Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:9315

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
01-07-2014
Datum publicatie
31-07-2014
Zaaknummer
AWB-12_4298
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 6:21 Awb

Het beroep op dwaling is gebaseerd op de verwachting van eiser omtrent het verlenen van een bouwbestemming aan de percelen door de gemeente; derhalve op een - onzekere - toekomstige gebeurtenis. Een beroep op dwaling kan echter slechs slagen, indien deze betrekking heeft op vaststaande feiten. Het niet juist inschatten van een toekomstige onzekere gebeurtenis kan echter geen grond voor dwaling opleveren.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:21, geldigheid: 2014-07-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-1806
V-N Vandaag 2014/1578
V-N 2014/50.24.3

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummers: SGR 12/4298, SGR 12/4299 en SGR 12/4304

uitspraak van de meervoudige kamer van 1 juli 2014 in de zaken tussen

[X], wonende te [Z], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Belastingen, kantoor [te P], verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2001 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) (aanslagnummer [aanslagnummer]) en voor de jaren 2002 en 2003 aanslagen IB/PVV (aanslagnummers [aanslagnummer] en [aanslagnummer]) opgelegd. Bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2001 is een vergrijpboete opgelegd en bij de aanslag IB/PVV 2002 is een verzuimboete opgelegd. Bij alle aanslagen is steeds heffingsrente in rekening gebracht.

Tegen de uitspraken op bezwaar was beroep ingesteld. De beroepen waren geregistreerd onder de nummers Awb 07/6136 (navorderingsaanslag IB/PVV 2001), Awb 07/6138 (aanslag IB/PVV 2002) en Awb 07/6139 (aanslag IB/PVV 2003).

De mondelinge handeling van de beroepen was bepaald op 20 mei 2009 om 9:30 uur.

Voorafgaand aan de zitting, op 19 mei 2009, hebben partijen een vaststellingsovereenkomst gesloten. Bij faxbericht van 20 mei 2009, ontvangen door de rechtbank op dezelfde dag om 9:12 uur, zijn de beroepen ingetrokken. Bij brieven van 4 juni 2009 is door de rechtbank aan partijen bevestigd dat de beroepen zijn ingetrokken.

Bij brief van 5 mei 2011 is namens eiser aan de rechtbank verzocht de bij brief van 20 mei 2009 ingetrokken beroepen wegens dwaling ongedaan te maken. Bij brief van 20 juni 2011 heeft de rechtbank het verzoek van eiser afgewezen.

Eiser heeft tegen de afwijzing hoger beroep ingesteld. Bij uitspraak van het gerechtshof ’s-Gravenhage van 14 mei 2012, BK/IC-11/00533, is het hoger beroep van eiser niet-ontvankelijk verklaard en is bepaald dat de rechtbank het oordeel over het verzoek van eiser om de intrekking van de beroepen ongedaan te maken, had moeten neerleggen in een uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht. Vervolgens zijn de zaken naar de rechtbank teruggewezen voor verdere behandeling.

De zaken zijn daarna bij de rechtbank opnieuw geregistreerd onder nummers SGR 12/4298 (navorderingsaanslag IB/PVV 2001), SGR 12/4299 (aanslag IB/PVV 2002) en SGR 12/4304 (aanslag IB/PVV 2003).

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juni 2014.

Eiser is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [A] en [B].

Ter zitting zijn tevens behandeld de beroepen van de echtgenote van eiser, [Y].

Overwegingen

Feiten

1.

Eiser heeft op 19 mei 2009 met verweerder een vaststellingovereenkomst gesloten onder meer ter beëindiging van zijn geschilpunten over de onderhavige aanslagen.

2.

Bij faxbericht van 20 mei 2009 zijn de beroepen namens eiser ingetrokken. In dat bericht is het volgende opgenomen:

“Zoals telefonisch aangekondigd, delen wij u hierbij mede dat cliënten, [X] en [Y], [C] B.V., [D] B.V. en [E] B.V., als gevolg van een met de Belastingdienst gesloten compromis de beroepsprocedures in de in de bijlage vermelde zaken intrekken.

Dat betekent dat de mondelinge behandeling van deze beroepschriften heden om 9.30 uur niet behoeft plaats te vinden.”.

In de bijlage zijn onder de naam van eiser de registratienummers van de beroepen Awb 07/6136, Awb 07/6138 en Awb 07/6139 vermeld.

3.

Bij brieven van 4 juni 2009 heeft de rechtbank de intrekking van de beroepen aan eiser en aan verweerder bevestigd.

Geschil

4.

Aan de orde is of de intrekking van de beroepen wegens dwaling ongedaan kan worden gemaakt.

5.

Eiser stelt dat partijen verschoonbaar hebben gedwaald. Bij het sluiten van de vaststellingovereenkomst zijn verweerder en eiser ervan uitgegaan dat de in de vaststellingsovereenkomst bedoelde percelen een bouwbestemming zouden krijgen en daardoor een aanzienlijke waarde zouden vertegenwoordigen. De bouwbestemming is - tegen alle verwachtingen in - niet aan de percelen toegekend. Als eiser dit had geweten, zou hij deze overeenkomst niet hebben gesloten en de beroepen niet hebben ingetrokken. Eiser neemt het standpunt in dat deze omstandigheid niet aan hem kan worden toegerekend en verzoekt de intrekking van de beroepen wegens dwaling ongedaan te maken.

6.

Verweerder neemt het standpunt in dat de beroepen rechtsgeldig zijn ingetrokken omdat er geen sprake is van dwaling.

7.

Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.


Beoordeling van het geschil

Verzoek om uitstel
8. Na voormelde uitspraak van gerechtshof ’s-Gravenhage is bij brief van
24 mei 2012 namens eiser aan de rechtbank verzocht om alvorens uitspraak te doen, een onderzoek ter zitting te houden. Vervolgens werd door eiser op 28 juni 2012 verzocht om een conclusie van repliek te mogen indienen. Door de rechtbank werd daarvoor op 2 augustus 2012 de mogelijkheid geboden tot 24 augustus 2012. Daags voor het verlopen van de termijn werd door eiser gevraagd om verlenging van de termijn tot 15 oktober 2012. Dat verzoek werd niet ingewilligd. Nadat bij partijen op 26 september 2012 navraag was gedaan naar verhinderdata en nogmaals op 10 december 2012 en 21 januari 2013, bleek
25 april 2013 geschikt als zittingsdatum, waarvoor partijen op 18 maart 2013 werden uitgenodigd. Die zitting werd op verzoek van eiser van 25 maart 2013, in verband met zijn gezondheidstoestand uitgesteld. In reactie op een telefonische vraag van de rechtbank op 17 mei 2013, is namens eiser bij brief van 22 mei 2013 gevraagd rekening te houden met zijn medische situatie en de zitting later in het jaar, “bijvoorbeeld in oktober 2013”, te houden. Gevraagd naar de mogelijkheid van een zitting op 20 februari 2014 heeft de toenmalige gemachtigde bij brief van 7 januari 2014 laten weten dat eiser niet aanspreekbaar is over een mogelijke zitting omdat hij opnieuw geconfronteerd is met een ziekenhuisopname. Tevens werd verzocht de behandeling van de beroepen nog enige tijd aan te houden. De rechtbank heeft aan dat verzoek gevolg gegeven en vervolgens een zitting gepland op 20 mei 2014. Die geplande zitting is eveneens op eisers verzoek uitgesteld. Daarop is eiser uitgenodigd voor de zitting van 3 juni 2014.

Eiser heeft daags voor de zitting, te weten op 2 juni 2014, telefonisch verzocht de behandeling van de beroepen aan te houden omdat eiser op 30 mei 2014 in het ziekenhuis is opgenomen. De rechtbank heeft in het verzoek, afwegend tegen het algemene procesbelang van een spoedig afgewikkelde procedure, onvoldoende grond gezien om het in te willigen. Gelet op de kennelijk broze gezondheidstoestand van eiser en de omstandigheid dat de behandeling van de beroepen op verzoek van eiser lange tijd is aangehouden en mede rekening houdend met het tijdsverloop sinds de uitspraak van het gerechtshof van
14 mei 2012, is de rechtbank van oordeel dat eiser bij ontstentenis, had kunnen zorgdragen voor vertegenwoordiging. Voor verder uitstel ziet de rechtbank geen aanleiding.

Intrekking beroepen

9. Ingevolge artikel 6:21, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan het beroep schriftelijk worden ingetrokken.

10.

De rechtbank is van oordeel dat de beroepen, blijkens de inhoud en strekking van het faxbericht van 20 mei 2009 (zie onder 2), uitdrukkelijk en ondubbelzinnig zijn ingetrokken (vergelijk Hoge Raad 6 januari 2012, nr. 11/01476, ECLI:NL:HR:2012:BV0277).

11.

Ingevolge vaste jurisprudentie kan een bevoegd gedane intrekking na afloop van de beroepstermijn niet meer ongedaan worden gemaakt, tenzij sprake is van aan de betrokkene niet toe te rekenen omstandigheden waardoor hij in een situatie van dwaling verkeerde (vergelijk CRvB 10 januari 2001, ECLI:NL:CRVB:2001:ZB9147 en RvS 6 juli 2005, ECLI:NL:ABRVS:2005:AT8761).

12.

Naar het oordeel van de rechtbank kan eisers beroep op dwaling niet slagen. De rechtbank overweegt hierbij dat eisers beroep op dwaling is gebaseerd op de verwachting van eiser omtrent het verlenen van een bouwbestemming aan de percelen door de gemeente [F]; derhalve gebaseerd op een – onzekere – toekomstige gebeurtenis. Een beroep op dwaling kan echter slechts slagen, indien deze betrekking heeft op vaststaande feiten. Het niet juist inschatten van een toekomstige onzekere gebeurtenis kan echter geen grond voor dwaling opleveren.

13.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat niet is gebleken van aan eiser niet toe te rekenen omstandigheden. Hierdoor komt eiser geen beroep op dwaling toe. Mitsdien zijn de onderhavige beroepen rechtsgeldig ingetrokken.


14. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, dienen de beroepen niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Proceskosten

15.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C.H.M. Lips, voorzitter, mr. T.A. de Hek en mr. J.W. van den Berge, leden, in aanwezigheid van S. Kedar, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2014.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1.

bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2.

het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep