Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:9669

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-07-2014
Datum publicatie
08-08-2014
Zaaknummer
AWB-14_498
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2015:2009, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Informatiebeschikking terecht aan ontkenner KB Lux rekening gegeven.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 52a, geldigheid: 2014-07-24
Algemene wet inzake rijksbelastingen 47, geldigheid: 2014-07-24
Algemene wet inzake rijksbelastingen 27e, geldigheid: 2014-07-24
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 14/498

uitspraak van de meervoudige kamer van 24 juli 2014 in de zaak tussen

[X], wonende te [Z], eiseres

(gemachtigde: [A]),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Belastingen, kantoor [te P], verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft met dagtekening 6 november 2013 ten aanzien van eiseres met betrekking tot het jaar 2010 een informatiebeschikking als bedoeld in artikel 52a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) vastgesteld.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 10 december 2013 de informatiebeschikking gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juni 2014. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde en haar echtgenoot [Y] (de echtgenoot). Namens verweerder is verschenen [B].

Ter zitting is tevens behandeld het beroep van de echtgenoot inzake de aan hem met betrekking tot het jaar 2010 vastgestelde informatiebeschikking, zaaknummer SGR 14/497.

Overwegingen

Feiten

1.

Verweerder heeft renseignementen ontvangen betreffende Nederlandse rekeninghouders bij de Kredietbank Luxembourg te Luxemburg (KB Lux). De renseignementen vermelden onder meer een rekening met nummer [rekeningnummer] met een saldo op 31 januari 1994 van (in totaal) ƒ 228.943,77 (één termijndeposito van ƒ 225.000 en een zichtrekening van ƒ 3.943,77) ten name van [voornaam Y] [achternaam Y]-[achternaam X]. Verweerder heeft eiseres (en de echtgenoot) als houder van die rekening geïdentificeerd.

2.

Eiseres, geboren op [datum] 1957, is gehuwd met [Y], geboren op [datum] 1953. De eerste voornaam van de echtgenoot is [voornaam Y]. Eiseres en de echtgenoot hebben in hun aangiften inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen over het jaar 2010 geen vermogensbestanddelen opgenomen die betrekking hebben op een KB Lux rekening.

3.

Bij brief van 11 september 2013 heeft verweerder eiseres betreffende de KB Lux rekening met nummer [rekeningnummer] verzocht om de in de formulieren “Verklaring In het buitenland aangehouden bankrekening(en) en “Opgaaf in het buitenland aangehouden bankrekening(en)” gestelde vragen te beantwoorden en daarbij de gevraagde afschriften over de periode 31 december 2000 tot en met 31 december 2010 te verstrekken. In die formulieren wordt van eiseres gevraagd om aan te geven van welke in het buitenland aangehouden bankrekeningen zij rekeninghouder is geweest en daarbij gegevens te verstrekken over de data van opening en opheffing van de rekeningen, de data van stortingen en/of overmakingen, de wijze van opnamen en/of overboekingen, de hoogte van de stortingen, overmakingen, opnamen en overboekingen, de herkomst van de stortingen en/of overmakingen en het bestedingsdoel van de opnamen of overboekingen. Bij brief van 21 oktober 2013 heeft verweerder, onder verwijzing naar vorengenoemde vragenbrief van 11 september 2013, een herinneringsbrief aan eiseres verzonden. Nadat een reactie van de zijde van eiseres was uitgebleven, heeft verweerder de onderhavige informatiebeschikking vastgesteld, waarbij hij, onder verwijzing naar de brieven van 11 september 2013 en 21 oktober 2013, heeft verzocht om alsnog de gevraagde informatie te verstrekken.

Geschil
4. In geschil is of verweerder de informatiebeschikking terecht heeft vastgesteld.

5.

Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep en vernietiging van de informatiebeschikking. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

Beoordeling van het geschil

6.

Ingevolge artikel 47, eerste lid, van de Awr is een ieder verplicht desgevraagd aan verweerder de gegevens en inlichtingen te verschaffen en bescheiden over te leggen die voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn en de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers waarvan de raadpleging van belang kan zijn voor de vaststelling van de feiten welke invloed kunnen uitoefenen op de belastingheffing te zijnen aanzien, voor dit doel beschikbaar te stellen. Indien met betrekking tot een – voor zover hier van belang – op te leggen navorderingsaanslag niet of niet volledig wordt voldaan aan de verplichtingen ingevolge artikel 47 van de Awr, kan verweerder dit op grond van artikel 52a, eerste lid, van de Awr vaststellen bij voor bezwaar vatbare beschikking (de informatiebeschikking).

7.

De rechtbank stelt voorop dat in het onderhavige geval voor de beoordeling of de vastgestelde informatiebeschikking rechtmatig is, van belang is of eiseres heeft voldaan aan de op haar rustende informatieverplichting van artikel 47 van de Awr. Verweerder neemt het standpunt in dat dit niet het geval is. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat op verweerder de last rust om dit aannemelijk te maken.

8.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dit aannemelijk gemaakt. Daarbij heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen. De rechtbank heeft in haar uitspraken van 9 januari 2014, nrs. SGR 13/1612, SGR 13/1614 tot en met SGR 13/1616, SGR 13/1618 tot en met 13/1623 en SGR 13/1599 tot en met SGR 13/1606 – onder verwijzing naar de tot de gedingstukken behorende uitspraak van het gerechtshof ‘s-Gravenhage van 3 februari 2012, nr. BK-04/02510 en het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2013, nr. 12/01567, ECLI:NL:HR:2013:BZ6800, betreffende een andere KB Lux procedure van de echtgenoot – geoordeeld dat in de werkwijze van de KB Lux het gebruik van een streepje tussen de namen [achternaam Y] en [achternaam X] op een huwelijkse verbintenis tussen deze personen duidt, dat in het geval de rekening aan de neef van de echtgenoot ([voornaam Y] [tweede naam neef] [achternaam Y]) en tante van de echtgenoot ([voornaam tante] [achternaam X], de moeder van de neef van de echtgenoot) zou toebehoren een andere notatiewijze zou zijn gebruikt, te weten “[naam Y] ou [naam X]” en dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat de tenaamstelling van de rekening uniek is en dat eiseres en de echtgenoot terecht als rekeninghouder van de onder 1 genoemde KB Lux rekening zijn geïdentificeerd. De rechtbank ziet thans geen aanleiding om van dit eerdere oordeel af te wijken. Eiseres heeft, met hetgeen zij ter zitting heeft aangevoerd en aan stukken heeft ingebracht, het tegendeel niet aannemelijk gemaakt. Eiseres heeft in de onderhavige procedure namelijk dezelfde bewijsstukken ingebracht als in vorengenoemde procedures, welke uitsluitend betrekking hebben op de namen van de neef en tante van de echtgenoot. De stelling van eiseres dat instanties haar naam en de naam van de echtgenoot vaak verkeerd schrijven, ook met een streepje tussen hun beide achternamen, brengt nog niet mee dat daarmee vaststaat dat de KB Lux een fout heeft gemaakt bij de tenaamstelling van de onder 1 genoemde rekening. Daarnaast valt uit de enkele stelling van eiseres, dat de echtgenoot al 33 jaar werkzaam is als gemeentelijk ambtenaar en hij, afgezien van het inkomen van eiseres, van ongeveer € 1.800 netto per maand moet rondkomen, terwijl de neef van de echtgenoot aannemer is, geenszins op te maken dat niet eiseres, maar eerder de neef van haar echtgenoot, tot de rekening gerechtigd zou zijn.

9.

De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat de door hem gevraagde informatie voor de belastingheffing van eiseres voor het jaar 2010 van belang kon zijn. Voor de aanwezigheid van een belang als bedoeld in artikel 47 van de Awr is namelijk slechts vereist dat het gevraagde op zichzelf beschouwd van belang kan zijn voor de belastingheffing van de betrokken belastingplichtige (vgl. Hoge Raad 8 januari 1986, nr. 23 034, ECLI:NL:HR:1986:AW8125, BNB 1986/128, en Hoge Raad 1 november 2013, nr. 12/02791, ECLI:NL:HR:2013:1016). Gelet op de renseignementen en de door verweerder uitgevoerde identificatie die erin resulteerde dat eiseres als (mede-)rekeninghouder van de in 1 vermelde KB Lux rekening kon worden aangewezen, bestond er voor verweerder voldoende aanleiding om eiseres, nu dit ook voor haar belastingheffing voor het jaar 2010 van belang kon zijn, nadere inlichtingen te vragen omtrent de hiervoor genoemde KB Lux rekening. De enkele omstandigheid dat de renseignementen saldigegevens bevatten uit het jaar 1994 kan, anders dan eiseres van mening is, aan voormeld oordeel niet afdoen, nu hieruit niet kan worden afgeleid dat er voor het jaar 2010 geen belang (meer) zou zijn voor de belastingheffing van eiseres. Het kan immers niet worden uitgesloten dat eiseres, die in ieder geval in 1994 (mede-)rekeninghouder was van voormelde KB Lux rekening, ook in latere jaren (2010) nog steeds (mede-)rekeninghouder was van die KB Lux rekening dan wel dat zij, al dan niet via een andere buitenlandse bankrekening, over (een deel van) het vermogen van de opgeheven KB Lux rekening heeft beschikt. Daarnaast wijst de hoogte van het saldo van die rekening op 31 januari 1994, de wijze waarop het saldo is belegd, nagenoeg geheel in een termijndeposito, alsmede het bij de KB Lux in gebruik zijnde systeem van zicht- en tegenrekeningen op een belegging voor de lange termijn. Nu het voorts een algemene ervaringsregel is dat buitenlandse banktegoeden in een land met een bankgeheim voor een langere periode worden aangehouden, vraagt dit om een nadere toelichting van de zijde van eiseres.

10.

Nu eiseres, ondanks een herhaald verzoek van verweerder daartoe, niet op de vragenbrief van verweerder van 11 september 2013 heeft gereageerd, heeft eiseres reeds hierom niet aan haar informatieverplichting voldaan. Aldus is ten aanzien van eiseres terecht de onderhavige informatiebeschikking gegeven. De omstandigheid dat verweerder ook vragen over andere buitenlandse bankrekeningen heeft gesteld en gegevens over de jaren vóór 2010 heeft opgevraagd, kan aan voormeld oordeel niet afdoen.

11.

Het beroep van eiseres op de uitspraak van de rechtbank Breda van 20 september 2012 (nr. 12/1937, ECLI:NL:RBBRE:2012:BY2216) kan niet tot een ander oordeel leiden, nu in het daar voorliggende geval, anders dan hier het geval is, verweerder niet aannemelijk had gemaakt dat de desbetreffende belastingplichtige in een eerder jaar (1994) gerechtigd was tot een buitenlandse bankrekening.

12.

Gelet op wat hiervoor is overwogen, dient het beroep ongegrond te worden verklaard. De rechtbank zal eiseres op grond van artikel 27e, tweede lid, van de Awr een nieuwe termijn stellen om de in de informatiebeschikking gestelde vragen te beantwoorden en de verzochte informatie te verstrekken. De rechtbank acht een termijn van zes weken vanaf de dag na die van verzending van de uitspraak passend.

Proceskosten

13.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- stelt eiseres een termijn van zes weken, gerekend vanaf de dag waarop deze uitspraak is verzonden, om alsnog aan verweerder de in de informatiebeschikking gevraagde informatie te verstrekken.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.A. Dirks, voorzitter, en mr. E.I. Batelaan-Boomsma en mr. J.W. van den Berge, leden, in aanwezigheid van mr. U.A. Salomons, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 juli 2014.

ter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1.

bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2.

het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep