Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:9309

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-05-2014
Datum publicatie
29-07-2014
Zaaknummer
462821 KG ZA 14-369
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Deurwaarders kort geding, waarbij twee stichtingen als eisers gelden en de Staat als gedaagde. De Staat heeft volgens de stichtingen dwangsommen verbeurd, omdat de Staat in een bestuursrechtelijke procedure tussen partijen weliswaar tijdig een nieuw besluit heeft genomen zoals door de rechter opgedragen, op straffe van een dwangsom, maar niet met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen. De vraag die door de deurwaarder wordt voorgelegd is of de door stichtingen aangewezen beslagobjecten vatbaar zijn voor beslag of dat deze vallen onder het verbod van artikel 436 Rv (goederen bestemd voor de openbare dienst). Aan de beantwoording van die vraag wordt echter niet toegekomen. De Staat wordt namelijk gevolgd in zijn stelling dat er geen dwangsommen zijn verbeurd. De verbeuring van de dwangsom is namelijk alleen gekoppeld aan de veroordeling van de Staat om binnen een bepaalde termijn een nieuw besluit te nemen. Of de Staat inhoudelijk gezien aan de opdracht in de uitspraak heeft voldaan (om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen) is volgens de voorzieningenrechter voor de stichtingen weliswaar zeer relevant, maar dit speelt geen rol bij de beantwoording van de vraag of binnen de gestelde termijn een nieuw besluit is genomen. De vordering in reconventie van de Staat wordt derhalve toegewezen en de stichtingen wordt verboden om de dwangsommen te executeren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2014/114 met annotatie van L. Boerema
AA20140643 met annotatie van L.J.A. Damen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team Handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/462821 / KG ZA 14-369

Vonnis in kort geding van 9 mei 2014

in de zaak van

1 de stichting Stichting Baanstee Noord-Nee!,

gevestigd te Middelie, gemeente Zeevang,

2. de stichting Stichting Behoud Waterland,

gevestigd te Broek in Waterland, gemeente Waterland,

eiseressen in conventie,

verweersters in reconventie,

advocaat mr. R. Vos te Haarlem,

tegen:

de Staat der Nederlanden,

(Ministerie van Economische Zaken),

zetelende te Den Haag,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. J.M.L. van Duin te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de stichtingen’ en ‘de Staat’.

1 Het procesverloop

Op 26 maart 2014 heeft [gerechtsdeurwaarder], gerechtsdeurwaarder, gevestigd te Amstelveen (hierna: [gerechtsdeurwaarder]), zich bij de voorzieningenrechter vervoegd met een door hem opgemaakt proces-verbaal van diezelfde datum teneinde in kort geding tussen partijen te beslissen, zoals bedoeld in artikel 438, vierde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). De voorzieningenrechter heeft vervolgens 25 april 2014 als datum voor een mondelinge behandeling bepaald. Partijen zijn voor die zitting opgeroepen. De zaak is op die datum behandeld in aanwezigheid van partijen, hun advocaten en [gerechtsdeurwaarder]. Vonnis is bepaald op heden.

2 De feiten in conventie en in reconventie

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 25 april 2014 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

Tussen partijen is een procedure aanhangig betreffende de bezwaren van de stichtingen tegen het (primaire) besluit van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 5 januari 2010 (hierna: het besluit van 5 januari 2010) om aan de gemeente Purmerend ontheffing te verlenen voor het beschadigen, vernielen of verstoren van de voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen van de bittervoorn in het gebied Baanstee-Noord, waarbij is bepaald dat voor de steenuil, kerkuil en rugstreeppad geen ontheffing nodig is. Het bezwaar van de stichtingen daartegen is door de staatssecretaris van Economische Zaken (hierna: de staatssecretaris) bij besluit van 31 mei 2010 niet-ontvankelijk verklaard.

2.2.

Nadien zijn procedures van bezwaar en beroep gevoerd en heeft de staatssecretaris in een nieuw besluit het bezwaar van de stichtingen deels niet-ontvankelijk verklaard en voor het overige ongegrond. In het door de staatssecretaris ingestelde hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) op 15 februari 2012 een tussenuitspraak gedaan. Als gevolg daarvan heeft de staatssecretaris op 29 maart 2012 een nieuwe beslissing op het bezwaar genomen (hierna: het besluit van 29 maart 2012). Hierbij is het besluit van 5 januari 2010 gehandhaafd en is het bezwaar van de stichtingen ongegrond verklaard.

2.3.

De Afdeling heeft in de einduitspraak van 11 juli 2012 (hierna: de uitspraak van 11 juli 2012 van de Afdeling) het beroep van de stichtingen tegen het besluit van 29 maart 2012 gegrond verklaard. Hiertoe heeft de Afdeling onder meer overwogen:

“2.6. (…) Door zich op het standpunt te stellen dat, gezien de maatregelen, die dezelfde zijn als genoemd in het besluit van 5 januari 2010, de vaste rust- en verblijfplaatsen van de steenuil en de kerkuil niet zullen worden verstoord door de werkzaamheden en dat derhalve daarvoor geen ontheffing is vereist, heeft de staatssecretaris niet met inachtneming van het overwogene in de tussenuitspraak uitvoering gegeven aan de door de Afdeling geformuleerde opdracht om de aanvraag voor ontheffing voor wat betreft de steenuil en de kerkuil te toetsen aan de in artikel 75 van de Ffw (voorzieningenrechter: Flora- en faunawet) gestelde vereisten. (…)

2.6.1.

Het beroep tegen het besluit van 29 maart 2012 is gegrond. Dat besluit dient te worden vernietigd (…). De Afdeling zal de staatsecretaris opdragen binnen tien weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar van de stichtingen te nemen met inachtneming van hetgeen in de tussenuitspraak en deze uitspraak is overwogen. De Afdeling ziet aanleiding toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:72, zevende lid, van de Awb.

(…)”

waarna de Afdeling, voor zover thans relevant, heeft beslist:

“(…)

V. verklaart het beroep tegen het besluit van de staatssecretaris van 29 maart 2012 (…) gegrond ;

VI. vernietigt dat besluit;

VII. draagt de staatssecretaris op om binnen tien weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen onder 2.6. en 2.6.1. is overwogen een nieuw besluit op bezwaar te nemen;

VIII. bepaalt dat de staatssecretaris aan de stichting Stichting Baanstee Noord NEE! en de stichting Stichting Behoud Waterland (hierna: de stichtingen) een dwangsom verbeurt voor elke dag waarmee hij de onder VII. genoemde termijn overschrijdt, waarbij de hoogte van de dwangsom € 250,00 (zegge: tweehonderdvijftig euro) per dag bedraagt, met een maximum van € 60.000,00 (zegge: zestigduizend euro);

(…)”

2.4.

Bij besluit van 29 augustus 2012 heeft de staatssecretaris het bezwaar van de stichtingen opnieuw ongegrond verklaard (hierna: het besluit van 29 augustus 2012).

2.5.

Op 15 februari 2013 hebben de stichtingen de uitspraak van 11 juli 2012 van de Afdeling door [gerechtsdeurwaarder] aan de staatssecretaris laten betekenen en aangezegd dat zij aanspraak maken op de in de uitspraak aan de staatssecretaris opgelegde dwangsommen.

2.6.

In een uitspraak van 28 augustus 2013 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de uitspraak van 28 augustus 2013 van de rechtbank) heeft de rechtbank vastgesteld dat: “verweerder met het thans voorliggende besluit opnieuw niet heeft voldaan aan de opdracht van de Afdeling om de aanvraag te toetsen aan de in artikel 75 Ffw gestelde eisen. Het thans voorliggende nieuwe besluit vormt daarentegen een herhaling van hetgeen verweerder als zijn standpunt ter zake de steenuil en de kerkuil heeft geformuleerd in het door de Afdeling vernietigde besluit van 29 maart 2012, met als conclusie dat er geen sprake is van overtreding van artikel 11 Ffw. Voor een zodanig standpunt bestond evenwel, gelet op de eerdere uitspraken van de Afdeling, niet langer ruimte. (…) Dit zo zijnde kan de beslissing van de rechtbank geen andere zijn dan een gegrondverklaring van het beroep van eiseressen en een vernietiging van het bestreden besluit.”

De rechtbank heeft dienovereenkomstig beslist en de staatssecretaris opgedragen om binnen tien weken na de dag van verzending van de uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van de uitspraak.

2.7.

Op 15 oktober 2013 hebben de stichtingen nogmaals de uitspraak van 11 juli 2012 van de Afdeling aan de staatssecretaris laten betekenen alsmede de uitspraak van 28 augustus 2013 van de rechtbank, waarna op 22 oktober 2013 door [gerechtsdeurwaarder] een betalingsbevel aan de staatssecretaris is betekend om een bedrag van € 60.000,-- aan verbeurde dwangsommen te betalen. Daaraan heeft de staatssecretaris geen gehoor gegeven.

2.8.

De Afdeling heeft in een uitspraak van 23 december 2013 afgewezen het verzoek van de staatssecretaris om bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat in afwachting van de uitspraak op het hoger beroep geen uitvoering aan de aangevallen uitspraak behoeft te worden gegeven. In een daarop volgende uitspraak van 27 februari 2014 heeft de Afdeling, overwegende dat op het hoger beroep van de Staat tegen de uitspraak van 28 augustus 2013 van de rechtbank te zijner tijd bij afzonderlijke uitspraak zal worden beslist, het beroep van de stichting sub 1. tegen het uitblijven van een nieuw besluit gegrond verklaard en de staatssecretaris opgedragen om binnen twee weken na de verzending van deze uitspraak een besluit te nemen op het bezwaar van deze stichting. Hierbij is bepaald dat de staatssecretaris een dwangsom verbeurt voor elke dag waarmee hij die termijn overschrijdt, waarbij de hoogte van de dwangsom € 100,00 bedraagt, met een maximum van € 15.000,00 (hierna: de uitspraak van 27 februari 2014 van de Afdeling).

2.9.

De staatssecretaris heeft op 11 maart 2014 het bezwaar van de stichtingen opnieuw ongegrond verklaard en het besluit gehandhaafd. De stichtingen hebben daartegen beroep ingesteld bij de Afdeling.

2.10.

Omdat de Staat niet tot betaling van het bedrag van € 60.000,- is overgegaan, hebben de stichtingen aan [gerechtsdeurwaarder] verzocht om ten laste van de Staat executoriaal derdenbeslag te leggen onder de ABN AMRO Bank N.V. alsmede beslag te leggen op twee registergoederen te Veenendaal.

3 Het geschil

3.1

[gerechtsdeurwaarder] heeft zich tot de voorzieningenrechter gewend omdat hij op een bezwaar is gestuit, zijnde het verbod van artikel 436 Rv om beslag te leggen op goederen, bestemd voor de openbare dienst.

in conventie

3.2.

De vordering in conventie luidt, zakelijk weergegeven, te bepalen dat de stichtingen bevoegd zijn tot het leggen van executoriaal derdenbeslag onder de ABN AMRO Bank N.V., alsmede – anders dan onder 2.10 vermeld en in zoverre met wijzigingen van het eerdere verzoek – onder Pels Rijcken & Drooglever Fortuin N.V., en tot leggen van executoriaal beslag op een onroerende zaak te Maastricht en op drie Cessna 182 Skyline Sportvliegtuigen.

3.3.

Ter onderbouwing van deze vordering is door de stichtingen naar voren gebracht dat bij de derdenbeslagen sprake is van gelden en dat de vliegtuigen en het onroerend goed te Maastricht momenteel door de Staat te koop worden aangeboden. Daarom is er volgens hen geen sprake van voor de openbare dienst bestemde goederen. Daarbij wijzen zij erop dat artikel 436 Rv een uitzonderingsbepaling betreft die eng moet worden uitgelegd.

3.4.

De Staat voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

in reconventie

3.5.

De vordering in reconventie luidt, zakelijk weergegeven, de stichtingen te verbieden om (verdere) executiemaatregelen jegens de Staat te treffen op basis van de uitspraken van de Afdeling van 11 juli 2012 en 27 februari 2014, meer in het bijzonder om de daarin genoemde dwangsommen te executeren, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 2.500,-- per dag of gedeelte van een dag dat hieraan niet wordt voldaan, met veroordeling van de stichtingen in de kosten van dit geding, te vermeerderen met de wettelijke rente, en in de nakosten.

3.6.

Daartoe voert de Staat, samengevat, het volgende aan. De stichtingen stellen zich ten onrechte op het standpunt dat de Staat een bedrag aan dwangsommen zou hebben verbeurd op grond van de uitspraak van 11 juli 2012 van de Afdeling. Doel van het opleggen van een dwangsom was naleving van de gestelde termijn en die is nageleefd. Op 29 augustus 2012 is immers een nieuw besluit genomen. Dat geldt ook voor de opdracht in de uitspraak van 27 februari 2014 om, op straffe van een dwangsom, binnen twee weken een nieuw besluit te nemen. Dat is geschied op 11 maart 2014. De omstandigheid dat partijen nog van mening verschillen over de inhoud van die besluiten neemt niet weg dat de staatssecretaris tijdig gevolg heeft gegeven aan de opdracht tot het nemen van een nieuw besluit. De eventuele onjuistheid van de inhoud van een besluit is niet van belang bij de bepaling van het besluitkarakter. Er zijn derhalve geen dwangsommen verbeurd, zodat er ook geen grond is voor executie.

3.7.

De stichtingen voeren gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

De voorzieningenrechter zal eerst de vordering in reconventie bespreken. Als deze vordering slaagt omdat er geen dwangsommen zijn verbeurd, zijn de stichtingen reeds om die reden niet bevoegd om het door hen aangeduide executoriaal beslag te leggen. Aan beantwoording van de vraag of de door de stichtingen aangewezen beslagobjecten vatbaar zijn voor beslag of dat deze vallen onder het verbod van artikel 436 Rv wordt dan niet toegekomen.

in reconventie

4.2.

In een executiegeschil als het onderhavige, waarbij het erom gaat of dwangsommen zijn verbeurd, dient de voorzieningenrechter de ter uitvoering van de uitspraken van 11 juli 2012 en 14 februari 2014 verrichte handelingen te toetsen aan de inhoud van de veroordeling, zoals deze door uitleg moet worden vastgesteld.

4.3.

De stichtingen kunnen worden gevolgd in hun stelling dat de Staat niet slechts wordt opgedragen om binnen een bepaalde termijn een nieuw besluit te nemen, maar om binnen een bepaalde termijn een nieuw besluit te nemen ‘met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen’. De stichtingen zien er echter aan voorbij dat de Afdeling vervolgens niet heeft bepaald dat de Staat een dwangsom verbeurt indien niet aan die opdracht wordt voldaan. De Afdeling heeft bepaald dat de Staat een dwangsom verbeurt voor elke dag waarmee hij de genoemde termijn overschrijdt. Daarmee is de verbeuring van een dwangsom derhalve uitdrukkelijk alleen gekoppeld aan de veroordeling om binnen tien respectievelijk twee weken na verzending van de betreffende uitspraak een nieuw besluit te nemen. Of inhoudelijk gezien aan de opdracht is voldaan is weliswaar voor de stichtingen zeer relevant, maar dit speelt geen rol bij de beantwoording van de vraag of binnen de gestelde termijn een nieuw besluit is genomen en is derhalve niet redengevend bij de beantwoording van de vraag of er dwangsommen zijn verbeurd. Voor een andere uitleg ziet de voorzieningenrechter geen aanknopingspunten. Nu tussen partijen niet in geschil is dat de Staat binnen de gestelde termijnen nieuwe besluiten heeft genomen, heeft de Staat geen dwangsommen verbeurd en is er geen plaats voor executie van de uitspraken van 11 juli 2012 en 24 februari 2014 in zoverre. De vordering in reconventie is dan ook toewijsbaar als na te melden.

4.4.

Oplegging van een dwangsom, als stimulans tot nakoming van de te geven beslissing, is aangewezen. De op te leggen dwangsom zal worden gematigd en gemaximeerd. Voorts zal er worden bepaald dat de op te leggen dwangsom vatbaar is voor matiging door de rechter, voor zover handhaving daarvan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, mede in aanmerking genomen de mate waarin aan de veroordeling is voldaan, de ernst van de overtreding en de mate van verwijtbaarheid daarvan.

4.5.

De stichtingen zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding in reconventie, die worden begroot op nihil.

in conventie

4.6.

Uit het vorenstaande volgt dat de stichtingen niet bevoegd zijn tot het leggen van de door hen aangekondigde executoriale (derden)beslagen omdat er door de Staat geen dwangsommen zijn verbeurd. Reeds hierom is deze vordering niet voor toewijzing vatbaar. Aan de beantwoording van de vraag of de door de stichtingen aangekondigde executoriale (derden)beslagen in strijd zijn met het beslagverbod van artikel 436 Rv komt de voorzieningenrechter dan niet meer toe.

4.7.

De Stichtingen zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding, alsmede (deels voorwaardelijk) in de nakosten als na te melden.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

in conventie

- wijst het gevorderde af;

- veroordeelt de stichtingen om binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis de kosten van dit geding in conventie aan de Staat te betalen, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op € 1.424,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat en € 608,-- aan griffierecht;

- bepaalt dat de stichtingen bij gebreke van tijdige betaling de wettelijke rente over de proceskosten verschuldigd zijn;

- veroordeelt de stichtingen tevens in de nakosten, forfaitair begroot op € 131,-- aan salaris advocaat, te vermeerderen met € 68,-- aan salaris en met de explootkosten gemaakt voor de betekening van dit vonnis indien tot betekening wordt overgegaan;

- verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

in reconventie

- verbiedt de stichtingen om de dwangsommen als vermeld in de uitspraken van 11 juli 2012 en 24 februari 2014 te executeren, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,-- per dag of gedeelte van een dag dat de stichtingen nalaten om aan dat verbod gehoor te geven, met een maximum van € 10.000,--;

- bepaalt dat bovenstaande dwangsom vatbaar is voor matiging op de wijze zoals onder 4.4 is vermeld;

- veroordeelt de stichtingen in de kosten van dit geding in reconventie, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op nihil;

- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders verzochte.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.P. van Ham en in het openbaar uitgesproken op 9 mei 2014.

ts