Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:1004

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
02-02-2015
Datum publicatie
02-02-2015
Zaaknummer
14/12282
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

EU-VIS, Vo 604/2013, claimakkoord, bewijsmiddelen, indirecte bewijsmiddelen, Uitvoeringsverordening, EHRM, I.M. tegen Frankrijk, 2 februari 2012 (nr. 9152/09), HvJ EU, Shamso Abdullahi tegen Bundesasylamt (Oostenrijk) van 10 december 2013 (ECLI:NL:XX:2013:274), uitspraak van de Afdeling van 4 september 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:3344), consideransoverweging 19, artikel 27 Vo 604/2013, daadwerkelijk rechtsmiddel, Vo 343/2003, artikel 4 van het Handvest, criteria, harmonisatie van het asielrecht, interstatelijke karakter van de Dublin procedure, oogmerk van snelle allocatie van asielzoekers, zaak Petrosian van 29 januari 2009 (nr. C 19/08, JV 2009/166), ten aanzien van de feiten en het recht, de toepassing van deze verordening, overdrachtsbesluit, rechtsmiddel, uitspraak van de Afdeling van 10 december 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:4617), preambule, verantwoordelijke lidstaat, prejudiciële vragen

De vraag is nu of in Vo 604/2013 ten opzichte van Vo 343/2003 de rechtsbescherming is versterkt. Immers, ingevolge artikel 27, eerste lid, Vo 604/2013 dient de asielzoeker tegen het overdrachtsbesluit beroep in te kunnen stellen “ten aanzien van de feiten en het recht”. Verder wordt in de considerans (19) overwogen dat juridische waarborgen moeten worden ingebouwd ten aanzien van besluiten tot overdracht en dat “een daadwerkelijk rechtsmiddel tegen dergelijke besluiten zowel betrekking [dient] te hebben op de toepassing van deze verordening als op de juridische en feitelijke situatie in de lidstaat aan welke de verzoeker wordt overgedragen.” In dit geval gaat het om “de toepassing van deze verordening”.

Gezien het vorenstaande lijkt de toepassing van Vo 604/2013, waaronder mogelijk ook de criteria voor bepaling van de verantwoordelijke lidstaat, wel onder de reikwijdte van het beroep tegen het overdrachtsbesluit in Vo 604/2013 te vallen. Immers, overweging 19 van de considerans bij Vo 604/2013, acht naast een rechtsmiddel ten aanzien van de juridische en feitelijke situatie in de lidstaat waaraan de vreemdeling wordt overgedragen, ook een effectief rechtsmiddel ten aanzien van de toepassing van Vo 604/2013 noodzakelijk. Gelet daarop acht de rechtbank in ieder geval niet aannemelijk dat ook onder Vo 604/2013 alleen tegen een overdrachtsbesluit kan worden opgekomen met een beroep op de aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in de aangezochte lidstaat die ernstige, op feiten berustende gronden vormen om aan te nemen dat de asielzoeker een reëel risico zal lopen op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest.

De rechtbank heeft na het sluiten van het onderzoek ambtshalve kennis genomen van de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling van 10 december 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:4617). In deze uitspraak is overwogen, kort gezegd, dat de lijn die is ingezet in de uitspraak van 4 september 2014, onder Vo 604/2013 onverkort kan worden voortgezet. Gezien het voorgaande ziet de rechtbank echter aanleiding om daaraan te twijfelen.

Er is niet gebleken van een acte éclairé, nu er in het verleden niet al door het HvJ-EU een duidelijk antwoord op deze vraag is geformuleerd of dat het antwoord op de vraag kan worden gevonden aan de hand van vaste rechtspraak van het HvJ-EU in vergelijkbare gevallen. Het arrest Shamso Abdullahi betreft Vo 343/2003 en niet Vo 604/2013. Daarnaast is evenmin gebleken van een acte clair, nu artikel 27 Vo 604/2013 niet dusdanig helder is geformuleerd dat redelijkerwijze geen twijfel over de uitleg of het toepassingsbereik hiervan kan bestaan. Het houdt partijen immers verdeeld of deze bepaling de rechtspositie van asielzoekers versterkt doordat op grond hiervan de mogelijkheid bestaat om te procederen tegen de criteria als neergelegd in hoofdstuk III van Vo 604/2013.

De rechtbank ziet daarom aanleiding het HvJ EU te verzoeken bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen op de volgende vragen:

1. Hoe ver strekt de reikwijdte van artikel 27 Vo 604/2013, al dan niet in samenhang met overweging 19 in de preambule van Vo 604/2013?

Heeft een asielzoeker, in een situatie als deze, waarin de vreemdeling pas na het claimakkoord met de Dublin-claim is geconfronteerd en die vreemdeling na het claimakkoord bewijsstukken overlegt die tot de conclusie kunnen leiden dat niet de aangezochte lidstaat maar de verzoekende lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek, en vervolgens de verzoekende lidstaat deze documenten niet onderzoekt noch deze voorlegt aan de aangezochte lidstaat, op grond van dit artikel het recht om een (effectief) rechtsmiddel aan te wenden tegen de toepassing van de criteria voor het aanwijzen van de verantwoordelijke staat als genoemd in hoofdstuk III van Vo 604/2013?

2. Is in het geval de vreemdeling onder Vo 604/2013, evenals onder de werking van Vo 343/2003, in beginsel geen beroep toekomt op de onjuiste toepassing van de criteria voor het aanwijzen van de verantwoordelijke lidstaat wanneer de aangezochte lidstaat heeft ingestemd met een verzoek om overname, het uitgangspunt van verweerder juist dat dit uitgangspunt slechts uitzondering lijdt in gezinssituaties als bedoeld in artikel 7 van Vo 604/2013, of zijn ook andere bijzondere feiten en omstandigheden denkbaar op grond waarvan de vreemdeling een beroep toekomt op de onjuiste toepassing van de criteria voor het aanwijzen van de verantwoordelijke lidstaat?

3. Indien het antwoord op vraag 2. luidt dat naast gezinssituaties ook andere omstandigheden ertoe kunnen leiden dat de vreemdeling een beroep toekomt op de onjuiste toepassing van de criteria voor het aanwijzen van de verantwoordelijke lidstaat, kunnen de feiten en omstandigheden zoals omschreven in rechtsoverweging 12 van deze uitspraak dergelijke bijzondere feiten en omstandigheden vormen?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2015/71
SEW 2015, afl. 4, p. 202
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 14/12282

uitspraak van de meervoudige kamer van 2 februari 2015 in de zaak tussen

[eiser], geboren op [geboortedag] 1983, van Iraanse nationaliteit, eiser
(gemachtigde: mr. Y.G.F.M. Coenders),

en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. J.H.M. Post).

Procesverloop

Bij besluit van 21 mei 2014, genomen in de algemene asielprocedure, heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) afgewezen op grond van artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000.

Eiser heeft tegen dit besluit op 22 mei 2014 beroep ingesteld en tevens de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht tot het treffen van een voorlopige voorziening.

Bij uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, zittingsplaats 's‑Hertogenbosch, van 13 juni 2014 (AWB 14/12283) is dit verzoek toegewezen en is, zoals uit de rectificatie-uitspraak van 25 november 2014 blijkt, bepaald dat de rechtsgevolgen van het besluit van 21 mei 2014 worden opgeschort tot vier weken nadat op het beroep is beslist.

De zaak is behandeld op de zitting van 10 december 2014, waar eiser is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Overwegingen

  1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Op 4 maart 2014 heeft eiser een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Uit onderzoek in het Visa Information System van de Europese Unie (EU-VIS) blijkt dat eiser op 17 december 2013 door de buitenlandse vertegenwoordiging van Frankrijk in Iran in het bezit is gesteld van een visum (met het visumnummer FRA50743565 en behorend bij paspoortnummer 27560743), dat geldig was van 17 december 2013 tot 11 januari 2014. Verweerder heeft Frankrijk op 7 maart 2014 verzocht om eiser terug te nemen op grond van Verordening (EU) Nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (hierna: Vo 604/2013). De Franse autoriteiten hebben hiermee ingestemd op 5 mei 2014.

  2. Verweerder stelt zich – kort weergegeven – op het standpunt dat Frankrijk op grond van artikel 12, vierde lid, Vo 604/2013 verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming van eiser. Immers, hij is in het bezit geweest van een visum voor Frankrijk en de Franse autoriteiten hebben op 5 mei 2014 een claimakkoord afgegeven. Bovendien heeft eiser volgens verweerder niet aangetoond dat hij het grondgebied van de lidstaten heeft verlaten, nu hij zijn gestelde terugreis van Frankrijk naar Iran en vervolgens van Iran naar Nederland niet met documenten heeft onderbouwd. Verder acht verweerder de door eiser over deze reizen afgelegde verklaringen tegenstrijdig, hetgeen afbreuk doet aan de betrouwbaarheid. Verweerder heeft daarbij betrokken dat de door eiser overgelegde documenten ter onderbouwing van de gestelde reizen op verzoek van eiser zijn opgesteld, zodat deze documenten geen objectieve waarde hebben, dan wel geen uitsluitsel geven dat hij daadwerkelijk op een adres in Iran heeft verbleven tot een bepaalde datum. Daarom acht verweerder, ook indien alsnog van de authenticiteit van de documenten zou moeten worden uitgegaan, niet aannemelijk gemaakt dat eiser daadwerkelijk het grondgebied van de lidstaten heeft verlaten, zodat geen reden wordt gezien om zijn asielverzoek in de verlengde asielprocedure te behandelen.

3. Eiser heeft verklaard dat hij op 18 december 2013 gebruik heeft gemaakt van het door Frankrijk verstrekte visum en dat hij na één nacht in Parijs te hebben verbleven is teruggekeerd naar Iran. Vervolgens is eiser op 20 februari 2014 op illegale wijze uit Iran vertrokken en is hij via Turkije naar Nederland gereisd, alwaar hij rond 1 maart 2014 is gearriveerd. Ook heeft eiser verklaard dat zijn paspoort met in- en uitreisstempels, waarmee hij van Iran naar Frankrijk en weer terug naar Iran is gereisd, is ingenomen door de Sepah-e Pasdaran-e Enqelab-e Eslami (Islamic Revolutionary Guard Corps, hierna: IRGC) en dat hij van deze reizen geen andere bewijzen heeft bewaard omdat voor hem tijdens deze reizen nog niet de noodzaak bestond om te vluchten. In de correcties en aanvullingen van 16 mei 2014 heeft eiser benadrukt dat hij in december 2013 nog geen problemen had in Iran en dat deze pas op 15 februari 2014 ontstonden. Ter onderbouwing van zijn gestelde reizen heeft eiser bij zijn aanvullende gronden van het beroep drie kopieën van documenten overgelegd waaruit blijkt dat hij na zijn verblijf in Frankrijk van 19 december 2013 tot 20 februari 2014 weer in Iran heeft verbleven, te weten:

  • -

    een verklaring van zijn werkgever;

  • -

    een doktersverklaring; en

  • -

    een ondertekende overeenkomst ter zake van de verkoop van onroerend goed, waarvan eiser stelt dat deze verkoopakte is opgemaakt op 10 januari 2014 – in de periode dat eiser in Iran verbleef – en dat hij voor het sluiten hiervan in persoon aanwezig moest en het stuk ook heeft ondertekend.

Eiser heeft verweerder bij zienswijze van 20 mei 2014 verzocht om zijn asielverzoek te behandelen in de verlengde asielprocedure, teneinde hem de kans te geven de originele documenten te overleggen en door verweerder te laten onderzoeken. Volgens eiser is Frankrijk formeel nooit verantwoordelijk is geweest voor zijn asielverzoek, zodat niet van belang is dat hij in ieder geval niet langer dan drie maanden buiten het Dublingebied is geweest. Het claimakkoord van de Franse autoriteiten is daarom onrechtmatig.


Bewijs van terugkeer uit Frankrijk

4. Op grond van artikel 12, vierde lid, Vo 604/2013 zijn, wanneer de verzoeker slechts houder is van één of meer verblijfstitels die minder dan twee jaar zijn verlopen of van één of meer visa die minder dan zes maanden zijn verlopen en die hem daadwerkelijk toegang hebben verschaft tot het grondgebied van een lidstaat, de leden 1, 2 en 3 van toepassing zolang de verzoeker het grondgebied van de lidstaten niet heeft verlaten.

5. Ingevolge artikel 22, tweede lid, Vo 604/2013 worden voor het afhandelen van de procedure ter bepaling van de verantwoordelijke lidstaat bewijsmiddelen en indirecte bewijzen gebruikt. Artikel 22, derde lid, Vo 604/2013 vermeldt dat er twee lijsten voorhanden zijn waarin de bewijsmiddelen en indirecte bewijsmiddelen worden vermeld, welke lijsten periodiek worden herzien.

a. Bewijsmiddelen:

i. i) Dit zijn formele bewijzen die overeenkomstig deze ver ordening de verantwoordelijkheid bepalen, zolang er geen bewijs is van het tegendeel;

ii) De lidstaten leveren (…) modellen van de verschillende soorten administratieve documenten, overeenkomstig de in de lijst van formele bewijzen gegeven type-indeling;

Indirecte bewijzen:

i. i) Dit zijn aanwijzingen die, hoewel weerlegbaar, in sommige gevallen voldoende kunnen zijn, overeenkomstig de bewijskracht die eraan wordt toegekend;

ii) De kracht van bewijs van deze aanwijzingen wordt, in samenhang met de verantwoordelijkheid voor de afhandeling van het verzoek om internationale bescherming, per geval bekeken.

In het vijfde lid van artikel 22 Vo 604/2013 is bepaald dat indien formele bewijzen ontbreken, de aangezochte lidstaat zijn verantwoordelijkheid erkent wanneer de indirecte bewijzen samenhangend verifieerbaar en voldoende gedetailleerd zijn om vast te stellen welke lidstaat verantwoordelijk is.

6. In de Verordening (EG) nr. 118/2014 van de Commissie van 30 januari 2014 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1560/2003 (van de Commissie van 2 september 2003) houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening 343/2003 van de Raad tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend (hierna: de Uitvoeringsverordening), worden in Bijlage II, lijst A, onder II. Verplichting tot overname of terugname door de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek, onder 3. Uitreis uit het grondgebied van de lidstaten, de bewijsmiddelen opgesomd:

  • -

    uitreisstempel;

  • -

    registeruittreksels van de derde staat (bewijs van het verblijf);

  • -

    stempel van een aan een lidstaat grenzende derde staat, rekening houden met de reisroute van de asielzoeker en de datum van grensoverschrijding;

  • -

    schriftelijk bewijs van de autoriteiten ter staving van de daadwekelijke verwijdering van de vreemdeling.

In Bijlage II, lijst B, onder II. Verplichting tot overname of terugname door de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek, onder 3. Uitreis uit het grondgebied van de lidstaten, worden de indirecte bewijzen opgesomd:

  • -

    gedetailleerde en verifieerbare verklaringen van de asielzoeker;

  • -

    rapportage/bevestiging van de informatie door een internationale organisatie, zoals bijvoorbeeld de UNHCR;

  • -

    rapportage/bevestiging van de informatie door een andere lidstaat;

  • -

    uitreisstempel indien de asielzoeker het grondgebied van de lidstaten gedurende ten minste drie maanden heeft verlaten;

  • -

    rapportage/bevestiging van de informatie door gezinsleden, reisgenoten, enz.;

  • -

    vingerafdrukken, behalve wanneer de autoriteiten deze hebben moeten nemen bij overschrijding van de buitengrens. In dat geval gelden de vingerafdrukken als bewijs in de zin van lijst A;

  • -

    vervoersbewijzen;

  • -

    hotelrekeningen;

  • -

    afspraakkaarten voor arts, tandarts, enz. in een derde staat;

  • -

    gegevens die aantonen dat de asielzoeker in een derde staat gebruik heeft gemaakt van de diensten van een mensensmokkelaar of een reisbureau;

  • -

    andere indirecte bewijzen van dezelfde aard.

7. Hoewel in Bijlage II bij de Uitvoeringsverordening in het kader van uitreis niet expliciet wordt verwezen naar artikel 12, vierde lid, Vo 604/2013, dienen naar het oordeel van de rechtbank voormelde bewijsmiddelen en indirecte bewijzen te worden betrokken bij de beoordeling of eiser het grondgebied van de lidstaten heeft verlaten. De Uitvoeringsverordening voorziet aldus in de mogelijkheid dat een asielzoeker ook aannemelijk kan maken het grondgebied van de lidstaten te hebben verlaten met verwijzing naar indirecte bewijzen. Niet in geschil is dat eiser geen bewijsmiddelen als genoemd in Bijlage II, lijst A, onder II.3 van de Uitvoeringsverordening heeft overgelegd om aan te tonen dat hij het grondgebied van de lidstaten heeft verlaten. De vraag is vervolgens of de door hem overgelegde documenten behoren tot de indirecte bewijzen in de zin van Bijlage II, lijst B, onder II.3 van de Uitvoeringsverordening.

8. In dit kader overweegt de rechtbank allereerst dat niet is weersproken dat de door eiser over de gestelde terugreis van Frankrijk naar Iran en de reis van Iran naar Nederland afgelegde verklaringen tegenstrijdig zijn en dat hij hiermee niet aannemelijk heeft gemaakt het grondgebied van de lidstaten te hebben verlaten. Daarnaast is de overgelegde werkgeversverklaring, zoals ook verweerder betoogt, opgesteld op verzoek van eiser en kan daarom aan dit document geen objectieve waarde worden toegekend. Echter, anders dan verweerder meent, zijn de overige door eiser overgelegde stukken, die blijkens hun opmaak zijn bestemd voor een ander doel dan eisers asielprocedure, wel te beschouwen als indirecte bewijsstukken. Zo is de overgelegde verklaring van de arts, dr. Moesa Javadian, waaruit blijkt dat eiser op 23 januari 2014 een bezoek aan diens artsenpraktijk heeft gebracht in Iran, niet opgemaakt met het oog op onderhavige procedure, maar is deze verklaring kennelijk gericht aan eisers werkgever om aan te geven dat hij tot en met 25 januari 2014 thuis dient te rusten vanwege rugklachten. Zoals door eiser terecht is aangevoerd, impliceert een dergelijke doktersverklaring dat de arts hem daarbij heeft gezien. Dit document, indien authentiek, vormt een onderbouwing voor eisers stelling dat hij na zijn verblijf in Frankrijk is teruggekeerd naar Iran. Voorts is niet in geschil dat de overgelegde verkoopakte is opgemaakt op 10 januari 2014 en dat deze mede is ondertekend door eiser. Nu deze verkoopakte niet kan zijn ondertekend voor de opmaak daarvan, zou dit betekenen dat – voor zover het een authentiek document betreft – eiser op of na 10 januari 2014 in Iran is geweest. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser met deze indirecte bewijzen in ieder geval een begin van bewijs geleverd dat hij naar Iran is teruggekeerd na zijn gestelde zeer kortstondige verblijf in Frankrijk. Verweerder is aan de doktersverklaring en verkoopakte ten onrechte voorbijgegaan op de enkele grond dat deze niet uit objectieve bron afkomstig zijn. Immers, deze documenten zijn voldoende concreet om als (andere) indirecte bewijzen (van dezelfde aard), als genoemd in bijlage II, lijst B, onder II.3, van de Uitvoeringsverordening, te kunnen worden beschouwd en – zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) heeft overwogen bij uitspraken van 19 juni 2009 (ECLI:NL:RVS:2009:BJ1586) en van 28 april 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BQ3788) – uit de Uitvoeringsverordening en de daarbij behorende bijlage II valt niet af te leiden dat ten aanzien van indirecte bewijzen (van dezelfde aard) de eis is gesteld dat dergelijk bewijs uit objectieve bron afkomstig dient te zijn. Zonder nader onderzoek naar de authenticiteit van de twee laatstgenoemde documenten heeft verweerder dan ook niet kunnen concluderen dat eiser hiermee niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij het grondgebied van de lidstaten heeft verlaten.


Totstandkoming claimakkoord

9. De Afdeling heeft bij uitspraak van 17 maart 2014 (ECLI:NL:RVS: 2014:1063) overwogen dat verweerder niet is gehouden zich ervan te vergewissen of een land zich terecht verantwoordelijk acht, indien dit land bevestigt dat zij zich, na kennis te hebben genomen van de door vreemdeling overgelegde documenten die zien op het verblijf buiten het grondgebied van de lidstaten, verantwoordelijk acht voor de behandeling van het asielverzoek. Volgens deze vaste rechtspraak, welke verweerder ook heeft aangehaald in het verweerschrift van 4 december 2014, staat met het claimakkoord de verantwoordelijkheid vast, behoudens zeer bijzondere, met de asielaanvraag samenhangende, omstandigheden die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden. Naar de mening van verweerder is van dergelijke omstandigheden in de zaak van eiser niet gebleken. In dit verband wordt verwezen naar een uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats van 26 november 2014 (ECLI:NL:RBOBR:2014:7239). Voorts heeft de gemachtigde van verweerder ter zitting, eveneens onder verwijzing naar genoemde uitspraak van de voorzieningenrechter, het subsidiaire standpunt ingenomen dat, ook als zou moeten worden aangenomen dat eiser na zijn verblijf in Frankrijk is teruggekeerd naar Iran, dat niet kan afdoen aan de verantwoordelijkheid van Frankrijk omdat eiser in ieder geval niet langer dan drie maanden het grondgebied van de lidstaten heeft verlaten. Daarbij heeft verweerder in het verweerschrift opgemerkt dat een en ander verweerder geen vrijbrief geeft om een claimakkoord te verkrijgen door bewust informatie achter te houden, omdat zo’n claimakkoord onrechtmatig zou zijn te achten.

10. De rechtbank overweegt allereerst dat door eiser, in tegenstelling tot de situatie in de door verweerder aangehaalde zaak, geen beroep is gedaan op artikel 19, tweede lid, Vo 604/2013, zodat voor de vaststelling van de verantwoordelijkheid overeenkomstig de criteria zoals opgenomen in Vo 604/2013 niet van belang is of hij tenminste drie maanden het Dublingebied heeft verlaten. Eiser stelt zich namelijk op het standpunt dat hij ten tijde van zijn verblijf in Frankrijk nog helemaal geen asielzoeker was, omdat zijn gestelde problemen pas in 2014 zijn ontstaan.

11. Voorts is gesteld noch gebleken dat in dit geval het claimakkoord onrechtmatig is te achten omdat door de verzoekende lidstaat (Nederland) bij het leggen van de claim doelbewust informatie is achtergehouden op grond waarvan bij de toepassing van hoofdstuk III van Vo 604/2013 de aangezochte lidstaat niet verantwoordelijk zou zijn geweest voor het asielverzoek. Ter zitting heeft eiser gesteld dat in zijn geval wel van belang is dat de informatie in het overnameverzoek onvolledig was. De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting erkend dat het doelbewust achterhouden niet de juiste toets is omdat opzet niet relevant is, maar dat een claimakkoord onrechtmatig is te achten als ten tijde van het claimverzoek bekende relevante informatie niet wordt overgelegd aan de aangezochte lidstaat.

12. Voorts stelt de rechtbank vast dat de indirecte bewijzen die door eiser op 28 mei 2014 zijn overgelegd ter nadere onderbouwing van zijn stelling dat hij het grondgebied van de lidstaten heeft verlaten slechts door verweerder ter zitting van de voorzieningenrechter zijn beoordeeld en niet ter beoordeling aan de Franse autoriteiten zijn voorgelegd. De rechtbank volgt op zichzelf de redenering van verweerder dat een claimakkoord onrechtmatig is te achten als ten tijde van het claimverzoek bekende relevante informatie niet wordt overgelegd aan de aangezochte lidstaat. Daartoe is wel vereist dat het claimverzoek voldoende zorgvuldig wordt voorbereid door verweerder. Daarvan is in onderhavige zaak geen sprake geweest. De rechtbank overweegt daartoe dat in artikel 22 Vo 604/2013 is bepaald dat de aangezochte lidstaat dient te beoordelen of hij zich verantwoordelijk acht voor de behandeling van het betreffende asielverzoek. Het is in dat kader van doorslaggevend belang dat de verzoekende lidstaat alle – op dat moment voorhanden zijnde – gegevens vermeldt en met het claimverzoek meestuurt. In het geval van eiser heeft verweerder in het claimverzoek gericht aan de Franse autoriteiten van 7 maart 2014, enkel – kort samengevat – opgenomen dat eiser stelt op 20 februari 2014 zijn land te hebben verlaten en via Turkije naar Nederland te zijn gereisd en dat wordt verondersteld dat hij zijn door de Franse autoriteiten afgegeven visum, geldig van 17 december 2013 tot 11 januari 2014 heeft gebruikt om naar het Dublin-gebied te reizen. Eiser heeft vervolgens op 9 mei 2014 te horen gekregen dat er een claim was gelegd op Frankrijk. Eiser heeft tijdens het "eerste gehoor artikel 30 Vw 2000" op 15 mei 2014 verklaard na zijn verblijf in Frankrijk weer in Iran te hebben verbleven en dat ook te kunnen aantonen. Verder heeft eiser verzocht om zijn asielverzoek te behandelen in de verlengde asielprocedure, om hem de kans te geven de originele documenten te overleggen en door verweerder te laten onderzoeken. Hoewel op het moment van het claimverzoek van de Nederlandse autoriteiten aan Frankrijk de indirecte bewijzen (nog) niet waren ingebracht, is naar het oordeel van de rechtbank evenmin gebleken dat eiser voorafgaand aan het claimverzoek binnen de algemene asielprocedure voldoende de mogelijkheid heeft gehad om documenten in te brengen die in zijn geval van belang zouden kunnen zijn. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder medegedeeld dat een asielzoeker tijdens het gehoor aanmeldfase een Dublin-brochure wordt overhandigd en wordt medegedeeld dat de mogelijkheid bestaat dat zijn asielverzoek op grond van de Vo 604/2013 aan een ander land wordt overgedragen. Het feit dat eiser tijdens het gehoor aanmeldfase op 3 maart 2014, blijkens het verslag van dat gehoor, er door verweerder op is gewezen dat hij voor het bepalen van de verantwoordelijke lidstaat documenten ter ondersteuning dient te overleggen, is naar het oordeel van de rechtbank dermate algemeen dat het hem niet kan worden tegengeworpen dat hij niet reeds tijdens dit gehoor melding heeft gemaakt van de nadien overgelegde documenten. Eiser heeft tijdens dit gehoor op 3 maart 2014 ontkend ooit in het bezit te zijn geweest van een visum voor een Europees land. Vervolgens is nog voor het gehoor van 15 mei 2014 op 5 mei 2014 het claimakkoord van Frankrijk ontvangen. Eerst tijdens dit gehoor is eiser specifieker bevraagd en eerst voorafgaand aan dit gehoor heeft hij op 9 mei 2014 met zijn gemachtigde gesproken. Gebleken is dat eiser op 28 mei 2014 diverse indirecte bewijzen heeft overgelegd om aan te tonen dat hij na zijn verblijf in Frankrijk is teruggekeerd naar Iran. Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van de rechtbank dat verweerder het claimverzoek vroegtijdig, althans onvolledig, aan de Franse autoriteiten heeft verzonden.

13. De documenten die eiser heeft overgelegd ter onderbouwing van zijn stelling dat hij na verblijf in Frankrijk is teruggekeerd naar Iran zijn bovendien door de Nederlandse autoriteiten nadien niet alsnog aan de Franse autoriteiten voorgelegd, hetgeen in strijd moet worden geacht met artikel 21, derde lid, van Vo 604/2013. Ook indirecte bewijzen dienen afzonderlijk dan wel in onderlinge samenhang bezien immers door de Franse autoriteiten te kunnen worden betrokken bij de verantwoordelijkheidsbeoordeling voor het asielverzoek van eiser, gezien artikel 22 van Vo 604/2013. Immers, voor een claimverzoek op grond van artikel 12, vierde lid, Vo 604/2013 zijn voormelde door eiser ingebrachte indirecte bewijzen ter onderbouwing van zijn stelling dat hij het visum, dat inmiddels was verlopen, heeft gebruikt, maar daarna is teruggekeerd naar Iran uitermate relevante informatie voor Frankrijk bij de bepaling van de verantwoordelijkheid, welke – ook niet na afgifte van het claimakkoord – had mogen worden onthouden aan de Franse autoriteiten. Teneinde bij de (herziening van de) verantwoordelijkheidsbeoordeling te kunnen worden betrokken zouden deze indirecte bewijzen alsnog (aanvullend) aan de autoriteiten van Frankrijk kenbaar dienen te worden gemaakt. Anders dan in de procedure van voormelde uitspraak van de Afdeling van 17 maart 2014, waarin de door de vreemdelingen overgelegde documenten wel zijn meegezonden naar de aangezochte lidstaat (Zweden) – is in het geval van eiser daarom wel degelijk sprake geweest van gebrekkige informatievoorziening aan de Franse autoriteiten, zoals hierboven onder 12. overwogen.


Verlengde asielprocedure

14. Uit de uitspraak van de Afdeling van 11 juni 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:CA3602) volgt, voor zover van belang, dat uit het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in de zaak I.M. tegen Frankrijk van 2 februari 2012 (nr. 9152/09) niet kan worden afgeleid dat het EHRM van oordeel is dat de enkele omstandigheid dat een aanvraag van een vreemdeling in een versnelde procedure wordt afgehandeld, strijdig is met artikel 13 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Er bestaat geen grond voor het oordeel dat de Nederlandse algemene asielprocedure onvoldoende waarborgen biedt voor een effectieve beoordeling als vereist door artikel 13 EVRM. Of een procedure voldoet aan de waarborgen die artikel 13 EVRM stelt, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Gezien hetgeen is overwogen in rechtsoverwegingen 11. en 12. had verweerder in dit specifieke geval uit het oogpunt van zorgvuldigheid het asielverzoek van eiser moeten behandelen in de verlengde asielprocedure.

15. Gelet op het vorenstaande is het bestreden besluit onzorgvuldig voorbereid en heeft verweerder zich niet zonder nadere motivering op het standpunt kunnen stellen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij het grondgebied van de lidstaten heeft verlaten, zodat het besluit in zoverre lijdt aan een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek en het voor vernietiging in aanmerking komt wegens strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

16. De rechtbank ziet aanleiding te bezien of uit een oogpunt van finale geschilbeslechting reden bestaat met toepassing van artikel 8:72, derde lid, onder a, Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven en overweegt daaromtrent als volgt.

Vaststelling verantwoordelijkheid en betwisting daarvan

17. De centrale vraag hierbij is of verweerder in dit geval heeft mogen uitgaan van het claimakkoord afgegeven door de Franse autoriteiten. Verweerder heeft zich in dit kader op het standpunt gesteld dat de vraag of eiser daadwerkelijk is teruggekeerd naar Iran na zijn verblijf in Frankrijk, niet meer van belang is. Frankrijk heeft immers een claimakkoord afgegeven, zodat ervan uitgegaan moet worden dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek van eiser. Voorts is door verweerder ter onderbouwing van het standpunt dat Frankrijk verantwoordelijk is voor het asielverzoek van eiser omdat zij een claim daartoe hebben geaccordeerd, gewezen op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het HvJ‑EU) in de zaak Shamso Abdullahi tegen Bundesasylamt (Oostenrijk) van 10 december 2013 (ECLI:NL:XX:2013:274) en de uitspraak van de Afdeling van 4 september 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:3344). Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder verder aangegeven dat de afwijzing van de aanvraag vanwege het ontvangen claimakkoord alleen kan worden bestreden indien sprake is van zeer bijzondere, met het verzoek samenhangende, feiten en omstandigheden. Van dergelijke bijzondere omstandigheden kan, aldus verweerder, enkel sprake zijn in de situatie als genoemd in artikel 7, derde lid, Vo 604/2013 (bijeenhouden van gezins- of familieleden), welke situatie in dit geval niet speelt. Verder heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het alsnog onder de aandacht brengen van nadere informatie bij de Franse autoriteiten geen verplichting is en tot niets zou leiden omdat de periode van drie maanden bedoeld in artikel 19, tweede lid, van Vo 604/2013, niet is volgemaakt.

18. Eiser betoogt dat uit de considerans, met name overweging 19, en artikel 27 Vo 604/2013 volgt dat hem een daadwerkelijk rechtsmiddel ter beschikking dient te staan ten aanzien van zowel de feiten als het recht en dat hieruit volgt dat ook de juistheid van de vaststelling van de verantwoordelijkheid op grond van Vo 604/2013 ter discussie moet kunnen worden gesteld. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser in dit kader benadrukt dat de Nederlandse vertaling van overweging 19 van Vo 604/2013, te weten: "de toepassing van deze Verordening" gezien de Engelse bewoordingen, te weten: "the examination of the application of this regulation" niet de hele lading dekt. Verder heeft eiser ter zitting een artikel van de senior legal officer van de European Council on Refugees and Exiles (ECRE) in de European Database of Asylum Law van december 2013 aangehaald, waarin wordt betoogd dat het arrest Shamso Abdullahi slechts een beperkte strekking mag worden toegedicht, dat onder Vo 604/2013 een fundamentele hervorming heeft plaatsgevonden van het recht op een effectief rechtsmiddel en dat daarom de conclusie is dat het arrest Shamso Abdullahi achterhaald is onder Vo 604/2013.

19. De rechtbank overweegt dat uit het arrest van het HvJ-EU in de zaak Shamso Abdullahi van 10 december 2013 volgt – kort samengevat – dat artikel 19, tweede lid, van Verordening (EG) Nr. 343/2003 van de Raad van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend (hierna: Vo 343/2003) aldus moet worden uitgelegd dat, in omstandigheden waarin een lidstaat op grond van het in artikel 10, eerste lid, Vo 343/2003 genoemde criterium, te weten als de lidstaat waar de asielzoeker voor het eerst het grondgebied van de Unie is binnengekomen, heeft ingestemd met de overname van een asielzoeker, deze asielzoeker slechts tegen de keuze van dit criterium kan opkomen met een beroep op het bestaan van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure en van de opvangvoorzieningen voor asielzoekers in die lidstaat die ernstige, op feiten berustende gronden vormen om aan te nemen dat die asielzoeker een reëel risico zal lopen op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest).

20. Volgens de uitspraak van de Afdeling van 4 september 2014 moet uit het arrest Shamso Abdullahi worden afgeleid dat als uitgangspunt heeft te gelden dat een asielzoeker met een beroep tegen een beslissing om een asielverzoek niet te behandelen, zoals in het geval van eiser, niet kan opkomen tegen de toepassing van een criterium ter vaststelling van de verantwoordelijke lidstaat, indien de aangezochte lidstaat heeft ingestemd met een verzoek tot overname, omdat de bepalingen van hoofdstuk III van Vo 343/2003 een asielzoeker geen rechten verlenen die hij kan inroepen in een dergelijke procedure. Daarbij wordt betrokken dat het HvJ-EU in zijn overwegingen, anders dan advocaat-generaal Cruz Villalón, geen onderscheid heeft gemaakt tussen de verschillende criteria in het voormelde hoofdstuk. Hetgeen het HvJ-EU heeft overwogen geldt derhalve niet alleen voor het criterium genoemd in artikel 10, eerste lid, Vo 343/2003, doch voor alle criteria in hoofdstuk III. Dit uitgangspunt lijdt slechts uitzondering indien die asielzoeker zich beroept op het bestaan van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in de aangezochte lidstaat die ernstige, op feiten berustende gronden vormen om aan te nemen dat de asielzoeker een reëel risico zal lopen op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest. Ongeacht het antwoord op de vraag of een situatie van overname dan wel terugname aan de orde is, komt die asielzoeker een beroep op de afzonderlijke criteria in voormeld hoofdstuk niet toe. Uit het arrest, met name rechtsoverwegingen 51 tot en met 53, 55 en 59, volgt immers dat doorslaggevend gewicht toekomt aan de aanvaarding van de verantwoordelijkheid door de aangezochte lidstaat, zodat hetgeen in het arrest is bepaald, evenzeer geacht moet worden te gelden in geval van terugname. Derhalve moet hetgeen het HvJ-EU heeft overwogen over de omvang van een beroep tegen een beslissing om een asielverzoek niet te behandelen zoals bedoeld in artikel 19, tweede lid, Vo 343/2003, geacht worden evenzeer te gelden voor een beroep tegen een beslissing tot terugname zoals bedoeld in artikel 20, eerste lid, onder e, Vo 343/2003.

21. Niet in geschil is dat op onderhavige procedure Vo 604/2013 van toepassing is. Indien het overwogene in de uitspraak van de Afdeling van 4 september 2014 ten aanzien van de werking van Vo 343/2003 evenzeer heeft te gelden ten aanzien van de werking van Vo 604/2013, kan eiser niet opkomen tegen de vaststelling van Frankrijk als verantwoordelijke lidstaat, nu hetgeen hij heeft aangevoerd geen betrekking heeft op aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk. Echter, zoals ook door eiser naar voren is gebracht, ziet het arrest Shamso Abdullahi en de door de Afdeling bij uitspraak van 4 september 2014 gegeven uitleg van dit arrest, op de toepassing van Vo 343/2003. Eiser heeft aangevoerd dat in Vo 604/2013 meer ruimte wordt geboden voor het aanwenden van een rechtsmiddel tegen het besluit om hem over te dragen aan Frankrijk.

22. De rechtbank overweegt dat uit de in rechtsoverweging 19 en 20 aangehaalde jurisprudentie volgt dat de beperking van het beroep tegen overname ook geldt voor de toepassing van elk ander “criterium” voor verantwoordelijkheid, mits de andere lidstaat met het overnameverzoek heeft ingestemd. De redenen voor deze beperking zijn te herleiden tot drie pijlers van het Dublin-systeem in hoofdstuk III van Vo 343/2003 die het HvJ-EU in het arrest Shamso Abdullahi aanhaalt, te weten: (1) de hoge mate van harmonisatie van het asielrecht (rechtsoverweging 54 en 55); (2) het interstatelijke karakter van de Dublin‑procedure (rechtsoverweging 56, 57 en 58); en (3) het oogmerk van snelle allocatie van asielzoekers (rechtsoverweging 53 en 59).
Uit het arrest Shamso Abdullahi volgt dat, gezien de vergelijkbaarheid van bescherming in de lidstaten, geen recht voor de vreemdeling op beroep tegen de toepassing van een criterium ter vaststelling van de verantwoordelijkheid bestaat omdat de criteria om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoekalleen de interstatelijke verhouding tussen de verzoekende en de aangezochte lidstaat betreffen. Verder blijkt uit zowel de considerans van Vo 604/2013 (5) als van Vo 343/2003 (4) dat met de Dublin-procedure met name snel moet kunnen worden vastgesteld welke lidstaat verantwoordelijk is, teneinde de daadwerkelijke toegang tot de procedures voor het toekennen van de vluchtelingenstatus te waarborgen en de doelstelling om asielverzoeken snel te behandelen, niet te ondermijnen. Het voorgaande neemt niet weg dat vermeden moet worden dat Vo 604/2013 wordt toegepast op een wijze die strijd oplevert met artikel 13 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 47 van het Handvest. Uit de vaste rechtspraak van het HvJ-EU over het beginsel van effectieve rechtsbescherming volgt dat eenieder die een recht ontleent aan het Unierecht dat voor een rechter moet kunnen inroepen. Een bevestiging dat het beginsel van effectieve rechtsbescherming ook ten aanzien van een beroep in een Dublin-procedure opgaat, volgt uit het arrest van het HvJ-EU in de zaak Petrosian van 29 januari 2009 (nr. C-19/08, JV 2009/166). Zo oordeelde het HvJ-EU in rechtsoverweging 48 van dit arrest over de vraag of beroep bij de bereiking van fatale Dublin-termijnen tevens hoger beroep omvat, dat ervan dient te worden uitgegaan dat het niet de bedoeling van de communautaire wetgever is geweest, de rechtsbescherming die wordt gegarandeerd door lidstaten waarvan de rechters de tenuitvoerlegging van een overdrachtsbeslissing kunnen opschorten en zo de asielzoeker in staat stellen om de te zijnen aanzien gegeven beslissingen aan te vechten, op te offeren aan het vereiste dat asielverzoeken snel worden afgehandeld.

Vragen

23. De vraag is nu of in Vo 604/2013 ten opzichte van Vo 343/2003 de rechtsbescherming is versterkt. Immers, ingevolge artikel 27, eerste lid, Vo 604/2013 dient de asielzoeker tegen het overdrachtsbesluit beroep in te kunnen stellen “ten aanzien van de feiten en het recht”. Verder wordt in de considerans (19) overwogen dat juridische waarborgen moeten worden ingebouwd ten aanzien van besluiten tot overdracht en dat “een daadwerkelijk rechtsmiddel tegen dergelijke besluiten zowel betrekking [dient] te hebben op de toepassing van deze verordening als op de juridische en feitelijke situatie in de lidstaat aan welke de verzoeker wordt overgedragen.” In dit geval gaat het om “de toepassing van deze verordening”.

24. Gezien het vorenstaande lijkt de toepassing van Vo 604/2013, waaronder mogelijk ook de criteria voor bepaling van de verantwoordelijke lidstaat, wel onder de reikwijdte van het beroep tegen het overdrachtsbesluit in Vo 604/2013 te vallen. Immers, overweging 19 van de considerans bij Vo 604/2013, acht naast een rechtsmiddel ten aanzien van de juridische en feitelijke situatie in de lidstaat waaraan de vreemdeling wordt overgedragen, ook een effectief rechtsmiddel ten aanzien van de toepassing van Vo 604/2013 noodzakelijk. Gelet daarop acht de rechtbank in ieder geval niet aannemelijk dat ook onder Vo 604/2013 alleen tegen een overdrachtsbesluit kan worden opgekomen met een beroep op de aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in de aangezochte lidstaat die ernstige, op feiten berustende gronden vormen om aan te nemen dat de asielzoeker een reëel risico zal lopen op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest.

25. De rechtbank heeft na het sluiten van het onderzoek ambtshalve kennis genomen van de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling van 10 december 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:4617). In deze uitspraak is overwogen, kort gezegd, dat de lijn die is ingezet in de uitspraak van 4 september 2014, onder Vo 604/2013 onverkort kan worden voortgezet. Gezien het voorgaande ziet de rechtbank echter aanleiding om daaraan te twijfelen.

26. Er is niet gebleken van een acte éclairé, nu er in het verleden niet al door het HvJ-EU een duidelijk antwoord op deze vraag is geformuleerd of dat het antwoord op de vraag kan worden gevonden aan de hand van vaste rechtspraak van het HvJ-EU in vergelijkbare gevallen. Het arrest Shamso Abdullahi betreft Vo 343/2003 en niet Vo 604/2013. Daarnaast is evenmin gebleken van een acte clair, nu artikel 27 Vo 604/2013 niet dusdanig helder is geformuleerd dat redelijkerwijze geen twijfel over de uitleg of het toepassingsbereik hiervan kan bestaan. Het houdt partijen immers verdeeld of deze bepaling de rechtspositie van asielzoekers versterkt doordat op grond hiervan de mogelijkheid bestaat om te procederen tegen de criteria als neergelegd in hoofdstuk III van Vo 604/2013.

27. De rechtbank ziet daarom aanleiding het HvJ‑EU te verzoeken bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen op de volgende vragen:

Vragen:

1. Hoe ver strekt de reikwijdte van artikel 27 Vo 604/2013, al dan niet in samenhang met overweging 19 in de preambule van Vo 604/2013?
Heeft een asielzoeker, in een situatie als deze, waarin de vreemdeling pas na het claimakkoord met de Dublin-claim is geconfronteerd en die vreemdeling na het claimakkoord bewijsstukken overlegt die tot de conclusie kunnen leiden dat niet de aangezochte lidstaat maar de verzoekende lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek, en vervolgens de verzoekende lidstaat deze documenten niet onderzoekt noch deze voorlegt aan de aangezochte lidstaat, op grond van dit artikel het recht om een (effectief) rechtsmiddel aan te wenden tegen de toepassing van de criteria voor het aanwijzen van de verantwoordelijke staat als genoemd in hoofdstuk III van Vo 604/2013?

2. Is in het geval de vreemdeling onder Vo 604/2013, evenals onder de werking van Vo 343/2003, in beginsel geen beroep toekomt op de onjuiste toepassing van de criteria voor het aanwijzen van de verantwoordelijke lidstaat wanneer de aangezochte lidstaat heeft ingestemd met een verzoek om overname, het uitgangspunt van verweerder juist dat dit uitgangspunt slechts uitzondering lijdt in gezinssituaties als bedoeld in artikel 7 van Vo 604/2013, of zijn ook andere bijzondere feiten en omstandigheden denkbaar op grond waarvan de vreemdeling een beroep toekomt op de onjuiste toepassing van de criteria voor het aanwijzen van de verantwoordelijke lidstaat?

3. Indien het antwoord op vraag 2. luidt dat naast gezinssituaties ook andere omstandigheden ertoe kunnen leiden dat de vreemdeling een beroep toekomt op de onjuiste toepassing van de criteria voor het aanwijzen van de verantwoordelijke lidstaat, kunnen de feiten en omstandigheden zoals omschreven in rechtsoverweging 12 van deze uitspraak dergelijke bijzondere feiten en omstandigheden vormen?

28. Gelet op het vorenstaande zal de behandeling van het beroep worden geschorst totdat het HvJ-EU uitspraak heeft gedaan.

29. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verzoekt het HvJ-EU bij wege van prejudiciële beslissing uitspraak te doen op de hierboven onder rechtsoverweging 27 geformuleerde vragen;

  • -

    schorst de behandeling van het beroep en houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.T.C. Wijsman, voorzitter, en mr. S.J.W. Hermans en mr. S. van Lokven, leden, in tegenwoordigheid van mr. B.J. Groothedde, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 2 februari 2015.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan geen rechtsmiddel worden ingesteld.