Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:9445

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
30-07-2014
Datum publicatie
06-01-2015
Zaaknummer
AWB-14_3611
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemeen militair ambtenarenreglement 21, geldigheid: 2015-01-06
Algemeen militair ambtenarenreglement 53c, geldigheid: 2015-01-06
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 14/3611

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juli 2014 in de zaak tussen

[X], te Zwolle, eiser

(gemachtigde:[A]),

en

de minister van Defensie, verweerder

(gemachtigden: [B] en[C]).

Procesverloop

Bij besluit van 24 december 2013 heeft verweerder eiser ontslag op eigen verzoek verleend met ingang van 31 januari 2014 zonder toekenning van een stimuleringspremie in de zin van hoofdstuk 8 van het Sociaal Beleidskader 2012 (SBK 2012).

Bij besluit van 24 april 2014 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 juli 2014.

Eiser is aldaar verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1

Aan zijn (handhaving van zijn) besluit eiser geen stimuleringspremie toe te kennen heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiser tot 9 december 2013 is geplaatst op de verzamelarbeidsplaats ‘zwevend’ en dat eiser vanaf die datum op een functie is geplaatst bij het Logistiek Squadron van het Logistiek Centrum Woensdrecht. Eiser is daardoor nooit daadwerkelijk aangewezen als herplaatsingskandidaat. Nu zijn rang van sergeant binnen het vakgebied Logistiek tevens niet is aangemerkt als knelpuntcategorie, maakt eiser geen aanspraak op een stimuleringspremie. Het SBK 2012 is niet van toepassing op eiser, aldus verweerder.

2

Eiser kan zich niet verenigen met dit besluit en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Eiser betoogt dat nu zijn functie op 22 juli 2013 is vervallen en verweerder hem niet overeenkomstig artikel 53, aanhef en onder a, van het Algemeen Militair Ambtenarenrecht (AMAR) binnen drie maanden een functie heeft toegewezen, eiser op 22 oktober 2013, doch in ieder geval op 9 december 2013 van rechtswege herplaatsingskandidaat is geworden. In dit verband wijst eiser tevens op een email van

9 december 2013 van zijn P&O-adviseur waaruit blijkt dat verweerder eiser eerder heeft meegedeeld dat hij met ingang van 9 december 2013 als herplaatsingskandidaat wordt aangemerkt. Een schriftelijke aanwijzing als herplaatsingskandidaat is uitsluitend bedoeld ter informatie en bevestiging van de in artikel 53c, onder a, van het AMAR vastgelegde rechtspositionele wijziging. Eiser meent tevens dat geen sprake is geweest van een rechtmatige functietoewijzing nu verweerder eiser niet overeenkomstig artikel 21, tweede lid, van het AMAR tenminste twee maanden voor de datum van ingang van de functievervulling in kennis heeft gesteld van het besluit tot functietoewijzing. Eiser acht het opmerkelijk dat verweerder eerst enkele uren na zijn ontslagverzoek een functie toewijst, terwijl hem in de gehele zwevende periode geen functie is toegewezen. Eiser wijst er voorts op dat hij begin september 2013 aan zijn personeelsofficier mondeling heeft aangegeven dat hij per 9 december 2013 direct in aanmerking wenste te komen voor het in het SBK genoemde externe traject omdat hij een functie buiten defensie op het oog had en deze officier de stimuleringspremie zelfs voor eiser heeft uitgerekend.

3

Feiten en omstandigheden

3.1

Verweerder heeft op 30 oktober 2013 beslist op eisers verzoek van

10 oktober 2013 om met ingang van 22 oktober 2013 te worden aangemerkt als herplaatsingskandidaat alsmede om met ingang van die datum direct te starten met het externe herplaatsingstraject. In dat besluit staat – voor zover hier relevant – het volgende vermeld:

‘Tot 22 juli 2013 bekleedde u de functie van Mdw ME-MVB op AOCS NM. Doordat uw maximale functieduurvervulling op die datum is verlopen bent in de zwevende plaatsing geplaatst. Binnen CLSK is voor aanvang van de implementatiefase van het reorganisatieproces het besluit genomen dat de zwevend geplaatste militairen, die tijdens deze reorganisatiefase in de zwevende plaatsing terecht zijn gekomen, worden verlengd tot de datum ingang nieuwe organisatie (DINO), zijnde 9 december 2013. Reden hiervoor is het ontbreken van sollicitatiemogelijkheden vanwege de tijdelijke sluiting van de vacaturebank tijdens de implementatiefase. Voor u betekent dit dat uw zwevende plaatsing loopt tot 9 december 2013. U bent hiervan op de hoogte gesteld door middel van een functietoewijzing (refnr 2703734, dd 14 mei 2013). U bent hiertegen niet in bezwaar gegaan.

Conform gesteld in het SBK 2012 wordt een militair pas na afloop van deze ‘zwevende periode’ aangewezen als herplaatsingskandidaat aangewezen. Vanaf dat moment is het SBK 2012 van toepassing. Tijdens de zwevende periode bent u beschikbaar voor het centrale functietoewijzingsproces en is de organisatie bevoegd om het matchingsproces als managementinstrument toe te passen. Op grond hiervan wordt bekeken of er binnen de CLSK-organisatie vacatures zijn waarop u geplaatst kan worden. (…) Uw zwevende plaatsing zal doorlopen tot 9 december.’

3.2

Op 9 december 2013 om 08.30 uur heeft eiser middels een daartoe bestemd requestformulier zijn ontslag ingediend bij verweerder en daarbij tevens verzocht om hem een stimuleringspremie (en andere niet voor dit geding van belang zijnde faciliteiten) toe te kennen.

3.3

Op 9 december 2013 om 13:07 uur heeft[C], junior P&O-adviseur, aan eiser een email gestuurd, waarin – voor zover hier van belang – het volgende staat vermeld:

‘Bij deze wil ik je laten weten dat je met ingang van vandaag 9-12-13 geplaatst gaat worden op LCW. (…) Dit betekent dus dat je officieel nooit herplaatsingskandidaat bent geworden.’

3.4

Hierop heeft eiser om 13:14 – voor zover hier van belang - gereageerd als volgt:

‘Dat is niet waar, ik zou tijdig op de hoogte gesteld worden. Ik heb mijn rekest reeds ingediend vanochtend, en ben dus wel intern herplaatsingskandidaat. Zie referentie 2013/025825. Dus deze aanwijzing is te laat. Daarbij heb ik geen artikel 17 ontvangen. En ben het derhalve niet eens met dit bericht.’

3.5

Hierop heeft de P&O-adviseur[C] om 14.30 uur – voor zover hier van belang- gereageerd als volgt:

‘Ondanks dat is meegedeeld dat u met ingang van 9 december 2013 bent aangemerkt als (interne) herplaatsingskandidaat, heeft de organisatie nog steeds de verplichting voor u om een passende functie binnen Defensie te zoeken. Dit geldt dus ook voor u. U kan worden geplaatst op een functie die bij u past. U wordt dan ook ingedeeld naar de mogelijkheden en noodzaak van de organisatie. Dit betekent voor u dat u met ingang van 9 december 2013 wordt bij het Logistiek Centrum Woensdrecht op een specialisten functie in de Logistiek ingedeeld.’

4

Ingevolge artikel 21, eerste lid, van het AMAR stelt de Minister de betrokken militair indien mogelijk zes maanden voor de datum van ingang van de functievervulling, in kennis van het besluit tot functietoewijzing onder vermelding van a. de functie, b. de standplaats, c. de datum van ingang en d. een indicatie van de duur van functievervulling. Ingevolge het tweede lid kan van de termijn, genoemd in het eerste lid, door de Minister worden afgeweken tot een termijn van tenminste twee maanden, indien naar zijn oordeel het dienstbelang hiertoe noodzaakt.

Ingevolge artikel 53c, eerste lid, aanhef en onder a, van het AMAR, wordt de militair door de commandant operationeel commando aangewezen als herplaatsingskandidaat indien hem met toepassing van artikel 17 binnen drie maanden na het vervallen van zijn functie of de vaststelling van zijn boventalligheid geen functie is of kan worden toegewezen; Ingevolge het tweede lid wordt de militair over zijn aanwijzing als herplaatsingskandidaat bedoeld in het eerste lid, schriftelijk geïnformeerd. In afwijking van het eerste lid kan Onze Minister in een ministeriële regeling bepalen dat specifieke categorieën militairen, aan wie geen functie is of kan worden toegewezen bedoeld in het eerste lid, niet worden aangewezen als herplaatsingskandidaat.

5

De rechtbank overweegt als volgt.

Niet in geschil is dat de zwevende periode liep van 22 juli 2013 tót 9 december 2013. Evenmin is in geschil dat met eiser gesprekken zijn gevoerd waarin eiser is meegedeeld dat hij als herplaatsingskandidaat zou worden aangemerkt op grond van het SBK 2012 indien hem in de zwevende periode geen functie zou worden toegewezen. Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat de vraag of en de frequentie waarmee eiser intern heeft gesolliciteerd in de zwevende periode niet relevant is voor de beoordeling van het onderhavige geschil. Onbetwist is verder dat eiser verweerder in die periode zijn wens om een baan buiten defensie te vinden uitdrukkelijk kenbaar heeft gemaakt en zijn sollicitatieactiviteiten buiten defensie nimmer onder stoelen of banken heeft geschoven, integendeel.

Gelet op de hierboven beschreven gang van zaken, waarbij vaststaat dat eiser vóór afloop van de zwevende periode geen functie toegewezen heeft gekregen, heeft eiser zich naar het oordeel van de rechtbank terecht als herplaatsingskandidaat beschouwd vanaf 9 december 2013 zodat op hem het SBK 2012 van toepassing is. De stelling van verweerder dat uit de afloop van de zwevende periode niet automatisch volgt dat eiser herplaatsingskandidaat wordt gelet op het bepaalde in artikel 53c, derde lid, van het AMAR, maakt het vorenstaande niet anders nu verweerder nimmer kenbaar heeft gemaakt dat eiser behoort tot (een) specifieke categorie(ën) militair(en) als bedoeld in dat artikel. De omstandigheid dat verweerder voor het in leven (kunnen) roepen van bepaalde verplichtingen, eerst in een besluit de persoon in kwestie formeel aanduidt als herplaatsingskandidaat, maakt het vorenstaande evenmin anders, nu het in dit geval niet gaat om een verplichting, maar om een aanspraak voortvloeiend uit het SBK 2012.

Het onderdeel van het besluit waarin is gehandhaafd eiser geen stimuleringspremie toe te kennen, wordt vernietigd. Het beroep is gegrond. Verweerder zal eiser alsnog voor de aangevraagde premie in aanmerking moeten brengen.

De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1948,-. Eiser heeft zijn reiskosten niet nader gespecificeerd zodat zijn verzoek om verweerder te veroordelen in zijn reiskosten niet voor inwilliging in aanmerking komt.

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- herroept verweerders besluit van 24 december 2013 voor zover in bezwaar bestreden en bepaalt dat verweerder eiser alsnog de stimuleringspremie als bedoeld in artikel 8 van het SBK 2012. zal toekennen;

- bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem gestorte griffierecht dient te

vergoeden ten bedrage van € 165,-;

- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten vastgesteld op

€ 1948,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Allewijn, rechter, in aanwezigheid van

mr. A. Zanlier - Erkan, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

30 juli 2014.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.