Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:902

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-01-2014
Datum publicatie
31-01-2014
Zaaknummer
AWB-13_7210
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2014:3580, Niet bevoegd
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2015:854, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Herzieningsbeschikking tegemoetkoming buitengewone uitgaven.

Een beschikking tegemoetkoming buitengewone uitgaven 2008 heeft in het kader van herziening betrekking op het kalenderjaar 2007. Nu in het Tijdelijk Besluit tegemoetkoming buitengewone uitgaven (tekst tot 1 januari 2009) geen termijn is opgenomen waarbinnen een herzieningsbeschikking moet worden vastgesteld indien binnen 5 jaren is gebleken dat de tegemoetkoming tot een te hoog bedrag is vastgesteld, dient verweerder een redelijke termijn te worden gegund. Gelet op de door verweerder aangevoerde omstandigheden acht de rechtbank een termijn van 9 maanden in dit geval niet onredelijk lang.

Wetsverwijzingen
Tijdelijk besluit tegemoetkoming buitengewone uitgaven 2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2014/209
FutD 2014-0296
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 13/7210

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 januari 2014 in de zaak tussen

[X], wonende te [Z], eiseres

(gemachtigde: [A]),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Belastingen, kantoor [te P], verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres een herzieningsbeschikking tegemoetkoming buitengewone uitgaven 2008 opgelegd van nihil en het eerder toegekende bedrag van € 586 teruggevorderd (de herzieningsbeschikking).

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de herzieningsbeschikking gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft vóór de zitting een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 december 2013 te Den Haag.

Eiseres en haar gemachtigde zijn daar, met kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen. Namens verweerder zijn verschenen [B], [C] en [D].

Overwegingen

Feiten

1.

Bij beschikking met dagtekening 19 juli 2010 is aan eiseres een tegemoetkoming buitengewone uitgaven 2008 (de tegemoetkoming 2008) toegekend van € 586. De hoogte van de tegemoetkoming is gebaseerd op de buitengewone uitgaven die zijn gedaan in het jaar 2007 en de inkomensgegevens van 2007.

2.

Bij beschikking met dagtekening 10 juli 2012 heeft verweerder het verzamelinkomen van eiseres voor het jaar 2007 ambtshalve verminderd en vastgesteld op nihil.

3.

Met dagtekening 29 maart 2013 is de herzieningsbeschikking opgelegd aan de hand van de op 10 juli 2012 vastgestelde verzamelinkomens.

Geschil
4. In geschil is het antwoord op de vraag of de herzieningsbeschikking binnen de herzieningstermijn van artikel 2, vijfde lid, van het Tijdelijk besluit tegemoetkoming buitengewone uitgaven (het Tijdelijk besluit) is opgelegd. Meer specifiek spitst het geschil zich toe op de vraag hoe de zinsnede “het kalenderjaar waarop de tegemoetkoming betrekking heeft” dient te worden uitgelegd.

5.

Eiseres neemt het standpunt in dat de tegemoetkoming 2008 niet tijdig is herzien. Hiertoe voert zij aan dat de tegemoetkoming betrekking heeft op het kalenderjaar 2007, omdat de uitgaven in 2007 zijn gedaan. De herzieningstermijn liep dus tot en met 31 december 2012. Voorts stelt eiseres dat de herzieningsbeschikking in strijd met het vertrouwensbeginsel en zorgvuldigheidsbeginsel is opgelegd omdat verweerder niet voortvarend heeft gehandeld en dat het motiveringsbeginsel is geschonden.

6.

Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de herzieningsbeschikking.

7.

Verweerder neemt het standpunt in dat de herzieningsbeschikking tijdig is opgelegd omdat de tegemoetkoming betrekking heeft op het jaar waarin de aanspraak is ontstaan, zijnde het jaar 2008 zodat de herzieningstermijn liep tot en met 31 december 2013. Voorts stelt verweerder dat van schending van enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur geen sprake is.

8.

Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

Beoordeling van het geschil

9.

Ingevolge artikel 2, vijfde lid, van het Tijdelijk besluit (tekst tot 1 januari 2009) wordt de tegemoetkoming vastgesteld bij beschikking van de inspecteur en kan de inspecteur de beschikking herzien indien binnen vijf jaren na het kalenderjaar waarop de tegemoetkoming betrekking heeft, blijkt dat de beschikking ten onrechte of tot een onjuist bedrag is vastgesteld.

10.

Naar het oordeel van de rechtbank wordt met “het kalenderjaar waarop de tegemoetkoming betrekking heeft” bedoeld het jaar waarin de buitengewone uitgaven zijn gedaan en niet, zoals verweerder stelt, het daaropvolgende jaar waarin recht op de tegemoetkoming ontstaat. Dit kan onder meer worden afgeleid uit paragraaf 2 van de toelichting bij het Besluit tegemoetkoming specifieke zorgkosten (AMvB van 31 mei 2010, nr. Stb. 2010, 261), welke de opvolger is van het Tijdelijk besluit. Hierin is, voor zover van belang, het volgende vermeld:

2.

Overgang van oude naar nieuwe tegemoetkomingsregeling

(…)

“Als gevolg van een van die juridische verbeteringen zal op de beschikking voortaan het jaar worden vermeld waarop de uitgaven betrekking hebben (en waarvoor derhalve het verzilveringsprobleem geldt) in plaats van - zoals onder de TBU-regeling als gevolg van de in die regeling geldende systematiek het geval was - het jaar dat volgt op het jaar waarop de uitgaven betrekking hebben. De beschikking tegemoetkoming specifieke zorgkosten die betrekking heeft op het jaar 2009 zal dus de naam TSZ2009 krijgen. (…)

11.

Gelet op het bovenstaande heeft de tegemoetkoming 2008, in de zin van de onder 9. genoemde bepaling, betrekking op het kalenderjaar 2007.

12.

Vast staat dat uiterlijk op 10 juli 2012, en dus binnen een termijn van vijf jaren, is gebleken dat de tegemoetkoming 2008 ten onrechte was vastgesteld. Uit de tekst van de onder 9. genoemde bepaling kan naar het oordeel van de rechtbank echter niet worden afgeleid dat vervolgens ook de herzieningsbeschikking binnen vijf jaren na het kalenderjaar waarop de tegemoetkoming betrekking heeft, dient te worden vastgesteld. Nu hiervoor in het Tijdelijk Besluit geen termijn is opgenomen, dient verweerder naar het oordeel van de rechtbank een redelijke termijn te worden gegund. Vanaf het moment dat is gebleken dat de tegemoetkoming ten onrechte was vastgesteld, op 10 juli 2012, tot aan de dagtekening van de herzieningsbeschikking op 29 maart 2013, is een termijn verstreken van afgerond 9 maanden. Gelet op de door verweerder aangevoerde omstandigheden, onder meer dat de herziening van tegemoetkomingen buitengewone uitgaven via een volledig handmatig uitgevoerd proces plaatsvindt, acht de rechtbank een termijn van 9 maanden in dit geval niet onredelijk lang.

13.

Gelet op het bovenstaande wordt de beroepsgrond van eiseres dat verweerder onredelijk lang heeft stilgezeten en de terugvorderingsbeschikking daarom in strijd met het vertrouwensbeginsel en zorgvuldigheidsbeginsel is opgelegd, door de rechtbank verworpen. Voorts heeft verweerder in de uitspraak op bezwaar aangegeven op welke gronden de tegemoetkoming is herzien. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met het door hem genomen besluit het motiveringsbeginsel dan ook niet geschonden.

14.

Gelet op het bovenstaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

15.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.E. Schotte, rechter, in aanwezigheid van mr. B.H. Suijkerbuijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 januari 2014.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1.

bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2.

het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep