Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:9323

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
28-07-2014
Datum publicatie
10-04-2017
Zaaknummer
C/09/467379 / FA RK 14-4303
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Cross-border

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige Kamer

Rekestnummer: FA RK 14-4303

Zaaknummer: C/09/467379

Datum beschikking: 28 juli 2014

Gezagsuitoefening

Beschikking op het op 6 juni 2014 ingekomen verzoek van:

[verzoekster]

de moeder,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. A.F. Braun te ‘s-Gravenhage.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[belanghebbende] ,

de vader,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. M.C. Reichmann te Leiden.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

  • -

    het verzoekschrift;

  • -

    het verweerschrift;

  • -

    van de zijde van de moeder op 27 juni 2014 overgelegde stukken;

  • -

    de brief d.d. 18 juli 2014, met bijlage, van de zijde van de vader;

  • -

    het faxbericht d.d. 22 juli 2014 van de zijde van de moeder

Op 30 juni 2014 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: partijen met hun advocaten, de moeder vergezeld van een tolk in de Engelse taal, mevrouw [naam] . Van de zijde van de moeder zijn pleitnotities en een ander stuk overgelegd.

Tijdens voormelde zitting is partijen de mogelijkheid van cross-border mediation, gefaciliteerd door het Mediation Bureau van het Centrum Internationale Kinderontvoering, aangeboden, met als doel tot een minnelijke regeling te komen. Partijen hebben van deze gelegenheid gebruik gemaakt.

Op 15 juli 2014 heeft het Mediation Bureau de rechtbank bericht dat partijen op 12 en 13 juli 2014 gesprekken hebben gevoerd in het kader van crossborder mediation en dat zij gekomen zijn tot een zogenaamde spiegelovereenkomst. Voorts heeft het Mediation Bureau de rechtbank bericht dat partijen tezamen met hun advocaten zullen bekijken of zij binnen een week tot nadere afspraken kunnen komen en een overeenkomst kunnen ondertekenen.

Op 18 juli 2014 is van de zijde van de vader een door beide partijen ondertekende mirror agreement (spiegelovereenkomst) overgelegd, waarin partijen onderlinge regelingen hebben getroffen voor beide mogelijke uitkomsten van de onderhavige procedure (minderjarigen blijven in Nederland of minderjarigen verhuizen naar Engeland). Van de zijde van de moeder is, mede namens de vader, verzocht uitspraak te doen in de procedure en de overgelegde overeenkomst te bekrachtigen.

Van de zijde van de vader is op 22 juli 2014 verzocht een beslissing te geven ter zake de hoofdverblijfplaats en de inhoud van de spiegelovereenkomst op te nemen in de beschikking.

Verzoek en verweer

De moeder heeft in het kader van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) verzocht

haar - nu de vader zijn toestemming weigert - toestemming te verlenen om met na te noemen minderjarigen te verhuizen naar Engeland, althans [plaatsnaam] , althans [plaatsnaam] ,

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De vader heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Feiten

- Partijen zijn gehuwd op [huwelijksdatum] te [huwelijksplaats] , Engeland.

- Uit dit huwelijk zijn de volgende thans nog minderjarige kinderen geboren:

- [minderjarige] , op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , Engeland en

- [minderjarige] , op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , Engeland.

- Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over de minderjarigen uit.

- Partijen en de minderjarigen zijn Brits onderdaan.

- De vader heeft de echtelijke woning in juni 2013 verlaten. De minderjarigen verblijven sindsdien bij de moeder in de echtelijke woning. Sindsdien ziet de vader de minderjarigen gedurende de weekenden van vrijdagavond tot zondag 12.00 uur. Doordeweeks zijn de minderjarigen bij de moeder, van wie zij thuis onderwijs krijgen.

- De moeder heeft op 8 november 2013 bij [rechtbank] Court in Engeland een echtscheidingsverzoek ingediend; op dit verzoek is nog niet definitief beslist.

Beoordeling

(hoofdregel Vo-Brussel IIbis/HKBV ‘61/HKBV ’96: bevoegd is de rechter van de gewone verblijfplaats van de minderjarige)

Nu de gewone verblijfplaats van de minderjarigen in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek van de moeder.

De rechtbank heeft ter terechtzitting een vergelijk tussen partijen beproefd.

De rechtbank zal allereerst de stellingen van partijen verkort weergeven en daarna overgaan tot een beoordeling van het verzoek.

De noodzaak om te verhuizen en vrijheid om een nieuw leven in te richten

De moeder stelt dat zij omwille van de carrière van de vader en daarmee een beter financieel perspectief voor het gezin, in 2008 vanuit Engeland naar Nederland is verhuisd. Tijdens haar verblijf in Nederland heeft de moeder steeds terugverlangd naar Engeland. De moeder voelt zich, nu partijen niet meer samen met de kinderen een gezin vormen, ontredderd en diep ongelukkig in Nederland, mede omdat zij geen of nauwelijks een sociaal netwerk in Nederland heeft. Dit heeft ook zijn weerslag op de kinderen. De moeder wil, hoe dan ook, de hoofdverzorger van de kinderen blijven. Zij denkt in Engeland een betere moeder voor de minderjarigen te zullen zijn.

Volgens de moeder is er ook een financiële noodzaak tot verhuizing. De moeder stelt in Nederland geen professioneel netwerk te hebben en daardoor (professioneel) toekomstperspectief in Nederland te missen. In Engeland zijn er voor haar betere carrièremogelijkheden dan in Nederland. De moeder verzorgt cursussen op het gebied van mindfulness voor aankomende ouders. Volgens de moeder is de markt daarvoor groter in Engeland, en vormt het feit dat zij de cursussen in het Engels geeft (haar Nederlands is ontoereikend) een belemmering voor verdere uitbreiding van haar activiteiten in Nederland. In Nederland zal zij niet in staat zijn door middel van werk in haar levensonderhoud te voorzien. Bovendien, zo stelt de moeder, is het belastingvoordeel voor alleenstaande ouders in Engeland aanzienlijk groter dan in Nederland en is naschoolse opvang daar minder duur.

De vader betwist dat de moeder in Nederland geen netwerk heeft. Volgens de vader is het sociale netwerk en het professionele netwerk van de moeder in Nederland zeer uitgebreid, en kan zij dat netwerk, wanneer de kinderen overdag naar school gaan, verder uitbouwen. De vader ziet geen enkele noodzaak voor de moeder om te verhuizen. Volgens de vader houdt de moeder geen rekening met de belangen van hem en de kinderen en is de wens van de moeder om naar Engeland te verhuizen uitsluitend gebaseerd op emotionele overwegingen, ingegeven door de op handen zijnde echtscheiding.

Scholing kinderen

De vrouw voert, verkort weergegeven, het volgende aan. De kinderen worden thans door de moeder thuis in de Engelse taal onderwezen. Wanneer de kinderen naar Engeland verhuizen, is voor hun de mogelijkheid van voortgezet thuisonderwijs in Engeland gemakkelijker dan in Nederland. Indien partijen er voor kiezen om de kinderen te laten switchen van thuis- naar schoolonderwijs is het in Engeland vrij eenvoudig om, indien schoolonderwijs onverhoopt toch niet bevalt, weer thuisonderwijs te gaan geven. Dit is in Nederland onmogelijk, waardoor de onderwijsmogelijkheden voor de kinderen in Engeland een beter perspectief bieden dan de mogelijkheden in Nederland. Verder stelt de moeder dat als de minderjarigen naar regulier onderwijs gaan, hetgeen waarschijnlijk vanuit financieel oogpunt noodzakelijk zal zijn, het voor de minderjarigen beter (makkelijker) zal zijn om dit in Engeland te doen dan in Nederland, omdat de kinderen de Nederlandse taal niet goed beheersen.

De vader stelt zich op het standpunt dat het thuisonderwijs tussen partijen ter discussie staat en dat het niet in zijn bedoeling ligt om - indien eenmaal de switch van thuis- naar schoolonderwijs is gemaakt - terug te gaan naar thuisonderwijs. In [woonplaats] is volgens de vader een montessorischool die bijzonder goed aansluit bij de normen van partijen en waarin de kinderen gemakkelijk kunnen instromen. De vader bestrijdt dat de kinderen op een Engelse school beter af zijn dan op een Nederlandse school. Volgens de vader spreken de kinderen al redelijk goed Nederlands en zullen zij een eventuele taalachterstand, gelet op hun zeer jonge leeftijd, snel en met begeleiding van de school, kunnen inhalen.

Goede voorbereiding van de verhuizing

De moeder stelt de verhuizing goed te hebben voorbereid. Zij wil met de minderjarigen in [plaatsnaam] gaan wonen, waar haar zus woont. Daar zijn meerdere goede scholen. Verder ligt [plaatsnaam] vlakbij het [werkgever vader] kantoor in [plaatsnaam] . Het is volgens de moeder goed mogelijk dat de vader zijn werkzaamheden voor [werkgever vader] daar voortzet

De vader betwist dat de moeder de verhuizing naar Engeland goed heeft voorbereid. Hij stelt dat de moeder de consequenties voor partijen en de kinderen niet overziet. De stellingen van de moeder met betrekking tot de mogelijkheden van verkrijging van woonruimte in [plaatsnaam] , alsook die voor bijscholing van de moeder, scholing voor de kinderen en de bereikbaarheid van [plaatsnaam] zijn volgens de vader niet voldoende onderbouwd. Verder betwist hij uitdrukkelijk dat het voor hem mogelijk zou zijn zijn werkzaamheden voort te zetten bij een kantoor van [werkgever vader] in [plaatsnaam] . Het dienstverband van de bij [werkgever vader] loopt tot mei 2020.

Contacten tussen de vader en de kinderen na verhuizing

De moeder heeft verschillende voorstellen voor een contactregeling gedaan uitgaande van een verhuizing; zij heeft een voorstel gedaan voor zowel het geval dat de vader verhuist naar Engeland als voor het geval hij in Nederland blijft wonen.

De vader heeft aangevoerd dat het contact dat hij zal hebben met de kinderen bij verhuizing door de moeder naar Engeland nog maar een fractie zal zijn van het huidige contact. Hij zal in de verzorging en opvoeding van de kinderen in het geheel geen ondersteunende rol meer kunnen spelen. Hij acht dit niet in het belang van de kinderen, te meer daar hij sinds de geboorte van de kinderen juist een groot deel van de opvoeding en verzorging van de kinderen voor zijn rekening nam. Skype en telefonisch contact staat niet in verhouding tot fysiek contact en dicht bij elkaar wonen, te meer gelet op de leeftijd van de kinderen. Volgens de vader heeft de moeder weliswaar de vrijheid om haar leven opnieuw in te richten, maar dient zij daarbij het belang van de kinderen en de vader om contact met elkaar te kunnen houden en de gelijkwaardigheid tussen de ouders ook na de scheiding te waarborgen. Daarvan is volgens de vader bij een verhuizing door de moeder naar Engeland geen sprake.

Partijen verschillen daarnaast van mening over de kosten die een verhuizing van de moeder en de kinderen naar Engeland en de daarmee gepaard gaande stijging van de kosten in het kader van de uitvoering van een zorgregeling met zich zou brengen.

Overleg tussen de ouders

Partijen verschillen van mening over de kwaliteit van hun onderling overleg.

De moeder stelt dat partijen goed in staat zijn om met elkaar over de verzorging en opvoeding van de kinderen te communiceren.

Naar de mening van de vader is de moeder slechts bezig met haar verhuizing naar Engeland en is het onmogelijk om welke andere optie dan ook met haar te bespreken. Er vindt slechts over basale dingen overleg plaats, echt belangrijke zaken blijven tussen partijen onbesproken. De vader vindt de moeder op het moment zeer instabiel; zij bijt zich vast in haar opvatting dat het leven voor haar slechts verbetert wanneer zij naar Engeland verhuist en lijkt van de vader en het verdriet van de echtscheiding te willen wegvluchten.

Scenario in geval geen vervangende toestemming wordt verleend

De moeder ziet haar leven zeer somber in wanneer zij niet met de kinderen naar Engeland mag verhuizen. In dat geval zal zij bij de kinderen in Nederland blijven wonen.

De vader heeft naar voren gebracht dat het niet de bedoeling was van partijen om zich slechts voor een tijdelijke, korte periode in Nederland te vestigen, en dat het leven van partijen met het oog daarop in Nederland vorm is gegeven. De vader stelt dat partijen nog midden in de echtscheidingssituatie zitten en dat zij nog afspraken moeten maken over de afwikkeling van hun huwelijk. De wens van de moeder om naar Engeland te willen verhuizen is volgens hem ondoordacht en onvoorbereid en gebaseerd op verkeerde gronden. Hoewel de moeder stelt zich de afgelopen maanden volledig te hebben ingezet om haar mogelijkheden te onderzoeken, heeft zij geen enkel stuk in het geding gebracht waar dat uit blijkt. In Nederland is de moeder een mooie onderneming met potentie gestart, ze heeft een boek geschreven en spreekt dusdanig goed Nederlands dat zij vertaalwerkzaamheden verricht. De moeder heeft nimmer te kennen gegeven dat zij zich in Nederland ongelukkig voelde. Na een proefperiode van een jaar hebben partijen zich definitief in Nederland gevestigd.

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank stelt voorop dat zij op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) een beslissing dient te nemen die haar in het belang van de kinderen wenselijk voorkomt. Daarnaast dient de rechtbank volgens geldende jurisprudentie bij geschillen in de gezamenlijke gezagsuitoefening alle omstandigheden van het geval in acht te nemen, hetgeen er in een voorkomend geval toe kan leiden dat andere belangen dan het belang van het kind zwaarder wegen, hoezeer ook het belang van het kind een overweging van de eerste orde dient te zijn.

De rechtbank overweegt allereerst dat voldoende duidelijk is dat de moeder zich op dit moment in Nederland ongelukkig voelt en dat zij de sterke wens heeft om terug te keren naar Engeland. Dat er voor de moeder een belang is om naar Engeland te verhuizen neemt de rechtbank dan ook aan. Gelet op de inhoud van het dossier, het verhandelde ter terechtzitting en mede gelet op de gemotiveerde betwisting door de vader, is de rechtbank echter van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat de moeder ten gevolge van haar verblijf in Nederland dusdanig psychisch klem raakt, dat dit een (schadelijke) weerslag heeft op de minderjarigen dan wel dat geconcludeerd moet worden dat er in die zin sprake is van een noodzaak van de zijde van de moeder tot verhuizing.

De rechtbank acht verder niet voldoende aannemelijk geworden dat de leefomstandigheden of de opvoedingssituatie van de minderjarigen in Engeland beter zijn dan in Nederland of dat de belangen van de minderjarigen met een voortgezet verblijf in Nederland zullen worden geschaad. De minderjarigen zullen waarschijnlijk een overstap moeten maken naar regulier onderwijs. Dat zal zowel in Nederland als in Engeland een omschakeling zijn. De rechtbank acht aannemelijk dat er zowel in Nederland als in Engeland geschikte scholen voor de minderjarigen zullen zijn. Tegenover het feit dat de minderjarigen niet in het Nederlands les hebben gehad staat dat de minderjarigen wel aan hun leven in Nederland zijn gewend en dat niet gebleken is dat zij niet in staat zouden zijn om een eventuele taalachterstand in te halen.

Ten aanzien van de door de moeder gestelde financiële noodzaak overweegt de rechtbank dat, alhoewel zij het aannemelijk acht dat het voor de moeder in Engeland gemakkelijker zal zijn om haar werkzaamheden uit te breiden, de moeder onvoldoende heeft onderbouwd dat zij in Nederland geen of onvoldoende kansen heeft om haar werkzaamheden uit te breiden en nader in haar levensonderhoud te voorzien. De vrouw is voordat zij met de cursussen mindfulness is begonnen jaren werkzaam geweest als ingenieur. Niet is gesteld of gebleken dat zij op dat vlak niet aan werk zou kunnen komen. Voor wat betreft de activiteiten op het vlak van mindfulness, is gebleken dat de moeder in Nederland erin is geslaagd om cursussen op te zetten, welke – zo heeft de vader onweersproken gesteld – veelal vol zitten. Onvoldoende is gebleken dat de moeder, wanneer zij geen tijd meer hoeft te besteden aan het geven van thuisonderwijs niet in staat zal zijn op dit vlak haar werk uit te breiden.

Nu de echtscheiding van partijen nog niet is afgewikkeld, valt ook overigens nog niet te beoordelen of er voor de moeder een absolute noodzaak bestaat om financieel onafhankelijk, althans minder afhankelijk van de man te zijn.

De rechtbank overweegt verder dat aan de kant van de van de vader vaststaat dat er een noodzaak is tot het genereren van inkomen. De vader heeft een vaste baan in Nederland tot in ieder geval 2020 hetgeen hem (en het gezin) financiële zekerheid biedt. Daarnaast heeft de vader onweersproken gesteld dat de kans dat hij een baan zal kunnen krijgen bij [werkgever vader] in [plaatsnaam] zeer klein is, nu dat slecht een klein kantoor is en er momenteel geen vacatures zijn.

Nu de vader in Nederland blijft wonen, zal - wanneer de minderjarigen naar Engeland zouden verhuizen - het directe gevolg zijn dat de contacten tussen de vader en de minderjarigen, gelet op de reisafstand, veel beperkter zullen zijn dan thans het geval is. De contacten zullen vooral via Skype en telefonisch plaatsvinden. Aan zijn ouderschap zal de vader niet meer dezelfde invulling kunnen geven als nu het geval is. De minderjarigen zullen de vader niet meer op een min of meer gelijke en reguliere basis kunnen bezoeken. De vader heeft in dit verband gesteld dat het voor hem onmogelijk is om, zoals de moeder heeft voorgesteld, zich in Engeland te vestigen en van daaruit zijn werkzaamheden in Nederland voort te zetten.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op het voorgaande, het verzoek van de moeder tot het verkrijgen van vervangende toestemming voor verhuizing naar Engeland, dient te worden afgewezen. De rechtbank heeft weliswaar begrip voor de wens van de moeder en ziet, nu haar leefomstandigheden door de op handen zijnde echtscheiding zullen veranderen, haar belang bij een beslissing waarbij zij mag terug keren naar het land waar haar wortels liggen en waarvan zij de taal het beste spreekt. Dit belang van de moeder weegt echter naar het oordeel van de rechtbank niet op tegen het belang van de vader en de minderjarigen op een kwalitatief en kwantitatief goed contact met elkaar, hetgeen door een verhuizing naar Engeland zou verminderen. Al het overig door de moeder gestelde doet – zo dit al is komen vast te staan – daar niet aan af en is voor de beslissing op het verzoek van de moeder niet doorslaggevend.

Settlement-agreement (spiegelovereenkomst)

De raadslieden van partijen hebben de rechtbank onder overlegging van de tussen partijen getroffen en op 17 juli 2014 door beide partijen ondertekende overeenkomst (settlement-agreement) bericht dat zij deze overeenkomst in een beschikking bekrachtigd willen zien.

De rechtbank beslist hierop als volgt.

Beslissing

De rechtbank:

wijst het verzoek van de moeder af;

bepaalt dat de tussen partijen gemaakte afspraken, neergelegd in de (in fotokopie) aan deze beschikking gehechte overeenkomst (settlement-agreement), deel uitmaken van deze beschikking en verklaart deze, voor zover het de getroffen onderlinge regelingen omtrent omgang, informatie- en consultatieNB met een regeling van kinderalimentatie wordt bedoeld de afspraak dat de ene ouder de andere ouder een (maandelijkse) bijdrage betaalt ten behoeve het kind, niet de afspraak dat de ouders ieder (een bepaald percentage of een bepaald bedrag) zullen bijdragen in de kosten van het kind o.i.d. betreft, uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.C. Olland, A.M.A. Keulen en

S.M. Westerhuis-Evers, kinderrechters, in tegenwoordigheid van V. van den Hoed-Koreneef als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 juli 2014.