Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:9085

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-07-2014
Datum publicatie
06-08-2014
Zaaknummer
AWB-13_6945
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wet openbaarheid van bestuur, vergaarplicht, doorzendplicht

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:29, geldigheid: 2014-07-23
Wet openbaarheid van bestuur 10, geldigheid: 2014-07-23
Wet openbaarheid van bestuur 4, geldigheid: 2014-07-23
Wet openbaarheid van bestuur 1, geldigheid: 2014-07-23
Wet openbaarheid van bestuur 3, geldigheid: 2014-07-23
Algemene wet bestuursrecht 7:3, geldigheid: 2014-07-23
Algemene wet bestuursrecht 4:17, geldigheid: 2014-07-23
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 13/6945

uitspraak van de meervoudige kamer van 23 juli 2014 in de zaak tussen

[eiser], wonende te [plaats], eiser

(gemachtigde: mr. H.P. Olthof),

en

de minister van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigden: mr. A. Buurma en mr. H.O. Nieuwpoort).

Procesverloop

Bij brief van 26 augustus 2013 heeft eiser beroep ingesteld tegen het besluit van 7 augustus 2013 (bestreden besluit), waarbij zijn bezwaar gericht tegen verweerders besluit van 8 februari 2013 (primaire besluit) kennelijk ongegrond is verklaard.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 december 2013. De zaak is gelijktijdig behandeld met de zaak met zaaknummer SGR 13/5916.

Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Op 15 januari 2014 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en verweerder vragen gesteld over de wijze waarop de naam (of een deel van de naam) van de behandelend ambtenaar in het automatiseringssysteem is te achterhalen.

Bij brief van 3 maart 2014 heeft eiser de rechtbank een nader standpunt toegestuurd.

Bij brief van 24 maart 2014, ontvangen op 27 maart 2014, heeft verweerder een reactie met vier bijlagen overgelegd. Hierbij heeft verweerder de rechtbank verzocht om geheimhouding als bedoeld in artikel 8:29 van de Awb toe te passen, in die zin dat alleen de rechtbank kennis mag nemen van de stukken, omdat daarin de namen van de bij de voorbeeldzaken betrokken behandelend ambtenaren zijn vermeld, alsmede de zaakgegevens en persoonsgegevens van burgers die administratief beroep dan wel beroep bij de kantonrechter hebben ingesteld.

Bij beslissing van 1 april 2014 heeft de rechtbank in een andere samenstelling (mr. K. Schaffels) vastgesteld dat de door verweerder overgelegde reactie waarin verweerder de vragen heeft beantwoord geen namen, zaakgegevens en persoonsgegevens bevat, maar slechts een uitleg van de handelingen die nodig zijn om de registratie van de behandelaar in het automatiseringssysteem te traceren en een nader standpunt met betrekking tot de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Derhalve valt volgens de rechtbank niet in te zien welke gewichtige redenen aanwezig zijn voor de beperking van de kennisneming van deze reactie als bedoeld in artikel 8:29 van de Awb.

Voor wat betreft de vier bijlagen bij de reactie heeft de rechtbank overwogen dat de beperking van de kennisneming slechts gerechtvaardigd wordt geacht voor zover het gaat om de gegevens die zijn te herleiden tot de behandelend ambtenaar, de zaak of de persoon die deze zaak aanhangig heeft gemaakt. De rechtbank heeft dan ook bepaald dat de verzochte beperking van de kennisneming slechts gerechtvaardigd is, voor zover het gaat om de in de vier bijlagen genoemde namen van behandelend ambtenaren, zaakgegevens en persoonsgegevens en dat de verzochte beperking van de kennisneming voor het overige niet gerechtvaardigd is.

Bij brief van 2 april 2014 is verweerder in de gelegenheid gesteld binnen twee weken mee te delen welke gevolgen hij aan de beslissing van de rechtbank verbindt.

Op 9 mei 2014 heeft verweerder de rechtbank meegedeeld dat hij bezwaar heeft tegen verstrekking van de bijlagen bij de toelichting (de screenshots van het computersysteem) en heeft daarom verzocht de screenshots terug te sturen en geen onderdeel te laten zijn van het dossier. Verweerder heeft geen bezwaar tegen het verstrekken van de begeleidende brief van 23 maart 2014 en de toelichting en beantwoording van de vragen aan eiser.

Bij brief van 14 mei 2014 zijn de bijlagen aan verweerder teruggezonden en is verweerder meegedeeld dat deze stukken niet bij de beoordeling van het beroep worden betrokken.

Bij brief van 20 mei 2014 is eiser in de gelegenheid gesteld binnen twee weken een reactie te geven op verweerders toelichting en beantwoording van de vragen 24 maart 2014. Bij brief van gelijke datum is verweerder in de gelegenheid gesteld binnen twee weken te reageren op eisers brief van 3 maart 2014. In de brieven is partijen tevens meegedeeld dat de rechtbank van oordeel is dat het niet nodig is om in deze zaak wederom een zitting te houden en heeft zij partijen verzocht aan te geven of zij toestemming geven om zonder nadere zitting uitspraak te doen. Daarbij zijn partijen geïnformeerd dat de samenstelling van de meervoudige kamer is gewijzigd in verband met de pensionering per 1 mei 2014 van een van de leden van de meervoudige kamer, mr. G.F. van der Linden-Burgers.

Verweerder heeft bij brief van 2 juli 2014 gereageerd op het door eiser bij brief van 3 maart 2014 ingediende nadere standpunt. Tevens heeft verweerder de rechtbank toestemming verleend om zonder nadere zitting uitspraak te doen.

Eiser heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid te reageren en heeft bij brief van 4 juli 2014 toestemming geven uitspraak te doen zonder nadere zitting.

Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1

Bij de beoordeling van het geschil gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1

Aan eiser is in het kader van de Wet administratieve handhaving verkeersovertredingen (WAHV) een administratieve sanctie opgelegd wegens het plegen van een verkeersovertreding op 23 november 2012. Bij brief van 20 december 2012 heeft hij daartegen administratief beroep ingesteld bij de Officier van Justitie (OvJ) en heeft hij in het kader daarvan op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) bij de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie (CVOM) verzocht om de volgende documenten:

1. het brondocument;

2. een op ambtseed opgemaakt en op een proces-verbaal gelijkend document, waaruit ondubbelzinnig blijkt hoe de vermeende overtreding is waargenomen;

3. het overzicht zaakgegevens Mulder;

4. een schriftelijke opgave van de namen en verbalisantennummers, althans personeelsnummer van de betrokken verbalisanten en andere betrokken personen, danwel documenten te verstrekken waaruit dezelfde informatie blijkt;

5. opgave ten aanzien van elke verbalisant althans elke betrokken persoon of deze bij de constatering van de gedraging, de totstandkoming van de beschikking of anderszins betrokken was en diens aldus bepaalde rol kort toe te lichten, danwel documenten te verstrekken waaruit dezelfde informatie blijkt;

6. de aktes of besluiten van beëdiging van de bij de waarneming en registratie van deze vermeende overtreding betrokken verbalisanten;

7. de akten of besluiten van aanstelling van de bij de waarneming van registratie van deze vermeende overtreding betrokken verbalisanten;

8. de processen-verbaal van de door de verbalisanten afgelegde eden, verklaringen en beloften;

9. de foto’s (voorzien van datum tijdstip, geconstateerde snelheid en rijrichting) en voor zover het een trajectcontrole mocht betreffen de foto’s van elk meetpunt (met datum, tijdstip in milliseconden, geconstateerde snelheid rijstrook, rijrichting, de exacte GPS locatie van de meetpunten, de exacte afstand tussen de meetpunten en overige informatie noodzakelijk voor de juiste interpretatie van het meetresultaat) waarop duidelijk het voertuig, het kenteken en, voor zover sprake is van meer voertuigen, welk voertuig de snelheidsovertreding zou hebben begaan, vallen waar te nemen en het complete ijkrapport van de apparatuur waarmee de vermeende overtreding is geconstateerd, en dat op dat moment geldig was;

10. een overzicht en verslagen of processen-verbaal van (onderhouds)werkzaamheden aan de meetapparatuur sinds de datum van keuring/ijking tot de dag van de overtreding;

11. een verklaring van de calibratie van de lussen in het wegdek behorend bij de meetapparatuur op alle punten van de (in de beschikking) genoemde traject-controle, inclusief GPS-positie en de exacte onderlinge afstand, zoals is vastgesteld door een daartoe bevoegde instelling;

12. (locatieverklaring) de certificaten waaruit ondubbelzinnig blijkt dat de opsporingsambtenaren die de trajectmeetapparatuur bedienden hiervoor waren gekwalificeerd ten tijde van de meting;

13. het trajectcontrole formulier;

14. het zaakbestand behorende bij deze trajectcontrole;

15. het besluit dat ten grondslag ligt aan de instelling van de maximum snelheid;

16. informatie waaruit blijkt wie dit verzoek behandelt;

17. het mandaatbesluit en mandaatregister waaruit de beslissingsbevoegdheid van behandelaar blijkt;

18. het volledige CJIB zaakoverzicht.

Voorts heeft eiser aangegeven dat hij bezwaar heeft tegen de in rekening gebrachte administratiekosten. Vooruitlopend op het geval dat de administratiekosten worden gehandhaafd heeft eiser verzocht om de bestuurlijke documenten toe te sturen waaruit blijkt hoe de administratiekosten tot stand zijn gekomen en waaruit blijkt dat deze oplegging van administratiekosten slechts kostendekkend is. Ten slotte heeft eiser nog verzocht informatie te verschaffen ten aanzien van de behandelaar van het dossier.

1.2

Bij het primaire besluit heeft verweerder aan eiser door tussenkomst van diens gemachtigde het zogenoemde zaakoverzicht verstrekt.

Voorts heeft verweerder in zijn besluit overwogen dat eiser via zijn gemachtigde tevens heeft gevraagd om documenten die niet in zijn bezit zijn. Dienaangaande heeft verweerder eiser verwezen naar de brief aan eisers gemachtigde van 21 december 2012, met kenmerk CVOM/BV/WOB 106. Verweerder gaat er vanuit dat eisers gemachtigde ermee bekend is dat documenten zoals ijkrapporten, aktes van beëdiging en aanstelling van verbalisanten zich niet bij verweerder maar bij de betreffende opsporingsinstantie bevinden en dat eiser zijn verzoek derhalve aan de betreffende instantie dient te richten. Daarbij heeft verweerder aangegeven dat dit onverkort geldt voor eisers verzoek om informatie omtrent de administratiekosten en dat de gemachtigde van eiser bovendien, naar aanleiding van andere Wob-verzoeken die door verweerder aan het CJIB ter behandeling zijn doorgestuurd bij brief van 10 december 2012 uitgebreid is geïnformeerd over de wijze waarop de administratiekosten worden berekend en waarom het bedrag kostendekkend is.

Verweerder heeft voorts overwogen dat hij verstrekking van informatie over de ambtenaar die het verzoek behandelt in strijd met artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob acht. Naar het oordeel van verweerder wordt door het openbaar maken van de personalia van de betreffende ambtenaar een ongerechtvaardigde inbreuk gemaakt op diens persoonlijke levenssfeer. Voorts heeft verweerder bij het primaire besluit het (onder)mandaat aan eiser verstrekt. Daarbij heeft verweerder niet gevoegd de daarbij behorende bijlage die een lijst met namen bevat van medewerkers vallende onder het (onder)mandaat, aangezien alle beslissingen uit naam van de Officier van Justitie (OvJ) worden genomen. Het belang van openbaarmaking van deze lijst met namen heeft verweerder niet groter geacht dan het belang van bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de individuele medewerkers van de CVOM en de lijst is daarom op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob niet openbaar gemaakt.

1.3

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 21 maart 2013 bezwaar gemaakt.

1.4

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd en het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond verklaard.

2

Eiser kan zich niet vinden in het bestreden besluit en heeft daartoe in beroep aangevoerd – kort weergegeven – dat hij ten onrechte niet is gehoord in bezwaar en zijn bezwaar daarom ten onrechte kennelijk ongegrond is verklaard. Daarnaast heeft hij aangevoerd dat de documenten die betrekking hebben op een vermeende verkeersovertreding en de daarbij betrokken opsporingsambtenaren onder verweerder berusten, zodat op verweerder een vergaarplicht rust. Voorts kan de OvJ die werkzaam is voor verweerder, gelet op zijn gezagspositie afgifte van deze documenten afdwingen. De hiërarchische verhouding van de OvJ en de verantwoordelijkheidsrelatie brengen met zich dat verweerder bevoegd en gehouden was de documenten op te vragen bij de opsporingsinstanties die onder zijn verantwoordelijkheid werkzaam zijn. Eiser heeft daar in zijn nadere toelichting van 3 maart 2014 aan toegevoegd dat verweerder volgens hem rechtstreeks de foto van de verkeersovertreding kan raadplegen via het Kenlez-systeem van de politie. Gelet op de rechtstreekse toegang van de OvJ tot dit systeem, moet volgens eiser worden geconcludeerd dat in ieder geval de foto van de overtreding (mede) bij verweerder berust. Op grond hiervan is het volgens eiser aannemelijk dat ook het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van een overtreding via dit systeem binnen de macht van verweerder is. Voorts heeft eiser aangevoerd dat verweerder is gehouden uitvoering te geven aan artikel 4 van de Wob in het geval verweerder constateert dat de documenten niet onder hem berusten. Naar zijn mening kan verweerder niet volstaan met de mededeling dat, nu hij de gemachtigde van eiser er in het verleden op heeft gewezen dergelijke documenten niet te hebben, hij het verzoek niet door hoeft te zenden en niet als postbus gebruikt te willen worden. Voor wat betreft de weigering om informatie over de behandelaar van het administratief beroep openbaar te maken heeft eiser aangevoerd dat verweerder eraan voorbijgaat dat er meerdere methoden zijn om ambtenaren te identificeren. Zo zijn er personeelsnummers en initialen, die als los gegeven in het geheel niet naar de persoon van de ambtenaar te herleiden zijn. Dergelijke gegevens kunnen volgens eiser wel uit het administratieve softwarepakket (AMBer) worden gehaald. Eiser ziet daarom niet in waarom verweerder geen afschrift van dit gegeven openbaar heeft gemaakt, bijvoorbeeld in de vorm van een schermafdruk.

3

De rechtbank overweegt als volgt.

3.1

In geschil is of verweerder gehouden was de documenten die niet onder hem berusten te vergaren en of verweerder op goede gronden heeft geweigerd de naam van de behandelaar van het administratief beroep openbaar te maken. Daarnaast is in geschil of verweerder gehouden was tot doorzending van het (resterende) Wob-verzoek van eiser.

3.2

Op grond van artikel 1, aanhef en onder a, van de Wob wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder document: een bij een bestuursorgaan berustend schriftelijk stuk of ander materiaal dat gegevens bevat.

3.3

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wob kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

3.4

Op grond van artikel 4 van de Wob wordt, indien het verzoek betrekking heeft op gegevens in documenten die berusten bij een ander bestuursorgaan dan dat waarbij het verzoek is ingediend, de verzoeker zo nodig naar dat orgaan verwezen. Is het verzoek schriftelijk gedaan, dan wordt het doorgezonden onder mededeling van de doorzending aan de verzoeker.

3.5

Op grond van vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechterspraak van de Raad van State (de Afdeling), zie onder meer de uitspraak van 2 oktober 2013 (ELCI:NL:RVS:2013:1376) is het, wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet of niet meer onder hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, in beginsel aan degene die om informatie verzoekt aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot wat uit het onderzoek door het bestuursorgaan volgt, een bepaald document toch onder dat bestuursorgaan berust. Verweerder heeft gemotiveerd uiteengezet alleen te beschikken over het zaakoverzicht. De rechtbank ziet geen reden hieraan te twijfelen. Eisers standpunt dat verweerder de hierboven genoemde stukken waarover hij zelf niet beschikte, diende te vergaren, wordt niet gevolgd. De eis in de Wob dat het moet gaan om documenten die bij een bestuursorgaan berusten, betekent volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling dat het betreffende document zich fysiek onder een bestuursorgaan moet bevinden. Een bestuursorgaan heeft volgens de Afdeling niet de verplichting de informatie elders te vergaren (bijvoorbeeld de uitspraak van 13 augustus 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BD9942). Dat is slechts anders wanneer het gaat om informatie die bij het bestuursorgaan behoort te berusten (zie de uitspraak van de Afdeling van 19 maart 2008 (ECLI:NL:RVS:2008:BC7085). Naar het oordeel van de rechtbank is er geen grond voor eisers stelling dat behalve het zaakoverzicht, ook de overige door hem gevraagde documenten deel moeten uitmaken van verweerders procesdossier in het kader van de WAHV. Zoals het gerechtshof te Leeuwarden heeft geoordeeld bij arrest van 21 april 2010 (ECLI:NL:GHLEE:2010:BN5774), schrijft geen wettelijke bepaling voor dat de gevraagde stukken deel uitmaken van het dossier. Daartoe bestaat in een WAHV-zaak slechts aanleiding indien redelijkerwijs twijfel bestaat over de aspecten waarop die informatie betrekking heeft. In hoeverre in eisers WAHV-zaak aanvullende stukken nodig zijn voor de beoordeling van zijn beroep, staat ter beoordeling van de rechter in die procedure en is thans niet aan de orde. Overigens is de door eiser in dit verband genoemde uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant achterhaald door de uitspraak van diezelfde rechtbank van 7 april 2014, ECLI:NL:2014:1606).

3.6

De door eiser gestelde omstandigheid dat tussen verweerder en de politie een hiërarchische verhouding bestaat, maakt niet dat verweerder over alle stukken van de politie zou kunnen en moeten beschikken. De politie is in het kader van de Wob niet aan te merken als een aan verweerder ondergeschikt bestuursorgaan.

3.7

De rechtbank is voorts van oordeel dat de enkele omstandigheid dat verweerder inzage heeft in het Kenlez-systeem, niet betekent dat documenten waarin die gegevens zijn vastgelegd in fysieke of daarmee gelijk te stellen zin aanwezig zijn bij verweerder. Naar verweerder heeft toegelicht is de in het Kenlez-systeem beschikbare informatie niet opgeslagen op de eigen server(s) van verweerder. Verweerder dient om toegang te hebben tot het Kenlez-systeem door middel van toegangscodes in te loggen op het systeem en de server van de nationale politie. Gelet hierop acht de rechtbank het voldoende aannemelijk gemaakt dat het Kenlez-systeem en de daarin opgeslagen informatie bij de nationale politie berust en dat verweerder daartoe slechts beperkte of voorwaardelijke toegang heeft. Zie ook de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 12 juni 2014 (ECLI:NL:RBROT:2014:4532) en de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 3 juli 2014 (ECLI:NL:RBAMS:2014:4012).

3.8

Verweerder heeft ter zitting naar voren gebracht dat hij zich voor wat betreft het verzoek om openbaarmaking van de naam van de behandelend ambtenaar primair op het standpunt stelt dat er geen document bestaat waaruit blijkt welke behandelaar een specifiek verzoek of dossier in behandeling heeft genomen, dan wel waaruit de naam of de initialen van de behandelaar blijken. De rechtbank komt deze mededeling niet ongeloofwaardig voor.

Het standpunt van eiser dat verweerder een schermafdruk van het automatiseringssysteem Afhandeling Mulder beroepen (AMBer) zou kunnen maken volgt de rechtbank niet. De gemachtigde van verweerder heeft daarover ter zitting verklaard dat de naam dan wel een deel van de naam wel zichtbaar is in het computersysteem, maar dat het meerdere handelingen vergt om de naam op te zoeken.

3.9

Na de behandeling in raadkamer heeft de rechtbank het onderzoek heropend en verweerder de vraag ter beantwoording voorgelegd – kort gesteld – op welke wijze de naam (of een deel van de naam) van de behandelend ambtenaar in het computersysteem is te achterhalen. Verweerder heeft in de bij brief van 24 maart 2014 overgelegde reactie uiteengezet dat de administratieve beroepen die bij het CVOM worden ingediend worden gescand en in het computersysteem AMBer worden geregistreerd. In het AMBer wordt het gehele dossier digitaal opgebouwd en worden handelingen (bijvoorbeeld: registreren, opvragen verzuim, beoordelen) in het dossier gelogd in het controlespoor. Het controlespoor geeft zodoende de verschillende fases van de behandeling weer met daarbij de behandelaar van die fase. Er wordt niet op andere wijze geregistreerd welke werknemer (de fases) het administratief beroep behandelt. Het opzoeken van de behandelaar in het AMBer vergt een aantal handelingen. Ten eerste moet in het AMBer het betreffende dossier opgezocht worden aan de hand van een zoekterm, bijvoorbeeld het AMBer-kenmerk of CJIB-nummer en vervolgens moet het digitaal dossier door middel van een muisklik worden geopend, waarna via verschillende tabbladen kan worden gekozen voor het openen van het controlespoor. Op het scherm staat bij ‘eigenaar’ vermeld de naam van de medewerker die zich het administratief beroep het laatst heeft toegeëigend (middels een muisklik op de knop toe-eigenen) teneinde bepaalde handelingen te verrichten. In het controlespoor staan verschillende handelingen gekoppeld aan medewerkers van de CVOM. Niet alle handelingen worden vermeld in het controlespoor. Zo staat alleen in het tabblad ‘aantekeningen’ weergegeven wie de aantekening heeft gemaakt. Van bijvoorbeeld het aanpassen van de correspondentietaal wordt helemaal niet geregistreerd welke medewerker de handeling heeft verricht.

3.10

Verweerder heeft ter verduidelijking van zijn uiteenzetting verwezen naar meerdere bijlagen. Deze bijlagen, de zogeheten screenshots, zijn op verzoek van verweerder teruggezonden en kunnen derhalve niet bij de beoordeling van het beroep worden betrokken. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de wijze waarop de naam (of een deel van de naam) van de behandelend ambtenaar in het computersysteem is te achterhalen voldoende inzichtelijk heeft gemaakt en dat zijn schriftelijke uiteenzetting geen verduidelijking aan de hand van screenshots behoeft, zodat zij geen consequenties verbindt aan het achterhouden van de bijlagen.

3.11

Voorts heeft verweerder toegelicht dat het niet mogelijk is om het controlespoor rechtstreeks uit te printen. Wil men toch een uitdraai, dan moet eerst een printscreen worden gemaakt en vervolgens moet deze printscreen in, bijvoorbeeld, een leeg Word-bestand worden geplakt voordat het kan worden uitgeprint en verstrekt. Zodoende moet volgens verweerder eerst een document gecreëerd worden, wat op grond van de Wob niet verplicht is.

3.12

Gelet op de handelingen die moeten worden verricht om een schermafdruk te maken van de in het AMBer geregistreerde naam van de behandelaar, is geen sprake van een situatie dat met één druk op de knop gegevens uit het computersysteem worden verkregen. Naar het oordeel van de rechtbank houdt het maken van een schermafdruk in dit geval het vervaardigen van een document in. De Wob is echter van toepassing op informatie neergelegd in bestaande documenten en kent geen verplichting om gegevens te vervaardigen die niet in bestaande documenten zijn neergelegd, ongeacht te mate van inspanning. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 5 juni 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:CA2102)

3.13

Verweerder heeft dan ook kunnen volstaan met openbaarmaking van het bij hem berustende zaakoverzicht.

3.14

Dit betekent dat op het verzoek - voor zover dat door verweerder niet kon worden ingewilligd omdat de documenten niet bij hem berusten als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wob - in beginsel de doorzendplicht van artikel 4 van de Wob van toepassing was. De rechtbank stelt vast dat verweerder eiser in het primaire besluit enkel heeft verwezen naar de opsporingsinstantie, terwijl hij – nu het verzoek schriftelijk is ingediend – daarmee, gelet op de tekst van artikel 4 van de Wob, niet kon volstaan.

3.15

Zoals ook de rechtbank Rotterdam in haar uitspraak van 12 juni 2014 (ECLI:NL:RBROT:2014:4532) heeft geoordeeld, is de rechtbank echter van oordeel dat verweerder, nu verweerder de gemachtigde van eiser reeds bij brieven van 21 december 2012 en 10 december 2012 heeft meegedeeld tot welke instantie hij zich met betrekking tot bepaalde documenten, zoals ijkrapporten en aktes van de beëdiging van verbalisanten, moet richten, in dit geval niet verplicht was het verzoek van eiser in zoverre op grond van artikel 4 van de Wob door te zenden.

3.16

Ten aanzien van eisers stelling dat verweerder de hoorplicht heeft geschonden, omdat er geen sprake is van een kennelijk ongegrond bezwaar en zijn opmerking dat hij zich niet aan de indruk kan onttrekken dat verweerder het bezwaar kennelijk ongegrond heeft verklaard, slechts met het doel de hoorplicht te kunnen passeren en onder een dwangsom uit te komen, overweegt dat rechtbank het volgende.

3.17

Ingevolge artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb kan van het horen worden afgezien als het bezwaar kennelijk ongegrond is. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling is daarvan sprake als op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 21 november 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY3747). Verweerder heeft, gelet op hetgeen eiser in bezwaar heeft aangevoerd, dit bezwaar kennelijk ongegrond kunnen achten. Dat het bestreden besluit tien pagina’s beslaat en verweerder er lange tijd over heeft gedaan om op het bezwaar te beslissen, maakt dat niet anders. Van een schending van de hoorplicht is dan ook geen sprake. Derhalve is verweerder gelet op artikel 4:17, zesde lid, van de Awb eiser geen dwangsom verschuldigd.

3.18

Eisers beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt, nu geen sprake is van gelijke gevallen. In de zaak waar eiser zich op beroept heeft verweerder in de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 26 april 2013 met zaaknummer SHE 13/441, waarbij het beroep gegrond is verklaard, het bestreden besluit vernietigd en verweerder is opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak, aanleiding gezien te horen. De rechtbank Oost-Brabant heeft in rechtsoverweging 5 overwogen dat het Wob-verzoek van die eiser dermate algemeen was geformuleerd dat hieruit niet zonder meer kon worden opgemaakt over welke stukken eiser wilde beschikken en dat het gelet op de op verweerder rustende vergaarplicht evenwel op de weg van verweerder had gelegen bij eiser te informeren op welke stukken zijn verzoek concreet betrekking had. Van een dergelijke situatie is in het onderhavige geval geen sprake.

4

Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.

5

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.T. Paulides, mr. B. Meijer en mr. G.P. Kleijn, rechters, in aanwezigheid van Y.E. de Loos, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2014.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.