Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:9149

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-07-2014
Datum publicatie
25-07-2014
Zaaknummer
VK-14_15263 - VK-14_15260
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

De Europese Overeenkomst inzake de overdracht van verantwoordelijkheid met betrekking tot vluchtelingen, Artikel 30, eerste lid, onder d, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), Artikel 3.106a, vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), Interstatelijk vertrouwensbeginsel

Erkend vluchteling in Italië, Alleenstaande vrouw met minderjarige kinderen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 14/15260 (beroep) + AWB 14/15263 (vovo)

V-nummer: [nummer]

uitspraak van de voorzieningenrechter in vreemdelingenzaken van 22 juli 2014 in de zaak tussen

[naam 1], eiseres,

gemachtigde mr. M.L. Hoogendoorn,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. N. Hamzaoui.

Procesverloop

Bij besluit van 27 juni 2014 (hierna: het bestreden besluit) is de asielaanvraag van eiseres afgewezen.

Op 27 juni 2014 heeft eiseres tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en op 28 juni 2014 de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting achterwege te laten totdat op haar beroep is beslist.

De behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 17 juli 2014. Eiseres is ter zitting verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig A. Abraha, tolk in de Tigrinia taal. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.

Aangezien nader onderzoek naar het oordeel van de voorzieningenrechter redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, zal met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) onmiddellijk op het beroep worden beslist. Daartoe wordt als volgt overwogen.

2.

Eiseres heeft gesteld te zijn geboren op [geboortedag 1] 1980 en de Eritrese nationaliteit te bezitten. Op 25 augustus 2010 heeft zij tezamen met haar echtgenoot en haar minderjarige kinderen, [naam 2], geboren op [geboortedag 2] 2004, en [naam 3], geboren op [geboortedag 3] 2010, een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft bij besluit van 26 mei 2011 deze aanvraag afgewezen op grond van artikel 30, eerste lid, onder d, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000), nu eiseres in Italië erkend vluchteling is. Deze rechtbank, zittingsplaats Maastricht, heeft bij uitspraak van 7 maart 2012 (AWB 11/4196 en AWB 11/4200) het beroep van eiseres daartegen gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) heeft het daartegen door verweerder ingestelde hoger beroep bij uitspraak van 10 september 2013 (201203413/1/V4) gegrond verklaard, de uitspraak van zittingsplaats Maastricht van 7 maart 2012 vernietigd, en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 26 mei 2011 geheel in stand blijven.

3.

Op 25 juni 2014 heeft eiseres, mede namens haar minderjarige kinderen, opnieuw een asielaanvraag ingediend. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag van eiseres opnieuw afgewezen op grond van artikel 30, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000.

4.

Eiseres heeft aan haar herhaalde aanvraag ten grondslag gelegd dat de verantwoordelijkheid van Italië op Nederland is overgaan op grond van artikel 2, eerste en tweede lid, van de Europese Overeenkomst inzake de overdracht van verantwoordelijkheid met betrekking tot vluchtelingen (Trb. 1981, 239; hierna: de Overeenkomst) nu zij van 28 februari 2011 tot 10 september 2013 met toestemming van Nederland hier heeft verbleven. Eiseres heeft voorts aangevoerd dat verweerder de plicht heeft te onderzoeken of Italië nog steeds akkoord gaat met de terugname van eiseres.

Subsidiair heeft eiseres aangevoerd dat Italië zich niet aan zijn verdragsverplichtingen houdt, en dat overdracht aan dat land, gelet op de slechte situatie van houders van een verblijfsvergunning in Italië, strijdig is met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Ter onderbouwing van dit betoog heeft zij verwezen naar het rapport van Schweizerische Flüchtlingshilfe “Italiën: Aufnahmebedingungen – Aktuelle Situation von Asylsuchenden und Schutzberechtigten, Insbesondere Dublin-Rückkehrenden”, van oktober 2013 (hierna: rapport SFH), dat in de vorige asielprocedure niet in de beoordeling is meegenomen. Eiseres heeft daarnaast als novum aangevoerd dat zij een alleenstaande kwetsbare vrouw met minderjarige kinderen is, nu zij sinds de vorige procedure feitelijk van haar man is gescheiden. Ter nadere onderbouwing hiervan heeft eiseres in beroep een uitdraai van haar medisch dossier van het gezondheidscentrum asielzoekers van 9 juli 2014 overgelegd.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

5.

Het bestreden besluit strekt tot afwijzing van de asielaanvraag van eiseres en is daarom van gelijke strekking als het eerdere afwijzende besluit van verweerder van 26 mei 2011.

6.

Uit vaste rechtspraak van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 6 maart 2008, LJN: BC7124) vloeit voort dat, indien na een eerder afwijzend besluit materieel een besluit van gelijke strekking wordt genomen, door het instellen van beroep tegen het laatste besluit niet kan worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst, als ware het een eerste afwijzing. Slechts indien en voor zover in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus door betrokkene aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een voor hem relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan, kunnen dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen, door de bestuursrechter worden getoetst. Dit is slechts anders, indien zich bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden als bedoeld in overweging 45 van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 19 februari 1998 in de zaak Bahaddar tegen Nederland (JV 1998/45) voordoen.

7.

Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden (hierna: nova) moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan dan is niettemin geen sprake van feiten of omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke toetsing rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd aan het eerdere besluit kan afdoen.

8.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat het betoog, dat Nederland gezien het tijdsverloop verantwoordelijk is geworden voor eiseres, niet als novum kan worden aangemerkt. De voorzieningenrechter vindt hiervoor steun in de uitspraak van de Afdeling van 27 februari 2012 (201010541/1/V4). In artikel 2, tweede lid, aanhef en onder c, van de Overeenkomst is bepaald dat de periode gedurende welke de vluchteling toestemming heeft te verblijven op het grondgebied van de tweede Staat alleen meegerekend wordt indien de beslissing op het beroep gunstig is voor de vreemdeling. Daarvan is echter geen sprake, aangezien eiseres met de hierboven onder punt 2 genoemde uitspraak van de Afdeling van 10 september 2013 geacht wordt na de afwijzing van haar eerste asielaanvraag nimmer rechtmatig verblijf hier te lande te hebben genoten. Dit kan daardoor voor haar niet als gunstig worden gekwalificeerd.

9.

Hieruit vloeit naar het oordeel van de voorzieningenrechter voort dat de stelling van eiseres dat verweerder in verband met het tijdsverloop een onderzoeksplicht zou hebben, evenmin als novum kan worden aangemerkt.

10.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat in het kader van de stelling van eiseres dat overdracht aan Italië strijdig is met artikel 3 van het EVRM, het door haar ingebrachte rapport van SFH van oktober 2013 een novum is. Dit rapport kon immers, gelet op de datum, niet in de vorige procedure worden overgelegd. Voorts is niet op voorhand uitgesloten dat dit rapport kan afdoen aan het eerdere besluit, nu uit dit rapport blijkt dat niet alleen de situatie van Dublinclaimanten, maar ook de opvang van erkende vluchtelingen in Italië slecht is.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft eiseres daarnaast op grond van de door haar ingebrachte uitdraai van haar patiëntendossier van 9 juli 2014 genoegzaam aangetoond dat zij thans feitelijk als alleenstaande vrouw met minderjarige kinderen moet worden aangemerkt. Dit feit moet in het kader van haar beroep op artikel 3 van het EVRM als een rechtens relevant novum worden aangemerkt.

Dientengevolge komt de voorzieningenrechter toe aan de inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit.

11.

Ingevolge artikel 30, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000, zoals die sinds 1 januari 2014 luidt, wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 afgewezen indien de vreemdeling in een andere lidstaat van de Europese Unie, in een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of in Zwitserland internationale bescherming geniet in de zin van artikel 2, eerste lid onder a van de kwalificatierichtlijn, dan wel een gelijkwaardige status bezit op basis van het Vluchtelingenverdrag of artikel 3 van het EVRM.

12.

Ingevolge artikel 3.106a, vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) wordt bij de beoordeling of de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Wet wordt afgewezen op grond van artikel 30, eerste lid, onder d en e, van de Wet, mede betrokken het beroep van de vreemdeling inhoudende dat hij in het derde land zal worden blootgesteld aan foltering, wrede, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing.

13.

Verweerder heeft zich samengevat in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eiseres met het rapport van SFH niet aannemelijk heeft gemaakt dat Italië niet langer zijn verdragsverplichtingen zou nakomen, zodat nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Gelet hierop zal door de overdracht van eiseres aan Italië geen situatie ontstaan die strijdig is met artikel 3 van het EVRM. Hierbij is van belang dat Italië aan eiseres de vluchtelingenstatus is toegekend en zij haar recht op opvang bij de Italiaanse autoriteiten kan opeisen. Bij voorkomende problemen in Italië kan eiseres zich wenden tot de daartoe aangewezen (hogere) autoriteiten van Italië dan wel geëigende instanties, aldus verweerder.

14.

Eiseres heeft aangevoerd dat verweerder bij de beoordeling van de algemene informatie over de situatie in Italië ten onrechte niet de extra kwetsbare situatie van haar en haar kinderen heeft betrokken en dan met het name het feit dat zij reeds tijdens haar eerdere verblijf in Italië het slachtoffer is geworden van verkrachting alsmede het feit dat zij genoodzaakt was op straat te verblijven, nadat haar de vluchtelingenstatus was toegekend en zij inmiddels geen bescherming meer geniet van haar echtgenoot. Tot slot heeft eiseres, gelet op het feit dat zij een kind heeft onder de vijf jaar, een beroep gedaan op het antwoord van verweerder op 2 juli 2014 op Kamervragen van Kamerlid Maij van 5 juni 2014, ten aanzien van de overdracht aan Italië van familie’s met een kind jonger dan vijf jaar.

15.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat het rapport van SFH van oktober 2013 indicaties biedt voor het oordeel dat niet alleen de situatie voor asielzoekers, maar ook de situatie van erkend vluchtelingen in Italië slecht is. Ook het persoonlijke relaas van eiseres

biedt indicaties voor het oordeel dat de situatie van erkend vluchtelingen in Italië niet aan de daaraan te stellen eisen voldoet. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder in dit kader niet zonder meer voorbij had mogen gaan aan de (niet door verweerder in twijfel getrokken) verklaringen van eiseres dat haar gedurende haar verblijf in Italië als toegelaten vluchteling geen onderdak werd verleend, zij zich genoodzaakt zag in een verlaten huis te verblijven, waar zij slachtoffer is geworden van een verkrachting en dat de Italiaanse autoriteiten haar aangifte niet in behandeling hebben genomen omdat zij de namen van de daders niet kon geven. Uit deze verklaringen kan immers worden afgeleid dat zij eerder in Italië het slachtoffer is geworden van een door artikel 3 van het EVRM verboden behandeling.

16.

Gelet op het vorenstaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder bij de beoordeling van de afwijzing van de aanvraag van eiseres bovengenoemde feiten en omstandigheden onvoldoende bij haar beroep op schending van artikel 3 van het EVRM heeft betrokken. Het bestreden besluit is om die reden onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.

17.

De slotsom is dat het beroep gegrond is en het bestreden besluit moet worden vernietigd wegens strijd met artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb.

18.

Gegeven de beslissing in de hoofdzaak is er geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb.

19.

Er is aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 1461,- in verband met het beroep (1 punt voor het verzoekschrift, 1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 487,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 1461,- (veertienhonderdeenenzestig euro), te betalen aan eiseres;

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C. van Boven-Hartogh, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J.A.B. Koens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 juli 2014.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.