Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:919

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
21-01-2014
Datum publicatie
10-02-2014
Zaaknummer
AWB-13_7957
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Mondelinge uitspraak
Proceskostenveroordeling
Proces-verbaal
Inhoudsindicatie

Proceskostenvergoeding verschijnen hoorzitting

De rechtbank kent een proceskostenvergoeding toe voor het verschijnen op de hoorzitting door de gemachtigde, ook al heeft hij tijdens de hoorzitting niks gezegd. De hoeveelheid van zaken die op de hoorzitting is behandeld, is geen reden om van de forfaitaire proceskostenvergoeding af te wijken.

Wetsverwijzingen
Wet waardering onroerende zaken 22
Besluit proceskosten bestuursrecht 1
Besluit proceskosten bestuursrecht 2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2014/287
Belastingblad 2014/134 met annotatie van J.P. Kruimel
V-N 2014/15.22.6
FutD 2014-0361
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 13/7957

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 januari 2014 in de zaak tussen

[X], wonende te [Z], eiser
(gemachtigde: [A]),

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Westland, verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 30 augustus 2013 op het bezwaar van eiser tegen na te noemen beschikking en aanslag.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 januari 2014.

Namens eiser is verschenen zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde [B].

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover het de vergoeding van proceskosten voor het bijwonen van de hoorzitting door de rechtsbijstandverlener betreft;

- bepaalt de vergoeding van proceskosten voor het bijwonen van de hoorzitting door de rechtsbijstandverlener op een bedrag van € 243;

- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de uitspraak op bezwaar;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 243,50, te betalen aan eiser;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 44 aan eiser te vergoeden.

Overwegingen

1.

Verweerder heeft bij beschikking van 28 februari 2013 (de beschikking) de waarde van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres] (de woning), op de voet van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (de Wet WOZ) op waardepeildatum 1 januari 2012 (de waardepeildatum) voor het kalenderjaar 2013 vastgesteld op € 192.000.

Met de beschikking is in één geschrift bekendgemaakt en verenigd de aan eiser opgelegde aanslag onroerende-zaakbelastingen voor het jaar 2013 (de aanslag).

2.

Bij uitspraak op bezwaar heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard en de waarde van de woning nader vastgesteld op € 172.000, alsmede de aanslag dienovereenkomstig verminderd. Voorts heeft verweerder een kostenvergoeding toegekend van € 392,65.

3.

Op 5 juli 2012 heeft naar aanleiding van zijn bezwaarschrift een hoorzitting plaatsgevonden. De gemachtigde van eiser was daarbij aanwezig, evenals een door hem ingeschakelde taxateur. Voor het opstellen van het bezwaarschrift, het opstellen van het taxatierapport, het bijwonen van de hoorzitting door de taxateur en voor de kosten van de uittreksels van het Kadaster heeft verweerder een vergoeding toegekend. Voor het bijwonen van de hoorzitting door de gemachtigde is het verzoek om kostenvergoeding afgewezen.

4.

Tussen partijen in geschil of verweerder de door eiser in de bezwaarfase gemaakte kosten ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, voor zover het betreft het bijwonen van de hoorzitting, dient te vergoeden.

5.

Primair heeft verweerder gesteld dat de gemachtigde tijdens de hoorzitting niets heeft gezegd en dat daarom geen sprake is van verleende rechtsbijstand. De gemachtigde heeft in reactie hierop onder meer onweersproken gesteld dat de heffingsambtenaar bij aanvang van het hoorgesprek had aangegeven dat dat hij geen weerwoord zou geven en dat de gemachtigde uitsluitend nieuwe aspecten naar voren mocht brengen. De gemachtigde heeft ermee volstaan om zijn taxateur het woord te laten doen.

6.

Niet is betwist dat dat de gemachtigde het hoorgesprek heeft voorbereid. Ook de rechtbank gaat daarvan uit. Voorts is de rechtbank van oordeel dat de vraag of hetgeen de taxateur heeft verwoord als toereikend moet worden beschouwd en dat daarom kan worden afgezien van het maken van nadere opmerkingen, al dan niet mede in het licht van de geschetste gang van zaken bij die hoorzitting, moet worden aangemerkt als regievoering aan de zijde van eiser, waarvoor de gemachtigde van eiser de eindverantwoordelijkheid draagt.

Onder die omstandigheden ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat op de hoorzitting door de gemachtigde van eiser geen rechtsbijstand zou zijn verleend.

7.

Ingevolge de Bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit) wordt het bedrag van de kosten, bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van het Besluit, vastgesteld door aan de verrichte proceshandelingen punten toe te kennen overeenkomstig de in de Bijlage opgenomen lijst (A). Onder A4. Bezwaar en administratief beroep wordt 1 punt toegekend voor het verschijnen ter hoorzitting. De Algemene wet bestuursrecht noch het Besluit of de Bijlage bij het Besluit maakt onderscheid tussen een situatie waarin een gemachtigde ter hoorzitting verschijnt en wel het woord voert en een situatie waarin deze niet het woord voert. Nu vast staat dat de gemachtigde van eiser aanwezig is geweest bij de behandeling van het bezwaarschrift tijdens de hoorzitting, laat dit geen andere slotsom toe dan dat eiser daarvoor een vergoeding ter grootte van 1 punt toekomt (zie ook Gerechtshof Den Haag, 27 mei 2013, ECLI:NL:GHDHA:2013:4080).

8.

De omstandigheid dat de hoorzitting heeft plaatsgevonden op verzoek van de gemachtigde, zoals door verweerder ter zitting nog is opgemerkt, raakt wat dat betreft kant noch wal.

Aan hetgeen in het verweerschrift overigens nog is aangevoerd over de hoeveelheid zaken die op die hoorzitting is behandeld, gaat de rechtbank voorbij onder verwijzing naar de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 25 september 2013, (ECLI:NL:GHDHA:2013:3825). In die uitspraak is geoordeeld dat een dergelijke omstandigheid geen aanleiding vormt om met toepassing van het bepaalde in artikel 2, derde lid, van het Besluit, af te wijken van de forfaitaire vergoedingen.

9.

Subsidiair heeft verweerder in het verweerschrift en in afwijking van de uitspraak op bezwaar, gesteld, zo begrijpt de rechtbank, dat het de facto de taxateur is die rechtsbijstand ter hoorzitting heeft verleend en dat daarom geen plaats is voor een afzonderlijke vergoeding aan de gemachtigde zelf.

10.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft in deze zaak de taxateur een eigen rol vervult naast, en niet in plaats van de gemachtigde van eiser. De subsidiaire stelling van verweerder mist dan ook feitelijke grondslag en treft dan ook geen doel.

11.

Gelet op het bovenstaande is het beroep gegrond verklaard en heeft de rechtbank de door eiser in de bezwaarfase gemaakte kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, voor zover het betreft het verschijnen op de hoorzitting, op een bedrag van € 243 bepaald (1 punt à € 243 en een wegingsfactor 1).

12.

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 243,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 487 en een wegingsfactor 0,25). De rechtbank gaat uit van een wegingsfactor 0,25 omdat in beroep nog slechts de hoogte van de door verweerder in de bezwaarfase toegekende kostenvergoeding in het geding is.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C.J.A. Huijgens, rechter, in aanwezigheid van mr. B.H. Suijkerbuijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2014.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1.

bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2.

het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep