Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:9612

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-07-2014
Datum publicatie
05-08-2014
Zaaknummer
AWB 14/753
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2015:2737, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft eiser ongewenst verklaard met toepassing van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vreemdelingenwet 2000. Vaststaat dat eiser buiten de rechtsmacht van Nederland een ernstig misdrijf heeft begaan, zodat verweerder terecht heeft aangenomen dat artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag op eiser van toepassing is. Dat artikel 1F van toepassing is, betekent weliswaar dat de actualiteit van de bedreiging lang aanwezig is, maar niet dat geen verdere beoordeling hoeft plaats te vinden. De rechtbank heeft geoordeeld dat verweerder in het geval van eiser ten onrechte heeft geoordeeld dat de bedreiging die van de 1F status uitgaat nog altijd actueel is. De ongewenstverklaring kan daarom niet in stand blijven. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2014/313

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 14/753

uitspraak van de meervoudige kamer van 17 juli 2014 in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. [gemachtigde],

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. D.P.A. van Laarhoven).

Procesverloop

Bij besluit van 22 augustus 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder het verblijfsrecht van eiser op grond van Richtlijn 2004/38/EG betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden (de Richtlijn) beëindigd.

Bij besluit van 9 januari 2014 (het bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit I beroep ingesteld.

Bij beschikking van 16 januari 2014 (het bestreden besluit II) is eiser ongewenst verklaard.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 juni 2014. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

Eiser is geboren op 2 februari 1978 en heeft de Iraanse nationaliteit. Eiser verblijft sinds 26 september 2000 in Nederland. Eiser heeft een relatie met [naam partner], van Poolse nationaliteit. Eiser en zijn partner zijn op 25 april 2014 getrouwd.

2.

Op 24 oktober 2000 heeft eiser een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Bij besluit van 26 juni 2003 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Het hiertegen ingestelde beroep is bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, op 10 januari 2006 gegrond verklaard (AWB 03/40505). De rechtbank heeft in deze uitspraak overwogen dat verweerder op goede gronden artikel 1(F) van het Verdrag betreffende de status van Vluchtelingen van 28 juli 1951, zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 31 januari 1967 (artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag) aan eiser heeft tegengeworpen. De rechtbank heeft echter geoordeeld dat het bestreden besluit een deugdelijke motivering ontbeert voor het oordeel dat eiser bij terugkeer geen reëel risico loopt op een behandeling strijdig met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Bij besluit van 3 maart 2009 heeft verweerder de aanvraag opnieuw afgewezen. Verweerder heeft overwogen dat het gestelde in artikel 3 van het EVRM zich verzet tegen uitzetting van eiser, maar dat deze situatie nog niet duurzaam is. Het hiertegen ingestelde beroep is door deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, bij uitspraak van 11 december 2009 ongegrond verklaard (AWB 09/11391). Deze uitspraak is op 15 maart 2010 door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) bevestigd (201000101/1/V2, te raadplegen via www.raadvanstate.nl).

3.

Eiser heeft op 12 januari 2011 wederom een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Deze aanvraag is bij besluit van 29 juni 2011 afgewezen. Bij uitspraak van 13 september 2012 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem (AWB 11/22568), het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat verweerder niet in strijd met artikel 3 van het EVRM handelt. Het algemene uitgangspunt in het beleid is dat aan een persoon op wie het gestelde in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is geacht, in beginsel geen verblijfsvergunning wordt verleend, maar dat op grond van bepaalde, uitzonderlijke omstandigheden, het hem blijvend onthouden van een verblijfsvergunning disproportioneel kan zijn. De rechtbank achtte het niet onredelijk dat van de vreemdeling wordt verlangd dat hij deze uitzonderlijke omstandigheden aannemelijk maakt. De Afdeling heeft op 17 oktober 2013 deze uitspraak van de rechtbank bevestigd (201209748/1/V3).

4.

Eiser heeft op 6 december 2012 een aanvraag ingediend om toetsing aan het recht van de Europese Unie (EU) en afgifte van een verblijfsdocument EU voor verblijf bij een burger van de Unie. Bij het primaire besluit heeft verweerder het verblijfsrecht van eiser op grond van de Richtlijn beëindigd en is de afgifte van het verblijfsdocument EU aan eiser geweigerd. Bij het bestreden besluit I heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd.

5.

Bij beschikking van 16 januari 2014 heeft verweerder eiser ongewenst verklaard met toepassing van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Aan de bestreden besluiten heeft verweerder ten grondslag gelegd dat het aan eiser in het kader van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag tegengeworpen gedrag, gedrag is waarvan een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging uitgaat als bedoeld in artikel 27 van de Richtlijn.

6.

De rechtbank is van oordeel dat het beroep, gericht tegen het bestreden besluit I, van rechtswege mede betrekking heeft op het besluit tot ongewenstverklaring (het bestreden besluit II). De rechtbank verwijst hiertoe naar de Afdelingsuitspraak van 23 december 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:2698).

7.

Vervolgens overweegt de rechtbank dat, zolang de ongewenstverklaring voortduurt, eiser geen rechtmatig verblijf kan verkrijgen. Eiser heeft dan ook geen belang bij de beoordeling van zijn beroep tegen het bestreden besluit I, zolang hij ongewenst is verklaard. Ook indien, zoals in dit geval, het niet hebben van rechtmatig verblijf van eiser een vereiste is om van de bevoegdheid tot ongewenstverklaring gebruik te maken, kan hij aan het in het besluit tot ongewenstverklaring neergelegde oordeel over de rechtmatigheid van het verblijf zodanig belang niet ontlenen. De vraag of sprake is van rechtmatig verblijf kan ten volle bij de beoordeling van het besluit tot ongewenstverklaring aan de orde worden gesteld. Aldus wordt gewaarborgd dat in rechte kan worden getoetst of sprake is van rechtmatig verblijf dat aan het gebruik van de bevoegdheid tot ongewenstverklaring over te gaan in de weg staat. Indien deze toetsing tot het oordeel leidt dat sprake is van rechtmatig verblijf, is daarmee gegeven dat het besluit tot ongewenstverklaring niet in stand kan blijven. De rechtbank verwijst hiertoe naar de uitspraak van de Afdeling van 4 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013: CA2837.

8.

Het voorgaande brengt met zich mee dat de rechtbank aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden dient te toetsen of het bestreden besluit II in rechte standhoudt. Bij deze beoordeling zijn de volgende bepalingen van belang.

9.

Ingevolge artikel 67, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000 kan de vreemdeling door de minister ongewenst worden verklaard in het belang van de internationale betrekkingen van Nederland.

10.

Volgens paragraaf A4/3.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) kan de IND tot een ongewenstverklaring op deze grond besluiten als de vreemdeling buiten de rechtsmacht van Nederland een ernstig misdrijf heeft begaan. Een vreemdeling die buiten de rechtsmacht van Nederland een ernstig misdrijf heeft begaan, is in ieder geval een vreemdeling van wie de aanvraag voor een verblijfsvergunning is afgewezen of de verblijfsvergunning is ingetrokken op grond van artikel 1F Vluchtelingenverdrag.

Voorts blijkt uit deze paragraaf van de Vc 2000 dat verweerder niet tot ongewenstverklaring overgaat als de ongewenstverklaring een schending van artikel 8 van het EVRM betekent. Bij het besluit tot ongewenstverklaring weegt verweerder artikel 8 EVRM-aspecten mee. Verwezen wordt naar paragraaf B7/3.8 van de Vc 2000.

11.

Eiser heeft in de eerste plaats betoogd dat de tegenwerping van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag geen stand kan houden. Eiser heeft een authentiek document overgelegd, waaruit volgt dat hij als dienstplichtig militair werkzaam was. Als dienstplichtige is eiser niet in staat een officiersrang te bekleden, hetgeen verweerder in de eerdere besluitvorming uitdrukkelijk heeft overwogen. Aangezien eiser de officiersrang niet kan hebben bekleed, is het niet mogelijk dat hij de bijbehorende functie heeft bekleed. Nu er relevante nova zijn ten aanzien van de tegenwerping van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag, had verweerder deze moeten doen onderzoeken door een daarin gespecialiseerd ambtenaar, ingevolge C2/8.2 van de Vc 2000. De tegenwerping van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag dient, gelet op vorenstaande, in elk geval nader te worden onderzocht en gemotiveerd. Eiser stelt dat geen kenbaar onderzoek heeft plaatsgevonden. Desgevraagd heeft eisers gemachtigde ter zitting verklaard dat delen van het asielrelaas, zoals eiser dat voorafgaand aan zijn eerste asielaanvraag naar voren heeft gebracht, niet juist zijn. Voor het eerst kan eiser nu onderbouwen dat hij geen dienstplichtig militair was, zodat zijn hele relaas op een andere wijze moet worden beoordeeld, aldus eiser.

12.

Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat niet valt in te zien waarom eiser als dienstplichtig militair niet de positie zou hebben kunnen bekleden of in ieder geval de werkzaamheden zou hebben verricht op grond waarvan aan hem artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen. In het verweerschrift heeft verweerder betoogd dat in de besluitvorming inzake de tegenwerping van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag nimmer is aangenomen dat eiser een officiersrang heeft bekleed. Uit de beschikking van 6 juni 2003 volgt juist dat toentertijd is aangenomen dat eiser een onderofficiersrang had. Nu de informatie afkomstig van de militaire afzwaaikaart voor wat betreft de militaire rang van eiser overeenkomstig zijn verklaringen, die hebben geleid tot vaststelling van artikel 1F, is, ziet verweerder hierin geen aanleiding om thans tot een ander oordeel te komen. Het onderzoek heeft op zorgvuldige wijze – overeenkomstig paragraaf C2/8.2 van de Vc 2000 – plaatsgevonden.

13.

De rechtbank overweegt dat met voormelde uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 10 januari 2006 in rechte vaststaat dat artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag op eiser van toepassing is. Indien sprake is van rechtens relevante nova, ligt het op de weg van eiser deze in de bestuurlijke fase naar voren te brengen. De rechtbank stelt vast dat verweerder op 4 november 2013 eiser heeft gehoord in het kader van zijn onderhavige aanvraag en vanwege het voornemen hem ongewenst te verklaren. Tijdens dit gehoor is door eisers gemachtigde naar voren gebracht dat eiser recent in het bezit is gekomen van een militaire afzwaaikaart. Ten behoeve van onderzoek door Bureau Documenten is het document door eiser overgelegd. Bureau Documenten heeft onderzoek verricht en geconcludeerd dat het document hoogstwaarschijnlijk echt is. Anders dan eiser betoogt, had verweerder hierin geen aanleiding hoeven zien hem opnieuw te horen. Tijdens het gehoor dat op 4 november 2013 heeft plaatsgevonden, is eiser immers reeds in de gelegenheid gesteld nadere inlichtingen te verstrekken. Met de enkele stelling dat de militaire afzwaaikaart bewijst dat eiser niet werkzaam kon zijn als beroepsmilitair, miskent eiser dat reeds in rechte vaststaat welke werkzaamheden hij als assistent van de gevangenisdirecteur heeft verricht. Het lag op de weg van eiser om (onderbouwd) aan te geven waarom niet langer uitgegaan zou kunnen worden van de in rechte vaststaande feiten. Niet valt in te zien waarom eiser dit niet in de loop van de procedure, die geruime tijd heeft geduurd, naar voren had kunnen brengen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder geen zorgvuldigheidsnorm geschonden door eiser niet opnieuw te horen. Evenmin heeft de rechtbank aanknopingspunten om te constateren dat verweerder niet overeenkomstig het bepaalde in de Vc 2000 heeft gehandeld. Deze beroepsgrond slaagt dan ook niet.

14.

Gelet op vorenstaande staat vast dat eiser buiten de rechtsmacht van Nederland een ernstig misdrijf heeft begaan, zodat verweerder terecht heeft aangenomen dat artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag op eiser van toepassing is. Vervolgens is tussen partijen in geschil of verweerder de 1F-status van eiser ten grondslag heeft kunnen leggen aan het bestreden besluit II.

15.

Bij de verdere beoordeling van het beroep zijn de volgende bepalingen uit de Richtlijn van belang.

16.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Richtlijn wordt voor de toepassing van deze richtlijn onder “burger van de Unie” verstaan: eenieder die de nationaliteit van een lidstaat bezit. Volgens het tweede lid, aanhef en onder a, wordt onder “familielid” verstaan: de echtgenoot. Volgens het derde lid wordt onder “gastland” verstaan: de lidstaat waarheen de burger zich begeeft om zijn recht van vrij verkeer of verblijf uit te oefenen.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Richtlijn is deze richtlijn van toepassing ten aan zien van iedere burger van de Unie die zich begeeft naar of verblijf in een andere lidstaat dan die waarvan hij de nationaliteit bezit, en diens familieleden als gedefinieerd in artikel 2, tweede lid, die hem begeleiden of zich bij hem voegen.

Ingevolge artikel 27, eerste lid, van de Richtlijn kunnen de lidstaten onverminderd het bepaalde in dit hoofdstuk de vrijheid van verkeer of verblijf van burgers van de Unie en hun familieleden, ongeacht hun nationaliteit, beperken om redenen van openbare orde, openbare veiligheid of volksgezondheid.

Ingevolge het tweede lid van voormeld artikel moeten de om redenen van openbare orde of openbare veiligheid genomen maatregelen in overeenstemming zijn met het evenredigheidsbeginsel en uitsluitend zijn gebaseerd op het gedrag van betrokkene. Strafrechtelijke veroordelingen vormen als zodanig geen reden voor deze maatregelen. Het gedrag moet een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormen. Motiveringen die los staan van het individuele geval of die verband houden met algemene preventieve redenen mogen niet worden aangevoerd.

In artikel 28, eerste lid, van de Richtlijn is bepaald dat, alvorens een besluit tot verwijdering van het grondgebied om redenen van openbare orde of openbare veiligheid te nemen, een gastland de duur van het verblijf van betrokkene op zijn grondgebied, diens leeftijd, gezondheidstoestand, gezins- en economische situatie, sociale en culturele integratie in het gastland en de mate waarin hij bindingen heeft met zijn land van oorsprong in overweging neemt.

17.

Tussen partijen is niet in geschil dat eiser onder het toepassingsbereik van de Richtlijn valt. In geschil is of de aan eiser tegengeworpen gedragingen een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormen voor een fundamenteel belang van de samenleving, als bedoeld in artikel 27, tweede lid, van de Richtlijn.

18.

Eiser heeft in dat verband aangevoerd dat in het bestreden besluit II geen, althans een onjuiste, Unierechtelijke toets is uitgevoerd. Bij het juist toepassen van een Unierechtelijke toets kan niet tot de conclusie worden gekomen dat eiser nog een gevaar voor de openbare orde vormt. De enkele tegenwerping van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag is in dit kader onvoldoende. Sinds zijn aankomst in Nederland is eiser van onbesproken gedrag. Uit de omstandigheid dat verweerder al ruim tien jaar de mogelijkheid heeft om eiser ongewenst te verklaren, blijkt al dat geen sprake is van enige actuele dreiging. De handelingen die eiser zou hebben uitgevoerd, zouden naar Nederlands strafrecht geen strafbare feiten opleveren.

19.

Verweerder heeft zich in het bestreden besluit II op het standpunt gesteld dat de ongewenstverklaring met toepassing van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000 verenigbaar is met het bepaalde in artikel 27 van de Richtlijn. Bij de toepasselijkheid van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag is sprake van een werkelijke en ernstige bedreiging van de openbare orde. Van het gedrag dat aan eiser in het kader van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen gaat nog steeds een actuele bedreiging van de openbare orde uit. Door de internationale gemeenschap wordt een persoon aan wie artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen gezien als een blijvend gevaar voor de (internationale) openbare orde. Daarmee is de actualiteit van de bedreiging voor de openbare orde, zoals bedoeld in artikel 27 van de Richtlijn, gegeven. Dat de mogelijkheid om eiser ongewenst te verklaren geruime tijd onbenut is gelaten, leidt op zichzelf niet tot de conclusie dat eiser geen bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving. Uit de zienswijze volgt dat eiser zijn aandeel in de gepleegde misdrijven bagatelliseert. Daarmee heeft eiser persoonlijk gedrag getoond dat gekwalificeerd dient te worden als een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving. Dit draagt voorts bij aan het oordeel dat van eiser nog altijd een bedreiging voor de openbare orde uitgaat.

20.

De rechtbank overweegt als volgt. Het geschil spitst zich toe op de vraag of verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat eiser een actuele bedreiging vormt. Volledigheidshalve overweegt de rechtbank dat uit de uitspraak van de Afdeling van 12 september 2008 (ECLI:NL:RVS:2008: BF1415) volgt dat een vreemdeling aan wie artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen een werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving als bedoeld in artikel 27, tweede lid, van de Richtlijn.

21.

Vervolgens moet worden beoordeeld of verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat eiser op grond van deze gedragingen tevens een actuele bedreiging vormt in de hier bedoelde zin. Uit de uitspraak van de Afdeling van

17 september 2008 volgt dat het blijven ontkennen van de desbetreffende daad naar zijn aard ziet op het gedrag van de desbetreffende vreemdeling en dus van belang is bij de beoordeling of de bedreiging die van het gedrag van die vreemdeling uitgaat nog actueel is. Uit de Afdelingsuitspraak van 27 maart 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:BZ8702) volgt dat de bedreiging die van deelname aan marteling uitgaat lang tot zeer lang actueel blijft. Verder volgt uit deze uitspraak dat de actualiteit van de bedreiging ten aanzien van desbetreffende vreemdeling was gebaseerd op diens deelname aan martelingen in de periode van 1994-1998, maar eveneens op de omstandigheid dat de vreemdeling blijkens een individueel ambtsbericht als arts daaraan heeft deelgenomen, deze deelname blijft ontkennen en hier te lande in de gezondheidszorg werkzaam is. Gelet op dit samenstel van omstandigheden, in welk samenstel de omstandigheid dat artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag op de vreemdeling van toepassing is wegens zijn deelname als arts aan martelingen zwaar weegt, bestaat geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het gedrag van de vreemdeling nog steeds een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt. Het tijdsverloop sedert de periode waarin de vreemdeling aan martelingen in Irak heeft deelgenomen, de context van deze deelname en het ontbreken van klachten over de door de vreemdeling in Nederland verrichte werkzaamheden in de gezondheidszorg zijn in het licht van voormeld samenstel van omstandigheden van onvoldoende gewicht om te oordelen dat een bedreiging als vorenbedoeld niet langer aan de orde is, aldus de Afdelingsuitspraak.

22.

Dat artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is, betekent weliswaar dat de actualiteit van de bedreiging lang aanwezig is, maar niet dat geen verdere beoordeling hoeft plaats te vinden. Uit de hiervoor aangehaalde uitspraak van de Afdeling begrijpt de rechtbank dat de Afdeling veel waarde hechtte aan de wijze waarop en de hoedanigheid waarin de betreffende vreemdeling had deelgenomen aan de marteling, zijn ontkennende houding – ondanks het individuele ambtsbericht – en de functie waarin hij in Nederland werkzaam was. Eiser had wetenschap van hetgeen zich afspeelde in de gevangenis waar hij werkzaam was en hij leverde een bijdrage door het rondbrengen van instructies, maar eiser heeft zelf niet actief deelgenomen aan de martelingen. Verder heeft eiser zijn deelname en wetenschap niet ontkend, maar juist uit eigen beweging volledige openheid gegeven toen hij asiel aanvroeg in Nederland. Dat eiser nu tracht middels het aanvoeren van nova zijn deelname in een andere perspectief te plaatsen, neemt niet weg dat eiser zelf openheid heeft gegeven. Andere relevante omstandigheden, die moeten worden meegewogen teneinde te beoordelen of de bedreiging actueel is, zijn het tijdsverloop, de context van de deelname en het functioneren van de vreemdeling in Nederland. Eiser was van 1997 tot 2000 werkzaam in de gevangenis en verblijft sinds 2000 in Nederland. Door eiser is onweersproken gesteld dat hij in Nederland geen strafbare feiten heeft gepleegd. Gelet op vorenstaande feiten in onderlinge samenhang bezien is de rechtbank van oordeel dat verweerder ten onrechte heeft geoordeeld dat de bedreiging die van de 1F status uitgaat nog altijd actueel is.

23.

Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit II komt voor vernietiging in aanmerking. Immers, eiser heeft rechtmatig verblijf als Unieburger en verweerder heeft ten onrechte zijn verblijfsrecht beperkt door hem ongewenst te verklaren. De ongewenst-verklaring kan reeds hierom niet in stand blijven. De overige door eiser aangevoerde beroepsgronden – evenals het ter zitting gedane subsidiaire verzoek prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie – behoeven geen bespreking meer.

24.

Vervolgens dient de rechtbank te beoordelen welke gevolgen de vernietiging van het bestreden besluit II heeft voor het bestreden besluit I. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, heeft verweerder ook in het bestreden besluit I ten onrechte bepaald dat eiser een actuele bedreiging van de openbare orde vormt. De rechtbank vernietigt ook dit besluit, herroept het primaire besluit en ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien door te bepalen dat verweerder overeenkomstig artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000 een document of schriftelijke verklaring dient te verstrekken aan eiser waaruit het rechtmatig verblijf blijkt.

25.

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

26.

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 974,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van

€ 487,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit I;

  • -

    herroept het primaire besluit;

  • -

    bepaalt dat verweerder aan eiser een document of schriftelijke verklaring verstrekt, als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit II;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 165,-- aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van

€ 974,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M.P. Jacobs, voorzitter, mr. R.M.M. Kleijkers en

mr. R.A.M.M. Gijselaers, leden, in aanwezigheid van mr. W.A.M. Bocken, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2014.

w.g. W.A.M. Bocken,

griffier

w.g. K.M.P. Jacobs

voorzitter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 17 juli 2014

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.