliteit, heeft verklaard verzoekster te willen erkennen, zodat, aldus de akte, “tussen hem en verzoekster familierechtelijke betrekkingen ontstaan.” Zowel verzoekster als [A] heeft schriftelijk toestemming tot de erkenning verleend. Voor verzoekster is hierbij een naamskeuze gedaan voor de achternaam [X] .

2.6.

Aan voormelde akte van erkenning zijn onder meer als bijlage gehecht
- een op 7 februari 2003 afgegeven “Certified Copy of Entry In Register Of Births, rechtsboven genummerd [nummer 2] en met registratienummer [registratienummer] . Dit afschrift vermeldt [B] als vader en [A] als moeder van verzoekster. Daarnaast is hierin achter “Signature in full or Name in full and mark, duly witnessed, of informant and relationship if any to the Child” de naam “ [A] ” ingevuld en achter “Margin” “A5/2/SF.2/2003/560 OF 6/1/2003”.
- een ten overstaan van een “notary public” afgelegde “statutory declaration by [A]” van 12 februari 2003, onder meer inhoudende:
(…)
4.That I was never married to anybody before the birth or at the time I gave birth to my child [verzoekster] .
5. That the above mentioned child has never been acknowledge by her biological father or any other man, and that I never gave permission to any man to acknowledge her.
6. That I have no objection against the request of [C] to acknowledge [verzoekster] and give my full consent to him to acknowledge the above named child according to the Dutch law.(…)”

2.7.

[A] en [C] hebben op 22 april 2005 ten behoeve van verzoekster een aanvraag voor een Nederlands paspoort ingediend bij de consulaire afdeling van de Nederlandse Ambassade te [plaats 2] , Ghana. Deze aanvraag is bij besluit van 15 november 2005 afgewezen omdat verzoekster volgens de consulaire afdeling de Nederlandse nationaliteit niet bezat. Bij besluit van 18 juni 2010 heeft de minister van Buitenlandse Zaken het door verzoekster tegen het besluit van 15 november 2005 ingediende bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 22 april 2011 heeft deze rechtbank Den Haag, sector bestuursrecht, het door verzoekster tegen laatstgenoemd besluit ingestelde beroep gegrond verklaard en de minister van Buitenlandse Zaken opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van verzoekster. Bij besluit van 8 november 2011 heeft de minister van Buitenlandse Zaken het bezwaar van verzoekster wederom ongegrond verklaard.

2.8.

In het kader van de op 22 april 2005 ten behoeve van verzoekster ingediende paspoortaanvraag is een op 28 juni 2004 afgegeven gewaarmerkt uittreksel uit het onder rov. 2.2. bedoelde geboorteregister overgelegd, rechtsboven genummerd [nummer 3] en met registratienummer [registratienummer] . Ook dit afschrift vermeldt [B] als vader en [A] als moeder van verzoekster. Daarnaast is ook hierin achter “Signature in full or Name in full and mark, duly witnessed, of informant and relationship if any to the Child” de naam “ [A] ” ingevuld en achter “Margin” “A5/2/SF2/2003/560 OF 6/1/03”.

2.9.

Op 19 december 2007 heeft [B] schriftelijk als volgt verklaard:

“Ik ben de biologische vader van [verzoekster] . Zij is geboren op [geboortedatum] . Ik heb [verzoekster] nooit erkend of verzorgd. De moeder van [verzoekster] heeft haar de namen gegeven die zij draagt en de grootvader van de moeder heeft voor haar gezorgd. Ik heb niet met de moeder samengewoond. Ten tijde van de zwangerschap en geboorte van [verzoekster] was ik bezig met het organiseren van mijn vertrek uit Ghana.

Ik heb de geboorte van [verzoekster] niet aangegeven bij het register. Ik heb pas enige tijd geleden gehoord dat haar geboorte is geregistreerd in het geboorteregister van [plaats] , door haar moeder op [datum registratie] . Ik was er niet bij. Ik kan mij niet herinneren waar ik precies was op [datum registratie] . Ik weet dat ik in die tijd veel reisde naar [plaats 2] ter voorbereiding van mijn reis naar Europa. Ik ben in 1991 naar Nederland gekomen.

Ik verklaar hierbij nogmaals uitdrukkelijk dat ik niet de geboorte van [verzoekster] heb aangegeven op [datum registratie] bij het geboorteregister in [plaats] , Ghana.”

3 Het verzoek

3.1.

Verzoekster verzoekt de rechtbank, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking, vast te stellen dat zij de Nederlandse nationaliteit bezit, zulks met veroordeling van de IND in de proceskosten.

3.2.

Verzoekster stelt daartoe – kort gezegd – dat zij op [datum erkenning] rechtsgeldig is erkend door [C] , van Nederlandse nationaliteit, waardoor zij per die datum in het bezit is gekomen van de Nederlandse nationaliteit.

4 Het standpunt van de IND

4.1.

De IND heeft geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek. Daartoe stelt de IND dat de erkenning door [C] nietig is op grond van het bepaalde in artikel 1:204, aanhef en onder f, van het Burgerlijk Wetboek (BW), omdat dat verzoekster naar Ghanees recht ten tijde van de erkenning in 2003 reeds in familierechtelijke betrekking stond tot [B] . Ter onderbouwing van deze stelling voert de IND het volgende aan. In het kader van verificatieonderzoek naar de geboorteakte van verzoekster, meer in het bijzonder naar de in de afschriften van 7 februari 2003 en 28 juni 2004 bij “Margin” ingevulde code, is komen vast te staan dat op 6 januari 2003 op verzoek van [A] een wijziging is aangebracht, in die zin dat is opgenomen dat [A] en niet [B] heeft te gelden als informant oftewel aangever van de geboorte van verzoekster. Volgens de IND is ten tijde van de geboorteregistratie [B] geregistreerd als informant en dient te worden uitgegaan van de juistheid van deze oorspronkelijke geboorteregistratie. Erkenning is in Ghana vormvrij en het als vader aangeven van de geboorte van je kind, wordt als een erkenning van het vaderschap beschouwd. [B] is de biologische vader van verzoekster. De grootvader van verzoekster van vaderszijde heeft in 1994 schriftelijk verklaard dat [B] de vader is van verzoekster. [B] heeft in het kader van zijn naturalisatie melding gemaakt van zijn minderjarige kinderen. Dit alles, is samenhang bezien, wijst er volgens de IND op dat verzoekster naar Ghanees recht ten tijde van de notariële erkenning door [C] in 2003 reeds in familierechtelijke betrekking tot [B] stond. De op 19 december 2007 door [B] afgelegde verklaring is in het licht van het voorgaande ongeloofwaardig, aldus de IND.

Voorts stelt de IND dat sprake is van een schijnerkenning. In dat verband wijst de IND erop dat [C] zich reeds in 1989, dus vóór de geboorte van verzoekster, in Nederland heeft gevestigd en huwelijken is aangegaan met andere vrouwen dan de moeder van verzoekster. Nu de wijziging van de informant in de geboorteakte van verzoekster eerst kort vóór de notariële erkenning van verzoekster plaatsvond en de erkenning van verzoekster door [C] voorts slechts één dag voor de wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) van 1 april 2003 heeft plaatsgevonden, is volgens de IND sprake van een schijnerkenning, met als oogmerk het verschaffen van een verblijfsrecht dan wel de Nederlandse nationaliteit aan een vreemdeling.

5 De beoordeling

5.1.

Ter beoordeling ligt voor de vraag of verzoekster als gevolg van de erkenning door [C] op [datum erkenning] het Nederlanderschap heeft verkregen.

5.2.

In dit kader is allereerst van belang de vraag of verzoekster voldeed aan de wettelijke vereisten voor erkenning. Het gaat hier om de erkenning in Nederland door een Nederlandse man van een in Ghana wonende persoon met de Ghanese nationaliteit. Of erkenning door een man familierechtelijke betrekkingen doet ontstaan tussen hem en een kind, wordt, wat betreft de bevoegdheid en de voorwaarden voor erkenning, bepaald door het recht van de staat waarvan de man de nationaliteit bezit (artikel 10:98 BW). Nu [C] de Nederlandse nationaliteit bezit, bepaalt de Nederlandse wet dus de voorwaarden voor erkenning. Artikel 1:204, eerste lid, aanhef en onder f, BW bepaalt dat een erkenning nietig is, indien zij is gedaan terwijl er twee ouders zijn. Gelet op het moederschap van [A] , betekent dit dat, indien sprake was juridisch vaderschap van [B] , de erkenning van verzoekster door [C] nietig is.

5.3.

Of er sprake is van een familierechtelijke betrekking tussen [B] en verzoekster doordat hij haar bij of kort na de geboorte als zijn kind heeft erkend, zoals de IND stelt, moet worden beoordeeld naar Ghanees recht, zijnde het recht van de staat waarvan [B] in ieder geval tot 25 juni 1997 de nationaliteit had (artikel 10:98 BW).

5.4.

De vaststelling van het vaderschap is in Ghana geregeld in de artikelen 9 en 10 van de op 1 maart 1978 in werking getreden ‘Maintenance of Children Decree 1977’. Naar Ghanees recht kan juridisch vaderschap worden ontleend aan relevante feiten en omstandigheden, zoals:
a. de vraag of een naamgevingsprocedure heeft plaatsgevonden; b. de vermelding van de naam van de vader op de geboorteakte; c. het verzorgen en onderhouden van het kind; d. een verklaring van de moeder omtrent het vaderschap van de man.
De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 18 juni 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:2677 en de uitspraak van de meervoudige familiekamer van deze rechtbank van 10 maart 2008, ECLI:NL:RBSGR:2008:BC6198).

5.5.

Uit voormelde uitspraken volgt dat de enkele omstandigheid dat [B] als vader in de geboorteakte staat vermeld, naar Ghanees recht onvoldoende is voor het aannemen van diens juridische vaderschap. In Ghana registreert de ambtenaar van de burgerlijke stand immers slechts wat hem door de aangever wordt medegedeeld. De in de geboorteakte op te nemen gegevens worden door hem niet op juistheid gecontroleerd. De omstandigheid dat een man in de geboorteakte als vader van een kind staat vermeld, kan naar Ghanees recht niet gelden als (volledig) bewijs voor de wettigheid van dat kind en wordt niet op zichzelf aangemerkt als een vorm van (juridische) erkenning van het vaderschap van dat kind. Het komt er blijkens genoemde uitspraak op aan te beoordelen of [B] naar de gemeenschap waartoe verzoekster destijds behoorde, heeft aangetoond dat hij haar als zijn kind accepteerde. Een dergelijke acceptatie kan blijken uit het feit dat een vader zelf de geboorteaangifte doet en daarbij opgeeft dat hij de vader is.

5.6.

De IND stelt dat [B] de geboorte van verzoekster heeft aangegeven en daarbij heeft vermeld dat hij de vader is. Volgens verzoekster heeft haar moeder de geboorteaangifte gedaan. Niet in geschil is dat op de overgelegde afschriften van de geboorteakte van 7 februari 2003 en 28 juni 2004, niet [B] , maar [A] als informant staat vermeld. De IND heeft er echter op gewezen dat uit het verificatieonderzoek naar het uittreksel uit het geboorteregister van 7 februari 2003 is gebleken dat de oorspronkelijke geboorteregistratie van verzoekster op 6 januari 2003 is gewijzigd, in die zin dat op haar verzoek [A] in plaats van [B] als informant is vermeld en dat het er derhalve voor moet worden gehouden dat [B] als de oorspronkelijke informant moet worden aangemerkt.

5.7.

De rechtbank laat in het midden of [B] als informant op de oorspronkelijke geboorteakte vermeld is geweest, hetgeen verzoekster betwist, en zal beoordelen of de door de IND gestelde wijziging dan wel aanvulling met vermelding van [A] als informant, in Nederland erkend dient te worden. Immers, naar Ghanees recht kan de vermelding als informant in de geboorteakte leiden tot het ontstaan van familierechtelijke betrekkingen en artikel 10:101, eerste lid, in samenhang met artikel 10:100, eerste lid, aanhef en onder b en c, tweede en derde lid, BW bepaalt dat buitenlands tot stand gekomen rechtsfeiten of rechtshandelingen, waarbij familierechtelijke betrekkingen zijn vastgesteld of gewijzigd en die zijn neergelegd in een door een bevoegde instantie overeenkomstig de plaatselijke voorschriften opgemaakte akte, in Nederland van rechtswege worden erkend, tenzij aan die vaststelling of wijziging geen behoorlijk onderzoek is voorafgegaan of die vaststelling of wijziging kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde.

5.8.

Nu de wijziging van de geboorteregistratie van verzoekster is uitgevoerd door de daartoe bevoegde Ghanese instantie en niet is gesteld of gebleken dat hangende die wijzigingsprocedure niet de daarvoor in Ghana geldende voorschriften in acht zijn genomen, dient deze wijziging op grond van voormelde bepalingen in beginsel in Nederland te worden erkend. Dat aan de wijziging geen behoorlijk onderzoek is voorafgegaan is door de Staat gesteld, maar onvoldoende onderbouwd. De rechtbank betrekt bij dat oordeel de ter zitting onder ede afgelegde verklaring van [B] (zie 1.3), dat zijn op 19 december 2007 afgelegde verklaring juist is en, in aanvulling op die laatste verklaring, dat hij nooit de intentie heeft gehad om verzoekster te erkennen. Nu de IND tegen deze verklaring niets meer heeft ingebracht, is naar het oordeel van de rechtbank voldoende komen vast te staan dat zijn mogelijke oorspronkelijke registratie als aangever (zo daar al sprake van was), onjuist is geweest. Evenmin is gebleken dat bedoelde wijziging onverenigbaar is met de Nederlandse openbare orde. De rechtbank gaat er in deze zaak dus van uit dat niet [B] maar [A] aangifte van de geboorte van verzoekster heeft gedaan.

5.9.

Gelet op het vorenstaande kan aan een eventuele vermelding van [B] als informant bij de geboorteaangifte, niet zijn juridisch vaderschap over verzoekster worden ontleend. Ook van andere handelingen van [B] waaruit kan volgen dat hij verzoekster als zijn kind heeft geaccepteerd is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Gesteld noch gebleken is immers dat een naamgevingsprocedure heeft plaatsgevonden en evenmin dat [B] een (financiële) bijdrage heeft geleverd aan de verzorging en opvoeding van verzoekster. De rechtbank betrekt bij dit oordeel dat een en ander ook wordt onderschreven door hetgeen [B] ter zitting onder ede (onder verwijzing naar zijn eerdere verklaring van 19 december 2007) heeft verklaard, meer in het bijzonder zijn verklaringen dat [A] verzoekster haar namen heeft gegeven en dat de grootvader van [A] destijds voor verzoekster heeft gezorgd. Aldus is niet komen vast te staan dat [B] naar Ghanees recht als juridisch vader van verzoekster heeft te gelden.

5.10.

Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat [B] naar Ghanees recht niet als ouder van verzoekster in de zin van artikel 1:204, eerste lid, aanhef en onder f, BW kan worden aangemerkt. De situatie dat verzoekster ten tijde van die erkenning reeds twee juridische ouders had, doet zich hier dus niet voor.

5.11.

Voor wat betreft de stelling van de IND dat de erkenning door [C] een schijnerkenning betreft, is de rechtbank van oordeel dat deze stelling niet tot afwijzing van het verzoek kan leiden. Het gaat hier immers niet om een erkenning die in het buitenland heeft plaatsgevonden, dus de toets van artikel 10:101 lid 2 aanhef en onder c BW juncto artikel 10:100 lid 1 aanhef en onder c BW is hier niet aan de orde. Een eventuele schijnerkenning die in Nederland heeft plaatsgevonden is niet van rechtswege nietig wegens strijd met de openbare orde, maar slechts vernietigbaar. Artikel 1:205 lid 2 BW bepaalt immers dat het openbaar ministerie wegens strijd met de openbare orde vernietiging van de erkenning kan verzoeken. Gesteld noch gebleken is dat het openbaar ministerie de nietigheid van de erkenning heeft gevorderd.

5.12.

Nu van een nietige erkenning door [C] op de door de IND aangevoerde gronden geen sprake is en evenmin is gebleken van vernietiging van de erkenning, komt de rechtbank tot de conclusie dat verzoekster op [datum erkenning] als minderjarige vreemdeling door een Nederlander is erkend, als bedoeld in artikel 4 van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN), zoals dit artikel tot 1 april 2003 gold. Daarmee heeft verzoekster met ingang van [datum erkenning] het Nederlanderschap heeft verkregen. Het verzoek zal dan ook worden toegewezen.

5.13.

De IND zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het geding.

5.14.

De verzochte uitvoerbaarverklaring bij voorraad is slechts toewijsbaar voor wat betreft de proceskostenveroordeling, nu de beslissing zich daar voor het overige niet toe leent.

6 De beslissing

De rechtbank:

 stelt vast dat verzoekster, geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , Ghana, vanaf [datum erkenning] de Nederlandse nationaliteit bezit;

 veroordeelt de IND in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van verzoekster begroot op € 75,-- aan verschotten (griffierecht) en € 904,-- aan salaris advocaat, welke kosten de IND aan verzoekster dient te voldoen;

 verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

 wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. Brakel, mr. I.D. Bellaart en mr. W.A.G.J. Ferenschild en in het openbaar uitgesproken op 27 augustus 2015.1

1 type: 1135