Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:984

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-01-2014
Datum publicatie
06-02-2014
Zaaknummer
C-09-455459 - FA RK 13-9413
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

gezagsuitoefening, toestemming verhuizing wegens economische noodzaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige Kamer

Rekestnummer: FA RK 13-9413

Zaaknummer: C/09/455459

Datum beschikking: 16 januari 2014

Gezagsuitoefening

Beschikking op het op 27 november 2013 ingekomen verzoek van:

[de moeder],

de moeder,

wonende te [woonplaats moeder],

advocaat: mr. R.A. Schütz te Leeuwarden.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vader],

de vader,

wonende te [woonplaats vader],

advocaat: mr. J.A.M. Koorn-Harkema te Leiden.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

  • -

    het verzoekschrift;

  • -

    het verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek.

Op 19 december 2013 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: partijen met hun advocaten. Van de zijde van de moeder is een pleitnotitie overgelegd.

Verzoek en verweer

De moeder heeft in het kader van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) verzocht:

- haar vervangende toestemming te verlenen met de na te melden minderjarigen te verhuizen naar [nieuwe woonplaats moeder];

- haar vervangende toestemming te verlenen om de minderjarigen in te schrijven op een basisschool alsmede een buitenschoolse opvang te [nieuwe woonplaats moeder];

- wijziging van na te melden beschikking, in die zin dat de moeder thans verzoekt een zorgregeling vast te stellen waarbij de minderjarigen bij de vader zullen zijn een weekend per twee weken van zaterdag 17.00 uur tot zondag 17.30 uur, waarbij de moeder het ene weekeind de minderjarigen zowel brengt en haalt bij de vader en het andere weekeind zij de minderjarigen halverwege de reisafstand bij het brengen en halen overdraagt aan de vader op een nader te bepalen locatie, om 17.45 uur op zaterdag en om 18.15 uur op zondag en te bepalen dat de regeling voor het overige ongewijzigd zal blijven;

- haar vervangende toestemming te verlenen om de minderjarige[de minderjarige 2] op haar zorgverzekeringspolis te laten bijschrijven;

een en ander met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De vader heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Tevens heeft de vader zelfstandig verzocht:

primair:

- de verzoeken van de moeder af te wijzen en de zorgregeling, met enige uitbreiding, te bepalen als voorheen, waarbij de minderjarigen bij de vader zijn de ene week van zaterdagmorgen 10.00 uur tot woensdagmorgen naar school en de andere week van zondagmiddag 17.45 uur tot woensdagochtend naar school en de regeling voor het overige ongewijzigd te laten;

en voor zover de moeder daadwerkelijk wenst te verhuizen zonder de minderjarigen:

  • -

    te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij de vader wordt bepaald;

  • -

    een zorgregeling te bepalen waarbij de minderjarigen bij de moeder zijn gedurende de weekenden van vrijdagmiddag uit school tot zondag 17.45 uur, behalve het eerste weekend van de maand, waarbij de moeder de minderjarigen haalt en brengt, en de vakantie- en feestdagenregeling ongewijzigd blijft;

en slechts voor zover aan de moeder vervangende toestemming wordt verleend om met de minderjarigen te verhuizen,

subsidiair:

een zorgregeling te bepalen waarbij de minderjarigen bij de vader zijn:

  • -

    van vrijdagmiddag 17.45 uur tot zondagmiddag 17.45 uur en de moeder de minderjarigen haalt en brengt;

  • -

    alsmede iedere maandag, waarbij de vader naar [nieuwe woonplaats moeder] komt en de minderjarigen tussen de middag van school ophaalt om te lunchen en ’s middags na school weer ophaalt en rond 17.45 uur weer naar het woonadres van de moeder brengt;

en de vakantie- en feestdagenregeling ongewijzigd blijft.

Feiten

- Partijen hebben een affectieve relatie gehad tot 2009.

- Uit de moeder zijn de volgende thans nog minderjarige kinderen geboren:

-[de minderjarige 1], geboren op [geboortedatum]te[geboorteplaats], die door de vader is erkend;

-[de minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] te[geboorteplaats], die door de vader is erkend.

- De minderjarigen hebben de hoofdverblijfplaats bij de moeder.

- Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over de minderjarigen uit.

- Bij beschikking van deze rechtbank d.d. 28 september 2010 is, voor zover thans van belang, de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij de moeder bepaald en is een zorgregeling bepaald, inhoudende dat de minderjarigen bij de vader zijn:

  • -

    de ene week van zaterdag vanaf 10.00 uur tot dinsdagochtend naar school;

  • -

    de andere week van maandag 8.00 uur tot dinsdagochtend naar school;

  • -

    de helft van de schoolvakanties en feestdagen;

  • -

    op Vaderdag.

Beoordeling

Ter zitting is gebleken dat de standpunten van partijen haaks op elkaar staan en zijn blijven staan zodat een vergelijk niet mogelijk is.

Vervangende toestemming verhuizing

Allereerst staat het verzoek van de moeder strekkende tot het verwerven van toestemming om met de minderjarigen te mogen verhuizen naar [nieuwe woonplaats moeder] ter beoordeling.

De moeder heeft ter onderbouwing van haar verzoek het volgende gesteld.

Haar wens om te verhuizen naar [nieuwe woonplaats moeder] is ingegeven door het feit dat haar in november 2010 is verzocht een andere baan te zoeken in het kader van bezuinigingen. Zij werkt sinds 1 augustus 1998 als juridisch beleidsmedewerkster bij het [werkgever moeder]. Zij heeft tevergeefs geprobeerd in haar huidige woonomgeving een andere baan te vinden. Zij heeft een andere (vaste) baan gevonden, per 1 februari 2014, in [nieuwe woonplaats moeder] en gezien het huidige economische klimaat voelt zij zich genoodzaakt deze baan te accepteren en heeft dat ook al gedaan. Gelet op de reisafstand is zij genoodzaakt te verhuizen. Zij heeft een huurwoning geaccepteerd per 1 januari 2014, in de nabijheid van haar werk. De school waar zij de minderjarigen wil plaatsen is op zeer korte afstand van deze woning gelegen. De vader weigert echter toestemming te geven.

De vader heeft gesteld dat de door de moeder gewenste verhuizing tot gevolg heeft dat hij aanzienlijk minder contact met de minderjarigen zal hebben. Door de eventuele verhuizing worden de minderjarigen uit hun vertrouwde omgeving gehaald en zullen zij hun gehele sociale leven opnieuw moeten opbouwen. Daarnaast zal het reizen tussen [woonplaats vader] en [nieuwe woonplaats moeder] voor veel onrust voor de minderjarigen zorgen. Dit alles is niet in het belang van de minderjarigen. De vader is voorts zeer betrokken bij de huidige school van de minderjarigen, maar door de reisafstand zal het contact van de vader met de nieuwe school noodgedwongen minimaal zijn.

De vader is bovendien door de moeder niet gekend in het feit dat haar functie is wegbezuinigd en ook heeft zij de vader niet geïnformeerd over de voorgenomen verhuizing. De moeder heeft vooraf geen overleg gevoerd en heeft al woonruimte gehuurd en een school voor de kinderen uitgezocht.

De vader heeft voorts gesteld dat de moeder zich onvoldoende heeft ingespannen om een baan in de omgeving van de huidige woonplaats te vinden.

Op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen, in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag, geschillen hieromtrent op verzoek van de ouders, of een van hen, aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

In geval van onenigheid tussen de ouders over een door één van hen voorgenomen verhuizing dient de rechtbank in overeenstemming met de vaste rechtspraak (onder meer Hoge Raad 25 april 2008, LJN BC5901) alle omstandigheden van het geval in acht te nemen en alle belangen af te wegen, zoals:
-  het recht en belang van de verhuizende ouder om te verhuizen en de vrijheid om

 zijn of haar leven opnieuw in te richten;
-  de noodzaak om te verhuizen;
-  de mate waarin de verhuizing is doordacht en voorbereid;

-  de door de verhuizende ouder geboden alternatieven en maatregelen om de

 gevolgen van de verhuizing voor het kind en de andere ouder te verzachten en/of te

 compenseren;
-  de mate waarin de ouders in staat zijn tot onderlinge communicatie en overleg;
-  de rechten van de andere ouder en het kind op onverminderd contact met elkaar in

 hun vertrouwde omgeving;
-  de verdeling van de zorgtaken en de continuïteit van de zorg;
-  de frequentie van het contact tussen het kind en de andere ouder voor en na de

 verhuizing;
-  de leeftijd van het kind, zijn mening en de mate waarin het geworteld is in zijn

 omgeving of juist gewend is aan verhuizingen;
-  of de (extra) kosten van de omgang na de verhuizing geheel of deels worden

 gecompenseerd door de verhuizende ouder.

Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting en de belangen van alle betrokkenen tegen elkaar afwegend, is de rechtbank van oordeel dat het verzoek van de moeder tot vervangende toestemming voor haar voorgenomen verhuizing als na te melden kan worden toegewezen. Daartoe is in het bijzonder het volgende redengevend.

Vooropgesteld wordt het volgende. Ter zitting is naar voren gekomen dat er tussen partijen nog steeds strijd is van relationele aard. De rechtbank acht het hoog tijd dat partijen die strijd in het belang van de minderjarigen beëindigen. In het kader van het onderhavige verzoek gaat de rechtbank op die strijd niet in maar beperkt zij zich tot de hierboven aangehaalde criteria.

De moeder is juriste en was ten tijde van het uiteengaan van partijen als zodanig werkzaam bij het [werkgever moeder]. Zij draagt met haar inkomen gebaseerd op voormelde functie op academisch niveau in hoofdzaak bij aan de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen. De vader draagt bij door middel van de betaling van een kinderalimentatie van € 140,- per kind per maand. Gebleken is dat de moeder in 2010 heeft vernomen dat in het kader van de bezuinigingen haar functie bij het [werkgever moeder] zou komen te vervallen, waarmee gegeven is dat het, gelet op de financiële behoeften van haar gezin, voor haar noodzakelijk is een nieuwe functie op vergelijkbaar (salaris)niveau te kunnen bekleden. Dat is een economische noodzaak. Door de moeder is onder meer overgelegd een verklaring van de coach/mobiliteitsadviseur van het ministerie, waarin, voor zover thans van belang, het volgende is verklaard:

Gedurende het proces van zoeken naar een baan was de aandacht in eerste instantie gericht op [plaats] en directe omgeving. Omdat het vinden van een nieuw functie in het “[plaats]” geen succes opleverde is, in overleg met mevrouw [de moeder], besloten de plaatsingsmogelijkheden te vergroten en daarom het zoekgebied uit te breiden in de richting van Amsterdam en omgeving en Utrecht en omgeving.

Na een proces van bijna 2 jaar, waarin vele netwerkgesprekken werden gevoerd en sollicitaties werden gedaan, is het mevrouw [de moeder], uiteindelijk gelukt een bij haar passende baan, zij het buiten de regio [plaats] te vinden.

De moeder heeft ter zitting nog toegelicht dat zij, gelet op de specifieke aard van haar expertise op het gebeid van het milieurecht, aangewezen is op een beperkt aantal mogelijkheden, hetgeen door de vader niet is betwist.

Uit het voorgaande, volgt naar het oordeel van de rechtbank dat, anders dan de vader meent, de moeder zich voldoende heeft ingespannen om een baan in haar directe woonomgeving, althans op zodanige locatie dat verhuizing achterwege kan blijven, te vinden, maar dat dit niet is gelukt. Onder die omstandigheden kan haar niet worden tegengeworpen dat zij uiteindelijk een baan in [nieuwe woonplaats moeder] heeft geaccepteerd die haar financiële zekerheid biedt in de vorm van een vaste aanstelling. Dat zij wellicht nog tot halverwege dit jaar in [plaats] had kunnen werken, zoals ter zitting naar voren is gekomen, doet daaraan niet af: daarmee had zij het probleem immers slechts voor zich uitgeschoven. Dit alles betekent dat de verhuizing naar [nieuwe woonplaats moeder] vanuit economisch gezichtspunt noodzakelijk is. De vader heeft ter zitting desgevraagd aangeven dat, indien er niet verhuisd wordt, een passende oplossing moet worden gevonden voor het financiële vraagstuk maar heeft niet aangegeven wat die oplossing dan zou moeten zijn.

Voorop staat dat, tegen voormelde achtergrond, aan het economisch belang een zeer zwaar gewicht dient toe te komen. De rechtbank gaat in dit verband voorbij aan het betoog van de vader dat hij niet eerder is gekend in de door de moeder gevonden woonplek en school. Niet is immers gebleken dat de vader bezwaar heeft tegen de schoolkeuze en woonplek als zodanig. Hij heeft bezwaar tegen de verhuizing. Volledigheidshalve wordt hierbij wel opgemerkt dat de moeder opening van zaken zal moeten geven en de vader bij het een en ander zal moeten betrekken.

Tegenover voormeld belang van de moeder en de minderjarigen staan de belangen van de vader en de minderjarigen op, onder meer, instandhouding van hun relatie.

Juist is dat de minderjarigen bij verhuizing uit hun vertrouwde omgeving zullen vertrekken en van school zullen moeten veranderen. Zij zijn niet de enige 8 en 6 jarige minderjarigen die dat overkomt en aangenomen moet worden dat zij in staat zullen zijn ook in hun nieuwe omgeving in te burgeren. De vader heeft er verder op gewezen dat zijn contact met de minderjarigen beperkter van aard zal zijn en dat hij vreest steeds meer buiten beeld te raken gelet op de moeizame relatie tussen partijen. De rechtbank is van oordeel dat deze belangen minder zwaar wegen dan de economische belangen, mede omdat hieraan bij het vastleggen van een zorgregeling aandacht kan worden besteed en de moeder gehouden zal zijn de belangen van de vader en de minderjarigen in dit verband in het oog te houden en te respecteren.

Het zelfstandige primaire verzoek van de vader wijst de rechtbank af. Daarbij wordt nog specifiek overwogen dat het, nu vaststaat dat de minderjarigen de afgelopen vier jaar hun hoofdverblijfplaats bij de moeder hebben gehad, niet in de rede ligt de hoofdverblijfplaats te wijzigen. Voor de door de vader gestelde psychische problemen van de moeder zijn geen objectieve aanwijzingen gevonden.

Inschrijving school en buitenschoolse opvang

Nu de rechtbank de moeder toestemming zal geven om met de minderjarigen naar [nieuwe woonplaats moeder] te verhuizen, is het in het belang van de minderjarigen dat zij in de nabijheid van hun nieuwe woonomgeving naar school en buitenschoolse opvang kunnen gaan.

De rechtbank zal derhalve tevens het verzoek om vervangende toestemming voor inschrijving op een basisschool en buitenschoolse opvang als na te melden toewijzen.

Vervangende toestemming bijschrijving zorgverzekeringspolis

De moeder heeft gesteld dat omdat het hoofdverblijf van de minderjarigen bij haar is en de minderjarige[de minderjarige 1] al op de polis van de moeder staat, het logisch is dat ook de minderjarige[de minderjarige 2] op haar polis wordt meeverzekerd. Nu de stelling van de moeder door de vader onvoldoende gemotiveerd wordt betwist, zal het verzoek van de moeder tot vervangende toestemming op dit punt worden toegewezen.

Wijziging zorgregeling

Partijen zijn het er over eens dat indien het verzoek om vervangende toestemming voor de verhuizing wordt toegewezen, de zorgregeling dient te worden gewijzigd.

De huidige zorgregeling houdt in dat de minderjarigen bij de vader zijn de ene week van zaterdagochtend 10.00 uur tot dinsdagochtend naar school en de andere week van maandagochtend 8.00 uur tot dinsdagochtend naar school, de helft van de schoolvakanties en feestdagen en op Vaderdag.

In geschil zijn onder meer de frequentie en de begin- en eindtijden van de weekendregeling nu de moeder verzoekt om een weekend per twee weken van zaterdag 17.00 uur tot zondagmiddag 17.30 uur, terwijl de vader ieder weekend van vrijdagmiddag 17.45 uur tot zondagmiddag 17.45 uur wenst. De vakantie- en feestdagenregeling is niet in geschil.

De rechtbank stelt voorop dat een regeling waarbij de minderjarigen ieder weekend naar de vader gaan naar haar oordeel te belastend is voor de minderjarigen. Daarnaast heeft de moeder er belang bij een weekend met de minderjarigen te kunnen doorbrengen

De moeder heeft gesteld dat het aanvangstijdstip (zaterdag 17.00 uur) verband houdt met het feit dat de vader op zaterdagen werkzaam is en pas aan het einde van de middag omgang met de minderjarigen kan hebben.

De vader wenst een uitgebreidere zorgregeling dan de moeder hem biedt, en wel van vrijdagmiddag tot zondagmiddag alsmede iedere maandag, waarbij de vader die dag naar [nieuwe woonplaats moeder] komt om tussen de middag te lunchen met de minderjarigen en uit school tot 17.45 uur bij de minderjarigen te zijn.

De vader heeft ter terechtzitting betwist dat hij op zaterdag pas aan het einde van de middag omgang met de minderjarigen zou kunnen hebben, aangezien hij op zaterdag slechts van 12.00 uur tot 15.30 uur werkt en hij voor de minderjarigen in die periode opvang bij grootouders vaderszijde kan regelen (en ook nu heeft geregeld).

De rechtbank overweegt dat nu de vader gemotiveerd heeft betwist dat hij niet op zaterdag voor de minderjarigen zou kunnen zorgen, een zorgregeling van vrijdagmiddag tot zondagavond in de rede ligt. Daarbij wordt nog betrokken dat ook de huidige zorgregeling één weekend in de veertien dagen omvat. De rechtbank acht het in het belang van de minderjarigen dat zij een weekend per veertien dagen bij de vader verblijven, alsmede iedere maandag, waarbij de vader die dag naar [nieuwe woonplaats moeder] komt, gedurende de lunch en na school.

De rechtbank merkt op dat ingeval de minderjarigen op een vrijdag en/of maandag vrij van school zijn, bijvoorbeeld door een roostervrije dag, deze dag(en) aan het weekend bij de vader gevoegd dienen te worden en de moeder zich hierin flexibel dient op te stellen.

De rechtbank acht het voorts redelijk dat de moeder het halen en brengen voor haar rekening neemt.

De rechtbank zal, gelet op het voorgaande, een zorgregeling vaststellen en bepalen dat de moeder de minderjarigen – nu zij werkt en met de minderjarigen uit [nieuwe woonplaats moeder] moet komen - op vrijdag om 19.30 uur bij de vader zal brengen en op zondagavond om 17.45 uur weer bij de vader zal ophalen.

Beslissing

De rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikking d.d. 28 september 2010 van deze rechtbank – :

verleent toestemming aan de moeder – welke toestemming die van de vader vervangt – om met de minderjarigen:

-[de minderjarige 1], geboren op [geboortedatum]te[geboorteplaats];

- [de minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] te[geboorteplaats];

naar [nieuwe woonplaats moeder] te verhuizen;

verleent toestemming aan de moeder – welke toestemming die van de vader vervangt – om de minderjarigen in te schrijven op een basisschool alsmede een buitenschoolse opvang in [nieuwe woonplaats moeder];

verleent toestemming aan de moeder – welke toestemming die van de vader vervangt – om de minderjarige [de minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] te[geboorteplaats] op haar zorgverzekeringspolis te laten bijschrijven;

bepaalt dat de minderjarigen bij de vader zullen zijn:

- een weekend per twee weken van vrijdagavond 19.30 uur tot zondagmiddag 17.45 uur, waarbij de moeder de minderjarigen bij de vader brengt en hen daar weer ophaalt;

- iedere maandag, waarbij de vader naar [nieuwe woonplaats moeder] komt om de minderjarigen tussen de middag van school op te halen, met hen te lunchen, weer naar school te brengen en

’s middags weer van school te halen en hen om 17.45 uur weer bij de moeder terug te brengen;

- de helft van de schoolvakanties en feestdagen, in onderling overleg overeen te komen, waarbij de moeder in de oneven jaren de eerste keus heeft voor wat betreft de eerste of tweede helft van de desbetreffende vakantieperiode en de vader de eerste keus heeft in de even jaren; uiterlijk op 1 februari in het voorgaande jaar informeren de ouders elkaar over hun keuze; de zomervakantie wordt aaneengesloten opgenomen;

- alsmede op Vaderdag;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.Th. Nijhuis, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. I.E. Moerkerk-van Kersbergen als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 januari 2014.