Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:9400

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-08-2014
Datum publicatie
08-08-2014
Zaaknummer
C-09-462664 - HA ZA 14-376
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aansprakelijkheid van een vennoot voor de schulden van een VOF uit hoofde van twee door de VOF aangegane geldleningovereenkomsten. Het beroep op artikel 1:88 BW faalt. De hoofdelijke aansprakelijkheid van de vennoot vloeit voort uit de wet en niet uit de geldleningovereenkomsten, waarbij hij geen partij is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RO 2014/78
JONDR 2015/43

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/462664 / HA ZA 14-376

Vonnis (bij vervroeging) van 6 augustus 2014

in de zaak van

1 [A],

wonende te [woonplaats],

2. [B],

wonende te [woonplaats],

eisers,

advocaat mr. J.E.M. Lustberg te Leiden,

tegen

[Z] ,

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. P.J.L.J. Duijsens te Den Haag.

Partijen zullen hierna [A] c.s. en [Z] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de inleidende dagvaarding d.d. 14 maart 2014, met producties,

  • -

    de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring tevens conclusie van antwoord, met producties,

  • -

    het vonnis in incident van 18 juni 2014, waarbij het vrijwaringsverzoek is afgewezen en een comparitie van partijen is gelast,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 29 juli 2014, en de daarin genoemde stukken.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[Z] en de heer [C], de zoon van [A] c.s. (hierna: [A] jr.), hebben op 22 mei 2012 een overeenkomst van vennootschap onder firma getekend. Artikel 1 van die overeenkomst bepaalt dat partijen met ingang van 1 januari 2011 V.O.F. Krijgsman Dranken (hierna: de VOF) met elkaar zijn aangegaan teneinde voor gezamenlijke rekening en onder gemeenschappelijke naam een groot- en detailhandel in (non)alcoholische dranken te exploiteren. Artikel 6 van de overeenkomst bepaalt dat [A] jr. en [Z] optreden als beherende en hoofdelijk voor het geheel aansprakelijke vennoten, met terugwerkende kracht tot 1 januari 2011.

2.2.

Op 30 augustus 2012 hebben [A] jr. en [Z], in hun hoedanigheid van vertegenwoordiger van de VOF, twee separate geldleningovereenkomsten getekend. Het betreft volgens de overeenkomsten de schriftelijke formalisatie van twee reeds eerder met [A] c.s. aangegane leningen, te weten: 1.) een geldlening ter hoogte van € 26.870, met ingang van 1 januari 2011, voor de duur van drie jaren, waarbij maandelijks een bedrag van € 1.000, inclusief 4% samengestelde rente over de hoofdsom (dan wel het restant van de hoofdsom) zou worden afgelost, voor het eerst op 1 januari 2011, en 2.) een geldlening ter hoogte van € 44.167, met ingang van 6 december 2011, voor de duur van vier jaren, waarbij maandelijks een bedrag van € 1.000, inclusief 4% samengestelde rente over de hoofdsom (dan wel het restant van de hoofdsom) zou worden afgelost, voor het eerst op 1 januari 2012.

2.3.

Ten aanzien van de beide geldleningen hebben tot op heden geen aflossingen of rentebetalingen plaatsgevonden.

3 Het geschil

3.1.

[A] c.s. vordert – samengevat – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [Z] tot betaling van € 71.027, vermeerderd met rente en kosten.

3.2.

[Z] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[Z] heeft als verweer gevoerd dat zijn echtgenote bij brief van 5 mei 2014 de geldleningovereenkomsten rechtsgeldig heeft vernietigd met een beroep op artikel 1:88 BW, omdat zij niet heeft ingestemd met het door [Z] aangaan van de geldleningovereenkomsten.

4.2.

Dit verweer faalt. De geldleningen zijn immers aangegaan in naam van de VOF en niet in naam van [Z] zelf. [Z] heeft de geldleningovereenkomsten immers in zijn hoedanigheid van vertegenwoordiger van de VOF getekend en daarmee de VOF gebonden. De hoofdelijke aansprakelijkheid van vennoot [Z] voor de verplichtingen van de VOF vloeit niet voort uit de getekende geldleningovereenkomsten, maar uit de wet (artikel 18 van het Wetboek van Koophandel). Van een rechtshandeling van [Z] zelf, waarvoor het toestemmingsvereiste van artikel 1:88 BW geldt, is dan ook geen sprake.

4.3.

[Z] heeft nog aangevoerd dat in de geldleningovereenkomsten is opgenomen dat de echtgenotes van [A] jr. en [Z] deze zouden meeondertekenen, terwijl dat niet is gebeurt. De rechtbank begrijpt het verweer van [Z] aldus dat een voorwaarde voor de geldleningen, te weten medeondertekening door de echtgenotes, niet is vervuld. Zo daar al vanuit moet worden gegaan, geldt dat in dat geval de geldbedragen door [A] c.s. onverschuldigd zijn betaald en door de VOF dienen te worden terugbetaald. Ook in dat geval rust op [Z] echter de hoofdelijke aansprakelijkheid voor die terugbetalingsverplichting.

4.4.

Voorts heeft [Z] als verweer gevoerd dat de geleende geldbedragen zijn gestort op de privérekening van [A] c.s. en niet op de rekening van de VOF. [Z] stelt dat [A] jr. de gelden uitsluitend heeft aangewend voor zijn eigen slijterij en dat de gelden niet ten goede zijn gekomen aan de VOF. [A] c.s. hebben deze gang van zaken ter zitting bestreden.

4.5.

Dit verweer verwerpt de rechtbank. [Z] heeft de geldleningsovereenkomst namens de VOF getekend nadat de bedragen reeds door [A] c.s. waren overgemaakt naar een rekening ten name van [A] jr. Gesteld noch gebleken is dat [Z] daartegen – voorafgaand aan deze procedure – enig bezwaar heeft geuit. Daaruit moet worden afgeleid dat [Z] ofwel bij het aangaan van de geldleningen dan wel nadien namens de VOF expliciet of impliciet heeft aanvaard dat de overmaking van de door de VOF geleende sommen op de rekening van [A] jr. bevrijdend was. Daardoor kan in het midden blijven of en in hoeverre de op de bankrekening van [A] jr. betaalde bedragen werkelijk ten behoeve van de VOF zijn besteed.

4.6.

Het voorgaande leidt ertoe dat de rechtbank de vordering van [A] c.s. tot terugbetaling van de geldleningen, vermeerderd met de verschuldigde contractuele rente zal toewijzen.

4.7.

De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten zal – mede gelet op de door aanbevelingen van het Rapport BGK-integraal – worden afgewezen. [A] c.s. heeft immers nagelaten een omschrijving te geven van de voor zijn rekening verrichte buitengerechtelijke werkzaamheden. De kosten waarvan [A] c.s. vergoeding vordert, moeten dan ook worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling wordt geacht een vergoeding in te sluiten.

4.8.

[A] c.s. vordert [Z] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in art. 706 Rv toewijsbaar. De beslagkosten worden begroot op € 604,94 voor verschotten en € 894 voor salaris advocaat (1 rekest x € 894).

4.9.

[Z] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [A] c.s. worden begroot op:

- dagvaarding € 93,80

- griffierecht 868

- salaris advocaat 1.788 (2,0 punten × tarief € 894)

Totaal € 2.749,80

4.10.

De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt [Z] om aan [A] c.s. te betalen een bedrag van € 71.027, vermeerderd met de contractuele rente van 4% per jaar over een bedrag van € 26.860 met ingang van 1 januari 2011 en over een bedrag van € 44.167 met ingang van 1 januari 2012, in beide gevallen tot de dag van volledige betaling,

5.2.

veroordeelt [Z] in de beslagkosten, tot op heden begroot op € 1.498,94, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na heden tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt [Z] in de proceskosten, aan de zijde van [A] c.s. tot op heden begroot op € 2.749,80, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na heden tot aan de dag van volledige betaling,

5.4.

veroordeelt [Z] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [Z] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68 aan salaris advocaat, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over een bedrag van € 131 met ingang van de vijftiende dag na heden en over een bedrag van € 68 met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis, in beide gevallen tot aan de dag van volledige betaling,

5.5.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.L.M. Luiten en bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op 6 augustus 2014.