Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2015:10039

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13-08-2015
Datum publicatie
25-08-2015
Zaaknummer
C/09/XX/xxx R en C/09/XX/xxx R
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beoordeling tekortkomingen in het kader van de ‘schone lei’. Echtscheiding drie maanden voor einde schuldsaneringsregeling en verminderde afdracht. Nieuwe schulden. Onvoldoende rekening gehouden met schuldsaneringsregeling en belangen schuldeisers. Alsnog mogelijkheid tot compensatie.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team insolventies – enkelvoudige kamer

insolventienummers: C/09/XX/[xxx] R en C/09/XX/[xxx] R

Vonnis van 13 augustus 2015

in de zaak van:

[schuldenaar]

geboren op [geboortedatum] 1964 te [geboorteplaats],

wonende [adres, postcode en woonplaats],

en

[schuldenares]

geboren op [geboortedatum] 1965 te [geboorteplaats],

wonende [adres, postcode en woonplaats],

schuldenaren,

1 Verloop van de procedure

1.1

Bij vonnis van 24 mei 2012 is ten aanzien van schuldenaren de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken, met benoeming van, laatstelijk, mr. W.J. Don tot rechter-commissaris en van, laatstelijk, mr.drs. O.P. Kuit, kantoorhoudende te Waddinxveen, tot bewindvoerder.

1.2

De bewindvoerder heeft op de voet van artikel 351a van de Faillissementswet (Fw)

schriftelijk verslag uitgebracht ten aanzien van de beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregelingen.

1.3

Bij brief van 27 juli 2015 heeft de bewindvoerder de rechtbank geïnformeerd over de laatste stand van zaken.

1.4

Op 30 juli 2015 heeft de terechtzitting als bedoeld in artikel 352 Fw plaatsgevonden. De bewindvoerder en de schuldenaren zijn ter zitting verschenen en gehoord. De uitspraak is bepaald op heden.

2 De beoordeling

2.1

De termijn als bedoeld in artikel 349a Fw is op 24 mei 2015 verstreken. De rechtbank

staat daarmee thans voor de vraag of schuldenaren gedurende de termijn gedurende welke de schuldsaneringsregeling van toepassing was, tekort zijn geschoten in de nakoming van één of meer verplichtingen uit die regeling en, indien daarvan sprake mocht zijn, of deze tekortkoming aan schuldenaren kan worden toegerekend.

2.2

Uit de in het geding gebrachte stukken en uit het ter terechtzitting verhandelde is naar voren gekomen dat schuldenaren de informatieverplichting gedurende de regelingen meermaals op grove wijze hebben geschonden door de bewindvoerder niet tijdig, volledig en/of spontaan te informeren over zaken die van belang zijn voor de boedel en/of de regelingen. Zo hebben zij de bewindvoerder niet of niet tijdig geïnformeerd over onder andere de verlaging van de maandelijkse hypotheekrente, een nieuwe schuld ter zake de medische kosten die zijn gemaakt voor hun hond, (een verrekening van) een erfenis van de moeder van schuldenares en een (inmiddels afgeloste) lening van de voormalige werkgever van schuldenaar. De rode draad door al die gevallen is dat [schuldenaren] zich telkens niets gelegen hebben laten liggen aan het feit dat de schuldsaneringsregeling op hen van toepassing was. Het gaat er daarbij niet om dat de beslissingen allemaal onjuist of onbegrijpelijk zijn. Het probleem is dat de schuldsaneringsregeling in geen van de afwegingen is betrokken en, erger, dat ook na de eerste heftige momenten – zoals bij de aanrijding van de hond – is verzuimd de bewindvoerder te informeren.

2.3

Daarnaast hebben schuldenaren tijdens de schuldsaneringsregeling de boedel en/of hun schuldeisers benadeeld. Zo zijn schuldenaren drie maanden voor het einde van de looptijd van de schuldsaneringsregeling gescheiden en heeft deze scheiding als gevolg gehad dat hun afdrachtplicht aanzienlijk lager is geworden. Zo hadden schuldenaren tot aan de scheiding (9 februari 2015) een gezamenlijke afdrachtplicht van € 1.174,71 per maand en heeft schuldenaar sinds de scheiding geen afdrachtplicht en schuldenares een afdrachtplicht van € 336,31. Dit maakt dat de scheiding een benadeling van de boedel van € 838,40 per maand oplevert. Tot het einde van de reguliere looptijd van de schuldsaneringsregelingen zijn sindsdien (ruim) drie maanden verstreken. Het benadelingsbedrag is derhalve – het aantal maanden in het voordeel van schuldenaren afgerond naar drie – € 2.515,20.

2.4

Bij de beoordeling van de toerekenbaarheid dient zich de vraag aan of schuldenaren de echtscheiding in dit kader tegengeworpen dienen te krijgen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het een weloverwogen beslissing van beiden betreft. Het is niet de beslissing van anderen, maar hun eigen beslissing geweest, die de afdracht drastisch verminderde. Bij die beslissing zijn echter de schuldsaneringsregeling en de belangen van de schuldeisers in het geheel niet betrokken. Ook daar toont zich de in 2.2 bedoelde rode draad weer. Gronden om hun hun beslissing niet toe te rekenen, zijn niet gebleken.

2.5

Ook in de schuldsaneringsregeling wordt personen niet de vrijheid ontzegd van elkaar te scheiden. Bij het gebruiken van die vrijheid zullen zij zich echter wel moeten beseffen dat de schuldsaneringsregeling op hen van toepassing is. Verdwenen huwelijksgeluk of in sommige gevallen zelfs oprecht vijandschap regardeert de schuldeisers niet. Bij aanvang van de regeling zullen verzoekers zich moeten afvragen of een dergelijke situatie dreigt en de nakoming van de afdrachtplicht en de andere verplichtingen in de weg zal staan. Eenmaal toegelaten zullen schuldenaren zich moeten afvragen of ze wachten tot het einde van de regeling of de gevolgen voor de afdrachtplicht op een andere wijze compenseren. Die keuze is niet aan bewindvoerder, rechter-commissaris of rechtbank, maar aan schuldenaren.

2.6

In dit geval hebben schuldenaren er niet voor gekozen de echtscheiding uit te stellen tot 24 mei 2015. Nu ze de gevolgen voor de schuldeisers evenmin hebben gecompenseerd, zal dat alsnog dienen te geschieden.

2.7

Vanwege het nieuw berekende VTLB heeft schuldenares haar eigen afdrachten na de echtscheiding in overleg met de bewindvoerder opgeschort en het geld gereserveerd. Dit niet afdragen kan dan ook nog niet als tekortkoming worden geduid. Schuldenares zal het af te dragen bedrag van totaal € 1.008,93 nog wel op de boedelrekening moeten storten.

2.8

Voorts heeft schuldenares verzuimd een erfenis van haar overleden moeder van

€ 1.227,50 op de boedelrekening te storten. Hoewel schuldenares ten verwere heeft gevoerd dat deze erfenis is verrekend met een lening van haar moeder die is gesloten voor de toelating tot de schuldsaneringsregeling, heeft zij geen enkel schriftelijk bewijs van die lening, zoals een leningovereenkomst met of een andere vastlegging door moeder, overgelegd. Uit de mededelingen ter zitting begrijpt de rechtbank dat dergelijk bewijs niet voorhanden is. Het schuldenares toekomende erfdeel valt van rechtswege in de boedel en had op de boedelrekening moeten worden gestort. Een vordering van een ander had ter verificatie kunnen worden ingediend. Waar verrekening gesteld wordt aan de orde te zijn, zal dat niet aan het oordeel van de bewindvoerder mogen worden onttrokken. Bij gebrek aan bewijs van de vordering zal van verificatie en verrekening geen sprake kunnen zijn. Schuldenares dient derhalve bedoeld erfdeel op de boedelrekening over te maken.

2.9

Ten slotte hebben schuldenaren een nieuwe schuld laten ontstaan ter zake veterinaire kosten die zij hebben gemaakt voor hun hond, waarvan thans nog een bedrag openstaat van € 548,75. Dat schuldenaren een betalingsregeling voor deze schuld hebben getroffen, doet aan het bestaan van de schuld op het moment van de beoordelen van de tekortkoming niets af. Dat ze het aangaan van deze schuld niet hebben gemeld is onder 2.2 al aan de orde geweest.

2.10

De rechtbank overwoog reeds over de rode draad die door het geheel van beslissingen van schuldenaren loopt. Daarnaast hebben schuldenaren zich ook gedragen alsof de schuldsaneringsregeling een bijkomstigheid in hun leven was. Zo heeft schuldenaar motorrijlessen genomen, op kosten van zijn vader. Verder heeft zijn vader geholpen de onder 2.2 bedoelde geldlening af te betalen – of heeft die zelfs geheel afbetaald, dat is onduidelijk –. Die lening is aangegaan en afgelost tijdens het huwelijk, zodat dat niet enkel ten gunste van schuldenaar kwam, zoals zijn motorrijbewijs, maar ook ten gunste van schuldenares. Geconstateerd moet worden dat het geld van schuldenaars vader niet aan het aflossen van schulden is besteed – wat op zich ook niet hoeft –, maar dat schuldenaren er – kort gezegd – zelf van hebben geprofiteerd of zelfs, als het gaat om luxe-bestedingen als een motorrijbewijs, het ervan hebben genomen.

2.11

Hetgeen hiervoor onder 2.10 is overwogen is onvoldoende om hier als tekortkoming te tellen, zeker nu het geen nieuwe, thans nog bestaande schulden heeft opgeleverd. Wel maakt het dat er evenmin grond is om de nieuwe schuld aan de dierenartspraktijk buiten beschouwing te laten of de gezamenlijke schuldeisers de hogere afdracht te ontzeggen. Wel maakt het dat er evenmin grond is om de nieuwe schuld aan de dierenartspraktijk buiten beschouwing te laten of de gezamenlijke schuldeisers de hogere afdracht te ontzeggen.

2.12

Hoewel de rechtbank van oordeel is dat voormelde tekortkomingen toerekenbaar en

niet van bijzondere aard of geringe betekenis zijn – zodat het einde van de regeling voor schuldenaren niet de schone lei met zich zou brengen – blijken, is sprake van omstandigheden, die voldoende afwijkend zijn om een kans voor herstel te rechtvaardigen. Tijdens de looptijd van de schuldsaneringsregeling heeft een wijziging van bewindvoerder plaatsgevonden, terwijl ook de echtscheiding van schuldenaren en de daarmee samenhangende verhuizing geen rust zullen hebben gebracht. Voorts heeft de huidige bewindvoerder het vrij te laten bedrag en/of de afdrachtplicht sinds de scheiding pas recentelijk berekend, waardoor de boedelachterstand niet eerder kon worden ingelopen. Dit maakt dat schuldenaren een laatste kans dient te worden gegund de voornoemde tekortkomingen te herstellen. Dat schuldenaren inmiddels de tekortkoming in de informatieverplichting hebben hersteld en tevens de sollicitatiever-plichting zijn nagekomen weegt hierbij mee.

2.13

De rechtbank zal de definitieve beslissing drie maanden en twee weken aanhouden. Schuldenaren dienen de tekortkomingen binnen drie maanden te herstellen. Gelet op de nieuwe verhoudingen komt het de rechtbank verstandig voor dat dat herstel niet gezamenlijk, maar gescheiden geschiedt en wel als volgt.

I. De boedelachterstand als bedoeld in 2.3 wordt bepaald op het bedrag dat de boedel door de scheiding is benadeeld, te weten € 2.515,20. Schuldenaren storten ieder de helft van dit bedrag, € 1.257,60, op hun boedelrekening; en

II. Schuldenares maakt haar eigen resterende afdrachten als bedoeld in 2.7, in totaal een bedrag groot € 1.008,93, over op haar boedelrekening; en

III. Schuldenares stort het bedrag van haar erfdeel uit de nalatenschap van haar moeder, € 1.227,50, op haar boedelrekening; en

IV. Schuldenaren voldoen ieder de helft van de nog openstaande rekening van

€ 548,75 ter zake de veterinaire kosten die zijn gemaakt voor hun hond aan de dierenarts, derhalve een bedrag van € 274,75.

Voor het geval een van hen deze betaling verrricht, maar de andere betaling(en) niet, zodat de regeling voor hem of haar niet met de schone lei eindigt, wijst de rechtbank er op dat deze deelbetaling enkel gevolgen heeft voor de beoordeling van tekortkomingen in de schuldsaneringsregeling, niet voor de hoofdelijke aansprakelijkheid jegens de schuldeiser.

2.14

Schuldenaren dienen de bewindvoerder spontaan, stipt en volledig te informeren over

deze betalingen, ook als de bewindvoerder ze op de afschriften van de boedelrekening kan zien. Tevens wordt aan het einde van de driemaandsperiode een bevestiging van de dierenarts verwacht dat geen schulden meer openstaan. Zo schuldenaren dat niet gezamenlijk kunnen regelen, regelt elk van hen dat voor zich.

2.15

De bewindvoerder brengt na drie maanden kort schriftelijk verslag uit van zijn bevindingen.

3 De beslissing

De rechtbank:

- verwijst naar hetgeen hiervoor onder 2.13 en 2.14 is overwogen;

- houdt elke verdere beslissing aan voor drie maanden en twee weken, derhalve tot 27 november 2015.

Gewezen door mr. G.H.M. Smelt, rechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 augustus 2015 in tegenwoordigheid van D.D. Vorst.