Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:9933

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-04-2014
Datum publicatie
11-08-2014
Zaaknummer
AWB 13/32227
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Herhaalde asielaanvraag. Dat de bekering van eiser tot het christendom in Iran niet geloofwaardig is geacht in de eerdere asielprocedure sluit niet uit dat op een later moment de bekering wel geloofwaardig geacht kan worden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat niet op voorhand is uitgesloten dat het overgelegde doopcertificaat kan afdoen aan het eerdere besluit. Gelet hierop is er sprake van een novum.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat van eisers gestelde bekering geen positieve overtuigingskracht uitgaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam


Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 13/32227

V-nummer: [nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 17 april 2014 in de zaak tussen

[eiser],

geboren op [geboortedatum], van Iraanse nationaliteit, eiser

(gemachtigde mr. E.R. Hagenaars),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde mr. E. van der Weijden).

Procesverloop

Bij besluit van 17 december 2013 heeft verweerder de aanvraag van eiser van 23 april 2013 tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 afgewezen. Daarnaast is een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar.

Op 18 december 2013 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser ontvangen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 maart 2014. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. Ook waren ter zitting aanwezig A. Afkari, als tolk in de taal Farsi en de getuigen [naam 2], [naam 3] en [naam 4].

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

1.1 De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiser heeft op 31 augustus 2012 een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd asiel als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 ingediend. Hij heeft aan deze aanvraag onder andere ten grondslag gelegd dat hij in 2011 via een meisje in Dubai in contact is gekomen met het christendom en dat hij zich daarna in Iran heeft bekeerd en heeft deelgenomen aan huiskerkdiensten. Na in een inval in zijn huis in verband met een huiskerkdienst zijn mensen opgepakt en bijbels in beslag genomen, waarna eiser ook werd gezocht. Ook is eiser homoseksueel. Bij besluit van 9 januari 2013 heeft verweerder deze asielaanvraag afgewezen. Hiertegen is geen rechtsmiddel aangewend.

1.2 Eiser is op 19 december 2012 in Denemarken aangehouden en heeft daar een asielaanvraag ingediend. Op[datum] 2013 is eiser door de Deense autoriteiten aan Nederland overgedragen. Eiser heeft vervolgens op 11 februari 2013 een tweede asielaanvraag in Nederland ingediend. Bij brief van 15 februari 2013 heeft eiser deze aanvraag weer ingetrokken.

1.3 Eiser heeft vervolgens op 23 april 2013 de onderhavige asielaanvraag ingediend. Eiser heeft ter onderbouwing van deze aanvraag aangevoerd dat hij in Iran al de boodschap van Jezus had gehoord en christen was geworden, maar zijn kennis over het christendom toen niet te vergelijken is met de kennis die hij nu heeft. Eiser is totaal veranderd. In Iran had hij nog niet genoeg informatie, maar in Nederland is hij naar de kerk gegaan en heeft eiser de Heilige Geest ontvangen. Eiser is voor de tweede keer gedoopt.

2.

Ter onderbouwing van zijn bekering heeft eiser de volgende documenten overgelegd:

  • -

    een brief van 5 april 2013 van regioleider [naam 5];

  • -

    een doopcertificaat van 14 april 2013;

  • -

    een brief van 8 november 2013 van[naam 6];

  • -

    een brief van 11 november 2013 van[naam 7].

Daarnaast heeft eiser een dagvaarding, afgegeven op 17 juli 2012 te Teheran, aangaande beschuldigingen als afvalligheid en het organiseren van een huiskerk overgelegd.

3.1

Uit de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling, onder meer de uitspraak van 20 april 2007 in zaak nr. 200700590/1; www.raadvanstate.nl) vloeit voort dat, indien na een eerder afwijzend besluit materieel een gelijkluidend besluit wordt genomen, voorshands moet worden aangenomen dat het in die uitspraak uiteengezette beoordelingskader in de weg staat aan een rechterlijke toetsing van dat besluit, als ware het een eerste afwijzing. Slechts indien en voor zover door de desbetreffende vreemdeling in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden (nova) zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus door hem aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een voor hem relevante wijziging van het recht voordoet, kunnen dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen, door de bestuursrechter worden getoetst. Dit is slechts anders, indien zich bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden voordoen als bedoeld in overweging 45 van het arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 19 februari 1998 in de zaak Bahaddar tegen Nederland (ECLI:NL:XX:1998:AG8817).

3.2

De vraag is dus aan de orde of er sprake is van nova die een rechterlijke toets van het bestreden besluit rechtvaardigen. Onder nova moeten volgens vaste jurisprudentie worden verstaan feiten of omstandigheden die zijn voorgevallen na het nemen van het eerdere besluit of die niet voor het nemen van dat besluit konden en behoorden te worden aangevoerd. Daarnaast wordt onder nova verstaan stukken die kunnen dienen ter ondersteuning van reeds eerder aangevoerde feiten of omstandigheden die niet voor het nemen van het eerdere besluit konden en behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan is niettemin geen sprake van nieuw gebleken feiten of omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke beoordeling rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat wat alsnog is aangevoerd of overgelegd kan afdoen aan het eerdere besluit en de overwegingen waarop dat rust.

4.1

De rechtbank stelt allereerst vast dat de dagvaarding, afgegeven op 17 juli 2012, dateert van voor de vorige procedure. Niet valt in te zien waarom dit document niet eerder in die procedure kon worden overgelegd. De dagvaarding is derhalve geen novum.

4.2

De rechtbank stelt daarnaast vast dat het doopcertificaat van 14 april 2013 dateert van na de vorige procedure. Uit de jurisprudentie van de Afdeling volgt dat een origineel doopcertificaat van een na beƫindiging van de asielprocedure daterende doop een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid oplevert dat tot toetsing van het besluit van de staatssecretaris noopt. Dit is slechts anders indien een vreemdeling in een eerdere procedure reeds melding kon en derhalve behoorde te maken van zijn bekering tot dan wel belangstelling voor het christendom en dit zonder een in rechte te honoreren verklaring heeft nagelaten. In een dergelijk geval is een doopcertificaat geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid als vorenbedoeld (zie onder andere de uitspraak van de Afdeling van 27 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:101). Die laatste situatie doet zich naar het oordeel van de rechtbank niet voor, nu eiser in de eerdere procedure ook al melding heeft gemaakt van de bekering. Dat de bekering van eiser tot het christendom in Iran niet geloofwaardig is geacht in de eerdere asielprocedure, doet daar niet aan af. Dit sluit immers niet uit dat op een later moment de bekering wel geloofwaardig geacht kan worden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat niet op voorhand is uitgesloten dat het overgelegde doopcertificaat kan afdoen aan het eerdere besluit. Gelet hierop is er sprake van een novum en zal de rechtbank in zoverre de door eiser voorgedragen beroepsgronden beoordelen.

5.1

Verweerder heeft in het bestreden besluit, evenals op 9 januari 2013, de aanvraag afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, in samenhang met artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000. Eiser beschikt volgens verweerder toerekenbaar niet over voldoende documenten om zijn reisroute te kunnen vaststellen. Nu ten aanzien van dit aspect van de beoordeling geen nova zijn aangevoerd, zal de rechtbank dit in de onderhavige procedure als uitgangspunt nemen.

5.2

Volgens het beleid van verweerder moet, indien zich een van de gevallen als bedoeld in artikel 31, tweede lid, van de Vw 2000 voordoet, van het asielrelaas een positieve overtuigingskracht uitgaan om de verklaringen alsnog aannemelijk te beschouwen. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling mogen in het relaas dan geen hiaten, vaagheden, ongerijmde wendingen en tegenstrijdigheden op het niveau van de relevante bijzonderheden voorkomen.

5.3

Niet in geschil is dat eiser gedoopt is, naar de kerk gaat, regelmatig bijbelstudie volgt en over bijbelkennis beschikt.

6.1

Verweerder stelt zich op het standpunt dat van eisers bekering geen positieve overtuigingskracht uitgaat, nu eisers verklaringen over de Heilige Geest niet helder, consistent en gedetailleerd zijn. Van iemand die is bekeerd wordt verlangd dat hij over het innerlijke proces van bekering helder, consistent en met een redelijke mate van detaillering kan verklaren. Dit wordt helemaal verlangd als iemand uit een land komt waar, zoals in Iran, de stap om zich van het islamitische geloof te bekeren tot het christelijke geloof groot is. In het geval van eiser geldt dit volgens verweerder eens te meer, nu hij zichzelf vanwege zijn gestelde bekering niet langer als homoseksueel beschouwt.

6.2

Eiser voert aan dat zijn bekering wel geloofwaardig is. Eiser beschikt over uitvoerige bijbelkennis, spreekt van de volheid van zijn hart met de Heilige Geest en al wat het hem heeft gebracht. Het ontgaat eiser waarom een ieder over het innerlijke proces helder, consistent en met een redelijke mate van detaillering moet kunnen verklaren.

6.3

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat van eisers gestelde bekering geen positieve overtuigingskracht uitgaat. Allereerst is van belang dat eiser tijdens zijn gehoren alleen heeft verklaard over zijn kerkbezoek in Winterswijk en Zwolle en niet over zijn kerkbezoek in Helmond, terwijl dit wel wordt vermeld in de brief van[naam 8] van 5 april 2013. Aldus is sprake van een hiaat in eisers verklaringen. Voorts heeft verweerder kunnen tegenwerpen dat eiser weliswaar beschikt over bijbelkennis, maar dat hij weinig kan vertellen over zijn (verdergaande) bekering tot het christendom. Verweerder heeft onderkend dat dit proces niet bij iedereen hetzelfde verloopt, maar verlangt wel van eiser dat hij helder, consistent en met een zekere mate van detaillering kan verklaren hoe het proces in zijn geval is verlopen. De rechtbank volgt verweerder hierin. De rechtbank is van oordeel dat verweerder eiser heeft kunnen tegenwerpen dat hij dit niet heeft gedaan. Eiser heeft immers in zijn gehoren wel verklaard over de rust en liefde die hij ervaart nu hij vol is van de Heilige Geest, maar hij heeft niet concreet verklaard over het proces dat hij heeft doorgemaakt om van moslim christen te worden. Tegen die achtergrond heeft verweerder het ook bevreemdingwekkend kunnen achten dat eiser in de toekomst wil evangeliseren, maar zijn eigen innerlijke proces niet onder woorden weet te brengen. Dit mag te meer van eiser worden verwacht nu hij stelt door zijn bekering tot het christendom genezen te zijn van zijn homoseksualiteit.

6.4

Hieraan doen de door eiser overgelegde brieven en de ter zitting afgelegde getuigenverklaringen niet af. Uit de afgelegde verklaringen blijkt immers niet dat eiser concreet met de getuigen heeft gesproken over zijn innerlijke proces van bekering. De getuigen hebben ook niet over dat proces verklaard. Deze documenten en verklaringen heeft verweerder daarom in redelijkheid onvoldoende kunnen achten om de door eiser gestelde bekering desondanks als positief overtuigend te beoordelen. Dit betekent dat de beroepsgrond niet slaagt.

7.

Tot slot stelt de rechtbank vast dat eiser geen gronden heeft ingediend tegen het inreisverbod voor de duur van twee jaar.

8.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank,

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Schaberg, rechter, in aanwezigheid van mr. J.E. van Bruggen, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 april 2014.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Conc.: JvB

Coll.:

D:

VK

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.