Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:9109

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-06-2014
Datum publicatie
07-08-2014
Zaaknummer
AWB-14_2318
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Betreft verleende omgevingsvergunning ten behoeve van de vervanging van de Hoornbrug te Rijswijk. Het bouwplan is in strijd met het recentelijk in werking getreden bestemmingsplan “Hoornwijck-Broekpolder”. Verweerder heeft de afwijkingsprocedure gevolgd als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3o, van de Wabo. Het bestreden besluit is naar het oordeel van de rechtbank, mede in het licht van de geringe planologische afwijking, van een goede ruimtelijke onderbouwing voorzien. Verweerder heeft bij zijn besluitvorming eveneens voldoende inzicht gehad in door een van de eisende partijen behartigde belangen van de toekomstige gebruikers van de brug. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank voldoende oog gehad voor de verkeersveiligheid en begaanbaarheid van het fietstracé. Niet kan worden gezegd dat verweerder bij haar besluitvorming onvoldoende inzicht heeft gehad in de belangen van de deelnemers aan het langzaam verkeer. Evenmin kan worden gezegd dat deze belangen dusdanig ernstig zijn geschaad dat verweerder bij afweging van alle belangen van -onder meer- de diverse betrokken doelgroepen en gebruikers van de brug niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Het beroep is ongegrond.

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.1
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.2
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.10
Woningwet 12a
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.12
Besluit omgevingsrecht 6.5
Besluit omgevingsrecht 5.20
Besluit ruimtelijke ordening 3.1.2
Besluit ruimtelijke ordening 3.1.6
Besluit ruimtelijke ordening 3.3.1
Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) 4
Algemene wet bestuursrecht 1:2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummers: SGR 14/2040 en SGR 14/2318

uitspraak van de meervoudige kamer van 24 juli 2014 in de zaken tussen

1.

[A], te [plaats], eiseres,

2.

Stichting Buurtschap Oud Rijswijk (SBOR), te Rijswijk,

(gemachtigde: mr. S.G.A. de Boer)

en

het college van burgemeester en wethouders van Rijswijk, verweerder

(gemachtigde: mr. S.W. Boot).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Stadsgewest Haaglanden, vergunninghouder.

Procesverloop

Bij besluit van 4 februari 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder een omgevingsvergunning verleend voor het vervangen van de Hoornbrug over het Rijn-Schiekanaal te Rijswijk.

Eiseres heeft bij brief van 8 maart 2013 (lees: 8 maart 2014) tegen het bestreden besluit beroep ingesteld, zaaknummer SGR 14/2040. SBOR heeft bij brief van 2 maart 2014 tegen het bestreden besluit beroep ingesteld, zaaknummer SGR 14/2318.

De gronden zijn nadien aangevuld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juni 2014. Beide zaken zijn gevoegd behandeld.

Eiseres is in persoon verschenen. Namens SBOR zijn verschenen W. Schuller, R. Freeth, bijgestaan door haar gemachtigde. Namens verweerder zijn verschenen F.D.J. de Bruijn en M.W. van de Velde, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1 Op 2 oktober 2013 heeft Stadsgewest Haaglanden een aanvraag om omgevingsvergunning ingediend voor het vervangen van de Hoornbrug over het Rijn-Schiekanaal en het realiseren van een onderstation op het perceel kadastraal bekend Rijswijk, sectie D 5090.

1.2 Verweerder heeft de uitgebreide voorbereidingsprocedure als bedoeld in §3.3. van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) gevolgd.

Het ontwerpbesluit alsmede de aanvraag en de bijbehorende bescheiden hebben vanaf 1 november 2013 gedurende zes weken voor een ieder ter inzage gelegen.

Bij brief van 8 december 2013 heeft eiseres een zienswijze ingediend.

SBOR heeft bij brief van 9 december 2013 een zienswijze ingediend.

1.3 Het bouwplan voorziet in de vervanging van de huidige Hoornbrug over het Rijn-Schiekanaal te Rijswijk door drie nieuwe naast elkaar gelegen vaste bruggen, bestaande uit glooiende betonnen constructies op betonnen pijlers met een doorvaarthoogte van 6,60 meter. De fietsbrug is daarvan de meest noordelijk gelegen brug en ligt direct naast de noordelijke wegbrug. Deze langzaamverkeerroute gaat van de westelijke oever over de Haagweg via een hellingbaan met twee U-bochten onder de brug door naar een fietspad aan de noordzijde van de brug en sluit aan op de bestaande verhoogde hoofdroute aan de oostzijde richting Hoornwijck. De lengte van de hellingbaan bedraagt ongeveer 200 meter. De maximale hoogte van de bruggen bedraagt ruim 7 meter.

2.

De aangevochten vergunning betreft Wabo-toestemmingen voor de activiteiten het bouwen van een bouwwerk als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), het uitvoeren van een werk geen bouwwerk zijnde als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo, het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo en het aanleggen of veranderen van een weg, als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wabo.

3.1

Eiseres stelt dat zij belanghebbende is, omdat zij voor haar dagelijkse levens-behoeften is aangewezen op Oud Rijswijk en zij vanwege haar handicap moeilijk van de nieuwe brug gebruik zal kunnen maken. Daarnaast wijst zij erop dat bij de ontwikkeling van de wijk Hoornwijck niet alleen toegankelijkheidseisen aan haar woning zijn gesteld, maar ook aan haar directe woonomgeving.

Voorts stelt eiseres dat verweerder het alternatief van een lage fiets- en voetgangersbrug onvoldoende en onjuist gemotiveerd heeft afgewezen en verzoekt zij verweerder een nieuw ontwerp te laten maken dat ook voor minder validen acceptabel is. In het geluidonderzoek is volgens haar ten onrechte geen rekening is gehouden met de afwikkeling van het verkeer van de nieuwe Hoornbrug. Ook heeft verweerder naar de mening van eiseres nagelaten een solide kostenafweging te maken en komt de verkeersveiligheid voor minder validen in het gedrang doordat zij gebruik moeten maken van het fietspad, aldus eiseres.

3.2

De door SBOR ingediende gronden zien op het ontwerp van de hellingbaan voor fietsers in verband met de lengte, het hellingpercentage en de scherpe bochten daarin. SBOR voert aan dat de bouwtekeningen onvoldoende concreet zijn en nog niet geheel uitgewerkt. Het hellingpercentage van de hellingbaan acht SBOR op sommige plaatsen, onder meer in verband met de te verwachten windhinder, te hoog, omdat het hoger is (tot wel 4%) dan door ingenieursbureau Goudappel Coffeng in het rapport Fietshellingen in Nederland van 19 februari 2009 wordt geadviseerd. Voorts stelt SBOR zich op het standpunt dat het bestaan van windhinder in de afwegingen had moeten worden meegenomen. Daarnaast acht SBOR de hellingbaan van de fietsbrug te smal en de boogstralen te kort, waardoor gevaarlijke situaties zullen ontstaan. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft SBOR delen van een rapport van bureau Royal Haskoning DHV van 16 mei 2013 overgelegd. Verweerder geeft in de Nota van zienswijzen volgens SBOR een onjuiste uitleg van artikel 4 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 en stelt ten onrechte dat voetgangers van het fietspad gebruik mogen maken indien zij door een maatregel het voetpad niet kunnen bereiken. Voorts is het naar de mening van SBOR voor verweerder in dit geval niet mogelijk af te wijken van het negatieve welstandsadvies, omdat er een beeldkwaliteitsplan is opgesteld ten behoeve van de ontwikkeling van de nieuwe Hoornbrug. Ten onrechte is niet overwogen het ontwerp aan te passen, aldus SBOR.

4.1

De rechtbank zal eerst beoordelen of eiseres en SBOR kunnen worden ontvangen in hun beroep en in dit kader of zij belanghebbenden zijn bij het bestreden besluit.

Ontvankelijkheid

4.2

Onder belanghebbende wordt in artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

4.3

De wetgever heeft deze eis gesteld om te voorkomen dat een ieder, in welke hoedanigheid ook, of een persoon met slechts een verwijderd of indirect belang, als belanghebbende zou moeten worden beschouwd en beroep zou kunnen instellen. Om als belanghebbende in de zin van de Awb te kunnen worden aangemerkt, dient sprake te zijn van een voldoende objectief bepaalbaar eigen, persoonlijk belang dat een betrokkene in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit.

Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 27 april 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BQ2614) moet de vraag of iemand belanghebbende is worden beoordeeld aan de hand van de ruimtelijke uitstraling van het project, in dit geval de vervanging van de Hoornbrug.

4.4

Ten aanzien van de vraag of eiseres belanghebbende is in voornoemde zin overweegt de rechtbank als volgt. Ter zitting heeft eiseres verklaard vanuit haar woning geen zicht te hebben en ook niet te zullen krijgen op de Hoornbrug. Voorts acht de rechtbank niet aannemelijk dat ten gevolge van de vervanging van de Hoornbrug de geluidbelasting op de gevel van de woning van eiseres zal toenemen. Een verslechtering van de luchtkwaliteit ter hoogte van de woning van eiseres ten gevolge van het project valt evenmin te verwachten.

Gelet hierop heeft het project naar het oordeel van de rechtbank niet een dusdanige ruimtelijke uitstraling dat eiseres als belanghebbende kan worden aangemerkt.

Ook de door eiseres aangevoerde omstandigheid dat zij invalide is kan niet leiden tot het oordeel dat eiseres een individueel belang heeft dat haar onderscheidt van andere gebruikers van de Hoornbrug. Dit geldt tevens ten aanzien van hetgeen eiseres heeft aangevoerd met betrekking tot de toentertijd bij de gronduitgifte gestelde voorwaarden ten behoeve van de toegankelijkheid van de wijk. De rechtbank is van oordeel dat eiseres geen bijzonder individueel en voldoende objectief bepaalbaar eigen, persoonlijk belang heeft, dat eiseres in voldoende mate onderscheidt van andere inwoners van Rijswijk dan wel andere gebruikers van de nieuw aan te leggen brug. Hieruit volgt dat het beroep van eiseres niet-ontvankelijk is.

4.5

Ten aanzien van SBOR overweegt de rechtbank als volgt. Voor de vraag of een rechtspersoon belanghebbende is als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, is ingevolge artikel 1:2, derde lid, van de Awb bepalend of de rechtspersoon krachtens zijn statutaire doelstelling en blijkens zijn feitelijke werkzaamheden een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken algemeen of collectief belang in het bijzonder behartigt.

4.6

SBOR heeft blijkens artikel 2 van haar statuten als doelstelling het behartigen dan wel ondersteunen van de belangen van bewoners teneinde een goed woon- en leefklimaat in Oud Rijswijk en haar directe leefomgeving te bevorderen. Zij tracht ingevolge artikel 3 haar doel te bereiken door:

  • -

    Het bevorderen van inspraak en participatie door de bewoners bij alle ontwikkelingen die het woon- en leefklimaat betreffen;

  • -

    Het leveren van bijdragen -in de meest ruime zin- teneinde een goed woon- en leefklimaat binnen haar werkgebied te bevorderen en in stand te houden;

  • -

    Het bevorderen van een goede samenwerking met instellingen op het werkgebied van de stichting;

  • -

    Het beheren en exploiteren van gebouwen welke een functie binnen de doelstelling kunnen vervullen;

  • -

    Alle overige wettelijke middelen die kunnen bijdragen aan de vervulling van de doelstelling.

4.7

Gebleken is dat de Hoornbrug behoort tot het werkgebied van SBOR. De vervanging van de Hoornbrug is naar het oordeel van de rechtbank een project dat het woon- en leefklimaat van de bewoners van Oud Rijswijk -wier belangen SBOR behartigt- beïnvloedt. Gezien de hiervoor in 4.6 weergegeven statutaire doelstelling in samenhang bezien met de feitelijke werkzaamheden, is de rechtbank van oordeel dat SBOR door het bestreden besluit rechtstreeks wordt getroffen in een belang dat zij in het bijzonder behartigt. SBOR kan dan ook als belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, derde lid, van de Awb worden aangemerkt en kan worden ontvangen in haar beroep.

Inhoudelijk

5.

De rechtbank stelt voorop dat SBOR niet wordt gevolgd in haar betoog dat de bij de vergunning behorende tekeningen onvoldoende inzicht bieden in de omvang van het project. Anders dan SBOR stelt staan op de bij de omgevingsvergunning behorende tekening met nummer 4101 de hellingpercentages van het fietstracé vermeld en zijn op de tekening de relevante maten aangegeven. Voorts is op pagina acht van het bestreden besluit vermeld dat minimaal vijf weken voor de aanvang van de werkzaamheden detailberekeningen en detailtekeningen van de te maken constructies ter nadere beoordeling moeten worden overgelegd, hetgeen niet ongebruikelijk is bij omgevingsvergunningen voor de activiteit bouwen. Van onvoldoende duidelijkheid over hetgeen is vergund is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.

6.1

Ten aanzien van de activiteiten, bouwen van een bouwwerk en het strijdig planologisch gebruik overweegt de rechtbank dat in artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo is bepaald dat een aanvraag om een omgevingsvergunning die betrekking heeft op bouwen, een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, alleen mag en moet worden geweigerd indien sprake is van een van de daar gegeven weigeringsgronden.

Ingevolge het bepaalde onder c dient, voor zover van belang, de omgevingsvergunning te worden geweigerd indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan.

Ingevolge het bepaalde onder d dient, voor zover van belang, de omgevingsvergunning te worden geweigerd indien het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onder a, van de Woningwet, tenzij het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning niettemin moet worden verleend.

6.2

Ten tijde van de vergunningverlening was het bestemmingsplan “Hoornwijck-Broekpolder” in werking getreden. De betrokken percelen hebben daarin de bestemmingen “Verkeer-2” en “Water-1”.

Niet in geschil is dat het project in strijd is met de artikelen 9 en 11 van de planregels vanwege het onderstation, het wegprofiel, een gedeelte van het fietstracé en een zeer geringe overschrijding van de toegestane maximale bouwhoogte.

6.3

Ingevolge artikel 2.10, tweede lid, van de Wabo wordt in gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.

Ingevolge artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3o, van de Wabo kan, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.


6.4 Op grond van artikel 6.5, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht (het Bor) is een verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad vereist.

Op 29 oktober 2013 heeft de raad van de gemeente Rijswijk voor dit bouwplan een verklaring van geen bedenkingen afgegeven.

Gelet hierop is aan de formele vereisten voor het volgen van deze afwijkingsprocedure voldaan.

6.5

De eisen waaraan een goede ruimtelijke onderbouwing moet voldoen zijn neergelegd in artikel 5.20 van het Bor in samenhang met de artikelen 3.1.2, 3.1.6 en 3.3.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (het Bro).

Uit dit artikel vloeit voort dat de ruimtelijke onderbouwing aan dezelfde eisen moet voldoen als die gelden voor de toelichting van een bestemmingsplan.

6.6

Naarmate de ruimtelijke gevolgen van het afwijkingsbesluit ingrijpender zullen zijn ten opzichte van het vigerende planologische regime en de inbreuk daarop groter, worden hogere eisen aan de inhoud en de kwaliteiten van de ruimtelijke onderbouwing gesteld.

6.7

Niet in geschil is dat in dit geval sprake is van een tamelijk geringe planologische ingreep, zodat de ruimtelijke gevolgen van het afwijkingsbesluit beperkt zijn.

6.8

In de ruimtelijke onderbouwing is vermeld dat het project voorziet in het efficiënter benutten van infrastructuur, past in de provinciale structuurvisie en de structuurvisie mobiliteit Rijswijk 2020. Voorts heeft een m.e.r.-scan plaatsgevonden, heeft Arcadis een verkeersstudie uitgevoerd, is een beeldkwaliteitsplan opgesteld, is archeologisch bureauonderzoek gedaan, heeft een bodemonderzoek plaatsgevonden, is een watertoets uitgevoerd, is een quickscan natuurwetgeving gemaakt, is een akoestisch rapport opgesteld, is een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd en is de externe veiligheid beoordeeld. Van belang hierbij is dat geluid geen belemmering vormt voor de herontwikkeling van de Hoornbrug vanwege de verwachte afname van de geluidbelasting. Daarnaast is zowel de maatschappelijke als de financiële uitvoerbaarheid van het project onderzocht.

6.9

De rechtbank stelt vast dat SBOR geen van deze onderzoeken inhoudelijk heeft bestreden. De rechtbank volgt SBOR niet in haar betoog dat in de ruimtelijke onderbouwing ten onrechte een onderzoek naar windhinder ontbreekt. Verweerder heeft ter zitting onderbouwd dat geen nader onderzoek is vereist gezien de beperkte bouwhoogte en het feit dat de nieuwe brug niet veel hoger is dan de oude brug. In hetgeen is aangevoerd ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat dit uitgangspunt onredelijk is. De verwijzing van SBOR naar de richtlijn NEN 8100 leidt niet tot een ander oordeel, nu in deze regeling is opgenomen dat een oordeel van een deskundige omtrent een eventueel windonderzoek respectievelijk een windonderzoek noodzakelijk is bij bouwhoogten van 15 respectievelijk 30 meter.

Het bestreden besluit is naar het oordeel van de rechtbank, mede in het licht van de geringe planologische afwijking, van een goede ruimtelijke onderbouwing voorzien, hetgeen de rechtbank tot het oordeel leidt dat verweerder bevoegd was van zijn bevoegdheid gebruik te maken.

6.10

Vervolgens dient de rechtbank te beoordelen of verweerder bij afweging van de betrokken belangen van zijn bevoegdheid gebruik heeft mogen maken. Nu het afwijkingsbesluit het resultaat is van een politiek-bestuurlijke afweging waarbij aan verweerder beleidsvrijheid toekomt, dient het door de rechter slechts terughoudend te worden getoetst.

6.11

Verweerder heeft de bezwaren van SBOR tegen het bouwplan afgewogen. De beroepsgronden van SBOR leiden de rechtbank niet tot het oordeel dat verweerder niet van zijn bevoegdheid gebruik heeft mogen maken. Hierbij betrekt de rechtbank dat in het vooronderzoek diverse mogelijkheden ter vervanging van de huidige brug zijn bestudeerd, waarbij de relevante belangen en wensen van de diverse doelgroepen en gebruikers van de brug zijn geïnventariseerd. Verweerder heeft bij zijn besluitvorming eveneens voldoende inzicht gehad in door SBOR behartigde belangen van de toekomstige gebruikers van de brug. Verweerder heeft bij zijn besluitvorming onder meer de veiligheid en de gevolgen voor het gebruik van het fietstracé in ogenschouw genomen en de nadelen van het thans vergunde ontwerp van de brug daarbij onderkend en meegewogen.

Het betoog van SBOR ten aanzien van de veiligheid en de begaanbaarheid van de brug leidt niet tot een ander oordeel.

6.12

Daarnaast acht de rechtbank van belang dat verweerder een verkeersveiligheidsaudit van 18 september 2013 heeft laten uitvoeren door Royal Haskoning DHV. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank dan ook voldoende oog gehad voor de verkeersveiligheid en begaanbaarheid van het fietstracé. Verweerder heeft op basis van deze audit aanpassingen doorgevoerd in het ontwerp, onder meer ten aanzien van hetgeen in deze audit als zijnde een ernstige afwijking van hetgeen gebruikelijk is aangegeven - te weten de positionering van het voetpad. Voorts was het doel van deze audit om op onafhankelijke wijze potentiële verkeersveiligheidsproblemen te identificeren en mogelijke oplossingsrichtingen aan te geven. De uitkomsten van deze audit moeten dan ook worden gezien als aanbevelingen, die verweerder niet allen één-op-één behoefde over te nemen. Aan de delen van het rapport van bureau Royal Haskoning DHV van 16 mei 2013 die SBOR heeft overgelegd komt verder geen betekenis toe, nu dat rapport betrekking heeft op een eerder ontwerp van de fietsbrug dan het rapport van 18 september 2013.

6.13

Ingevolge artikel 4, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) gebruiken voetgangers het trottoir of het voetpad. Anders dan SBOR stelt kan uit het vierde lid van artikel 4 van het RVV 1990 niet worden afgeleid dat voetgangers die geen gebruik kunnen maken van een trap geen gebruik zouden mogen maken van het fietspad. Hierin is immers vermeld dat personen die zich verplaatsen met behulp van voorwerpen, niet zijnde voertuigen, in afwijking van het eerste lid, het fietspad dan wel het fiets/bromfietspad mogen gebruiken. Deze beroepsgrond faalt dan ook.

6.14

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, kan niet worden gezegd dat verweerder bij haar besluitvorming onvoldoende inzicht heeft gehad in de belangen van de deelnemers aan het langzaam verkeer. De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden gezegd dat deze belangen dusdanig ernstig zijn geschaad dat verweerder bij afweging van alle belangen van -onder meer- de diverse betrokken doelgroepen en gebruikers van de brug niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

Nu gebleken is dat op goede gronden toestemming is verleend, is de strijd met het bestemmingsplan opgeheven.

7.1

Ten aanzien van de beroepsgrond van SBOR dat ten onrecht is afgeweken van het negatieve welstandsadvies overweegt de rechtbank als volgt. In het bestreden besluit is overwogen dat het negatieve welstandsadvies is gepasseerd nu het ontwerp van de brug inclusief de fietsbrug tot stand is gekomen vanuit eisen en overwegingen van verkeersveiligheid alsmede dat de aanleiding van de reconstructie van de Hoornbrug voortkomt uit het verbeteren van de bereikbaarheid van Rijswijk. De Afdeling heeft in de uitspraak van 22 januari 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:123) overwogen dat artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wabo een voortzetting is van artikel 44, eerste lid, aanhef en onder d, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voordat de Wabo in werking trad (Kamerstukken 1998/1999, 26 734, nr. 3, blz. 13-15) en dat voor de uitleg van artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wabo bij de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 44, eerste lid, aanhef en onder d, van de Woningwet als hiervoor bedoeld kan worden aangesloten. In het wetsvoorstel werd aanvankelijk de eis gesteld dat burgemeester en wethouders ten aanzien van een bouwwerk waarvan de aanvraag in strijd was met redelijke eisen van welstand, slechts om zwaarwegende redenen mochten afwijken (Kamerstukken 1998/1999, 26 734, nr. 1/2, blz. 6). Volgens de toelichting bij dat voorstel gaat het bij zwaarwegende redenen om een bevoegdheid voor burgemeester en wethouders om op grond van andere overwegingen van algemeen belang, zoals economische of maatschappelijke belangen of werkgelegenheid, te kunnen afwijken van een gegeven welstandsoordeel. Vervolgens heeft de Tweede Kamer echter een amendement aangenomen op het wetsvoorstel waardoor de eis is komen te vervallen dat slechts vanwege zwaarwegende redenen mag worden afgeweken van een welstandsoordeel (Kamerstukken 2000/2001, 26 734, nr. 25). Hieruit volgt dat ook overwegingen die niet zien op het algemeen belang als motivering mogen worden gebruikt om van zo’n oordeel af te wijken, aldus de Afdeling.

7.2

Gelet op deze uitspraak en het bepaalde in artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wabo, mocht verweerder op grond van zowel overwegingen van algemeen belang, zoals de bereikbaarheid en de verkeersveiligheid, als overwegingen die geen betrekking hebben op het algemeen belang van het negatieve welstandsadvies afwijken, mits dit voldoende is gemotiveerd.

7.3

De rechtbank is van oordeel dat verweerder toereikend de afwijking van het welstandsadvies heeft gemotiveerd. Daarbij betrekt de rechtbank dat het negatieve welstandsadvies slechts is ingegeven door het negatieve effect dat het tracé van de fietsbrug heeft op het gehele project. Verweerder heeft dit kader toegelicht dat dit tracé is ingegeven door het feit dat de fietsbrug dient aan te sluiten op de Acacialaan en de Hoornbruglaan en gezocht moet worden naar de kortste helling en het noodzakelijk is dat het fietstracé lengte heeft. Verweerder heeft hierbij ook eisen van verkeersveiligheid van belang mogen achten.

8

De beroepsgrond van SBOR dat het door haar aangedragen alternatief, bestaande uit een beweegbare lage brug voor langzaam verkeer, door verweerder ten onrechte niet nader is onderzocht, slaagt evenmin. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling, zie bijvoorbeeld de uitspraken van 7 november 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BY2489) en 29 februari 2012 (ECLI:NL:RVS:2012: BV7253), kan het bestaan van alternatieven slechts tot het onthouden van medewerking nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door gebruikmaking van deze alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. SBOR heeft niet aannemelijk gemaakt dat die situatie zich hier voordoet. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank in de weerlegging van de zienswijzen afdoende onderbouwd dat de kosten van een beweegbare fietsbrug dermate hoog zijn dat het project daardoor niet uitvoerbaar zou zijn alsmede dat het bestaande conflict met de scheepvaart niet duurzaam wordt opgelost.

9

Aangezien geen van de andere in artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo genoemde weigeringsgronden zich voordoet, heeft verweerder, gelet op dit artikel, terecht de gevraagde omgevingsvergunning verleend.

10

Het beroep van SBOR is ongegrond.

11

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep van eiseres niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep van SBOR ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L. Koper, voorzitter, mr. B. Bastein en mr. D. Biever, leden, in aanwezigheid van drs. A.C.P. Witsiers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 juli 2014.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.