Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:8952

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-02-2014
Datum publicatie
06-08-2014
Zaaknummer
C-09-458508 - KG ZA 14-60
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Eiser is voor de tenuitvoerlegging van een in België aan hem opgelegde gevangenisstraf overgebracht naar Nederland. Vordering tot staking, althans opschorting gevangenisstraf wordt door de voorzieningenrechter afgewezen. Eiser stelt dat hij in België nadat hij éénderde van zijn gevangenisstraf had ondergaan in aanmerking zou komen voor voorwaardelijke in vrijheidstelling, terwijl dit in Nederland pas mogelijk is na het ondergaan van tweederde deel van de gevangenisstraf. Gezien de regelgeving die van toepassing was op het moment dat de minister besliste over de voorwaarden waaronder hij instemde met de overbrenging van Weber naar Nederland, kon hij in redelijkheid beslissen dat voorwaardelijke in vrijheidstelling zou worden verleend na tweederde van de gevangenisstraf. Onder die voorwaarde hebben Belgische autoriteiten ingestemd met de overbrenging van eiser. Van die gemaakte afspraken kan niet zonder meer eenzijdig worden afgeweken. Bovendien staat niet vast dat eiser is België na tenuitvoerlegging van eenderde van de gevangenisstraf voorwaardelijk in vrijheid zou zijn gesteld, omdat die voorwaardelijke invrijheidstelling in België pas wordt verleend na rechterlijke toets.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team Handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/458508 / KG ZA 14-60

Vonnis in kort geding van 19 februari 2014

in de zaak van

[eiser],

verblijvende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. S.B.M.A. Engelen te Venlo,

tegen:

de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Veiligheid en Justitie),

gevestigd te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. C.M. Bitter te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘[eiser]’ en ‘de Staat’.

1 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 12 februari 2014 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1.

Bij arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen, België van 8 april 2011 is aan [eiser] voor drugsdelicten een gevangenisstraf van 8 jaar opgelegd. Het door [eiser] ingestelde beroep in cassatie tegen dit arrest is op 21 februari 2012 verworpen.

1.2.

Op 20 juni 2012 is aan [eiser] in uitvoering van een beslissing van de gemachtigde van de Staatssecretaris voor Asiel, Migratie en Maatschappelijke Integratie het bevel gegeven om onmiddellijk het grondgebied van België te verlaten.

1.3.

Bij brief van 26 juli 2012 is namens de Belgische Minister van Justitie aan de Nederlandse autoriteiten verzocht in te stemmen met een verzoek tot overbrenging van [eiser]. Het verzoek is gedaan met toepassing van het Aanvullend Protocol bij het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen (hierna: VOGP). De procedure van overbrenging is, overeenkomstig artikel 3 lid 1 van het Aanvullend Protocol bij het VOGP opgestart zonder akkoord van [eiser]. Bij genoemde brief is als bijlage (onder meer) meegezonden een schriftelijke verklaring, door [eiser] ondertekend op 20 april 2012, inhoudende dat hij akkoord gaat met een overbrenging, alsmede het hiervoor onder 1.2 genoemde bevel, alles als bedoeld in artikel 3 lid 2 en 3 van het Aanvullend Protocol.

1.4.

Het gerechtshof Arnhem heeft op 11 september 2012 de Minister van Veiligheid en Justitie (hierna: de minister) overeenkomstig artikel 43 van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen (hierna: WOTS) geadviseerd omtrent het verzoek om de gevangenisstraf van 8 jaar die aan [eiser] is opgelegd verder te ondergaan in een gevangenis in Nederland en daartoe de tenuitvoerlegging van het Belgische strafvonnis aan Nederland over te dragen en [eiser] daartoe naar Nederland over te brengen. Het hof heeft positief geadviseerd.

1.5.

Bij brief van 20 september 2012 is namens de minister aan de Belgische autoriteiten meegedeeld dat hij instemt met het verzoek tot overbrenging van [eiser]. In deze brief is, onder meer, het volgende vermeld:

“(…)

Naar Nederlands recht zal een veroordeelde na het ondergaan van tweederde deel van de opgelegde straf voorwaardelijk in vrijheid worden gesteld, waarbij vrijlating geschiedt onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van zijn proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. Tevens kunnen bijzondere voorwaarden aan de voorwaardelijke vrijlating worden gesteld.

Bij de overname van het vonnis zal de in artikel 10 van het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen (21 maart 1983, Straatsburg) genoemde voortzettingsprocedure worden gevolgd.

(…)”

1.6.

In reactie op voornoemde brief van 20 september 2012 hebben de Belgische autoriteiten bij brief van 2 oktober 2012 bericht in te stemmen met de overbrenging naar Nederland van [eiser].

1.7.

[eiser] is op 6 november 2012 overgebracht naar Nederland.

1.8.

Bij brief van 13 januari 2014 is de minister namens [eiser] verzocht hem per direct voorwaardelijk in vrijheid te stellen. Namens [eiser] is hiertoe – kort samengevat – aangevoerd dat zijn voorwaardelijke invrijheidstelling in België na het ondergaan van éénderde van de opgelegde gevangenisstraf toelaatbaar zou zijn verklaard. Dat was derhalve reeds op 13 november 2013 het geval. Vanwege de toepassing van de procedure tot voortgezette toepassing wordt [eiser] geconfronteerd met een substantieel langere gevangenisduur, omdat in Nederland voorwaardelijke invrijheidstelling pas mogelijk is na het ondergaan van tweederde van de gevangenisstraf.

1.9.

Bij brief van 22 januari 2014 heeft de minister gemotiveerd op het verzoek van [eiser] beslist en het verzoek afgewezen. De minister ziet geen aanleiding om de datum van voorwaardelijke invrijheidstelling vast te stellen op een eerdere datum dan nadat [eiser] tweederde van de gevangenisstraf heeft ondergaan.

1.10.

Ingevolge de Nederlandse regeling voor voorwaardelijke invrijheidstelling komt [eiser] op 12 juli 2016 in aanmerking voor voorwaardelijke invrijheidstelling. Bij deze datum is rekening gehouden met de tijd dat [eiser] in België gedetineerd heeft gezeten (inclusief de tijd dat hij in voorlopige hechtenis heeft gezeten).

2 Het geschil

2.1.

[eiser] vordert, zakelijk weergegeven:

I. de Staat te bevelen de aan hem tenuitvoer gelegde gevangenisstraf met onmiddellijke ingang te staken althans op te schorten althans op te leggen, dan wel aan hem met onmiddellijke ingang strafonderbreking toe te kennen ex artikel 570b van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv);

II. de Staat te veroordelen tot betaling van een voorschot op schadevergoeding,

met veroordeling van de Staat in de kosten van dit geding.

2.2.

Daartoe voert [eiser] het volgende aan. De procedure van overbrenging naar Nederland is naar aanleiding van een verzoek van hem geïnitieerd. Doordat bij deze overbrenging de procedure van voortgezette tenuitvoerlegging is toegepast, ziet [eiser] zich geconfronteerd met een substantieel langere gevangenisstraf dan wanneer hij in België was gebleven. In Nederland is een voorwaardelijke invrijheidstelling mogelijk na het ondergaan van tweederde deel van de gevangenisstraf, terwijl dit in België al mogelijk is na éénderde deel van de gevangenisstraf. [eiser] voldoet aan de voorwaarden die in België gelden om in aanmerking te komen voor voorwaardelijke invrijheidstelling na éénderde van de gevangenisstraf. [eiser] is er nooit over geïnformeerd dat een verzoek tot overdracht van de tenuitvoerlegging van zijn gevangenisstraf er toe zou kunnen leiden dat er een wijziging zou optreden in de einddatum van zijn detentie die een verzwaring van zijn strafrechtelijke positie en een langdurigere detentie zou inhouden. Hij heeft ook geen afstand gedaan van zijn recht op voorwaardelijke invrijheidstelling na éénderde van de gevangenisstraf en heeft daarmee ook niet ingestemd. De Staat handelt onrechtmatig jegens [eiser] door uit te gaan van het Nederlandse stelsel van voorwaardelijke invrijheidstelling, de Staat had rekening moeten houden met de datum van voorwaardelijke invrijheidstelling die in België zou gelden. Bovendien heeft te gelden dat een langere duur van detentie dan die werd voorzien door de Belgische strafrechter inhumaan moet worden geacht en daarom in strijd is met artikel 3 van het Europese verdrag voor de rechten van de mens (hierna: EVRM).

2.3.

De Staat voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

3 De beoordeling van het geschil

3.1.

[eiser] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat de Staat onrechtmatig jegens hem handelt. Daarmee is in zoverre de bevoegdheid van de burgerlijke rechter – in dit geval de voorzieningenrechter in kort geding – tot kennisneming van de vorderingen gegeven.

3.2.

De beslissingen om [eiser] voor de verdere tenuitvoerlegging van zijn straf over te brengen naar Nederland zijn genomen op 20 september 2012 (de Nederlandse autoriteiten) respectievelijk 2 oktober 2012 (de Belgische autoriteiten). Overeenkomstig de op dat moment geldende regelgeving dienden deze beslissingen zowel door de Nederlandse als door de Belgische autoriteiten te worden genomen met toepassing van het VOGP en het Aanvullend Protocol bij het VOGP. De minister diende tevens acht te slaan op de Wet overdracht tenuitvoerlegging van strafvonnissen (hierna: WOTS).

3.3.

De minister heeft ingestemd met het verzoek om overbrenging, met aankondiging aan de Belgische autoriteiten dat daarbij de in artikel 10 VOGP genoemde voortzettingsprocedure zou worden gevolgd en dat naar Nederlands recht een veroordeelde na het ondergaan van tweederde deel van de opgelegde straf voorwaardelijk in vrijheid zou worden gesteld. Dit is in overeenstemming met artikel 9, derde lid, VOGP, waarin is bepaald dat de tenuitvoerlegging van de veroordeling wordt beheerst door het recht van de staat van tenuitvoerlegging (Nederland, in dit geval). De Belgische autoriteiten hebben vervolgens onder die voorwaarden ingestemd met de overbrenging van [eiser]. Dit betekent dat bij de overbrenging van [eiser] naar Nederland er door zowel de Nederlandse als de Belgische autoriteiten vanuit gegaan werd dat [eiser] in Nederland zijn in België opgelegde gevangenisstraf van 8 jaar verder zou moeten ondergaan en dat hij nadat hij tweederde deel daarvan heeft ondergaan voorwaardelijk in vrijheid zal worden gesteld.

3.4.

Vooropgesteld wordt dat de minister bij de toepassing van het VOGP, het Aanvullend Protocol en de WOTS een grote beleidsvrijheid heeft. De burgerlijke rechter dient zich zeer terughoudend op te stellen in zijn toetsing van (de rechtmatigheid van) beslissingen van de minister. Dit geldt te meer voor de voorzieningenrechter in kort geding. Voor ingrijpen van de voorzieningenrechter is dan ook slechts plaats indien een beslissing van de minister onmiskenbaar onrechtmatig is.

3.5.

De kern van het betoog van [eiser] komt er op neer dat de minister aan had moeten sluiten bij de datum van voorwaardelijke invrijheidstelling die in België zou gelden voor hem. Hij verwijst hierbij naar artikel 10 VOGP en artikel 15, lid 7, van het Wetboek van Strafrecht (Sr).

3.6.

Het beroep van [eiser] op artikel 10 VOGP slaagt niet. Voor zover hier relevant is in dit artikel bepaald dat ingeval van voortzetting van de tenuitvoerlegging de staat van tenuitvoerlegging gebonden is aan het rechtskarakter en de duur van de veroordeling, zoals die zijn vastgesteld door de staat van veroordeling. De minister heeft bij zijn instemming met de overbrenging van [eiser] gehandeld overeenkomstig dit artikel. Hij heeft immers het rechtskarakter (gevangenisstraf) en de duur van de veroordeling (acht jaar) gerespecteerd. Voor zover er in Nederland en België voor [eiser] sprake is van een verschil in het moment waarop hij voorwaardelijk in vrijheid wordt gesteld, levert dit geen schending op van artikel 10 VOGP. De voorwaardelijke invrijheidstelling brengt immers geen wijziging in de duur van de opgelegde gevangenisstraf en ingevolge artikel 9, derde lid, van het VOGP is op de tenuitvoerlegging van de veroordeling – waar de voorwaardelijke invrijheidstelling onderdeel van is – nu juist Nederlands recht van toepassing. Niet aan de orde is dan ook dat de minister op deze grond een onmiskenbaar onrechtmatige beslissing heeft genomen.

3.7.

Ingevolge artikel 15 lid 7 Sr kan de minister bepalen dat de voorwaardelijke invrijheidstelling op een eerder moment dan na tweederde van de gevangenisstraf plaatsvindt, indien de veroordeelde op dat eerdere tijdstip voorwaardelijk in vrijheid zou zijn gesteld als de tenuitvoerlegging niet aan Nederland zou zijn overgedragen. Deze bepaling is in het Wetboek van Strafrecht ingevoerd bij de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties (Wets). De Wets is van toepassing op rechterlijke uitspraken gedaan in een andere lidstaat van de Europese Unie, implementeert in de Nederlands rechtsorde (onder meer) het kaderbesluit 2008/909/JBZ van de Raad van de Europese Unie van 27 november 2008 en is in werking getreden op 1 november 2012. Anders dan door de Staat is bepleit is niet aan de orde dat de Wets (en daarmee artikel 15 lid 7 Sr) op grond van artikel 5:2 Wets in onderhavige situatie niet van toepassing is. Immers, ingevolge die bepaling is de Wets niet van toepassing op rechterlijke uitspraken waarbij een vrijheidsbenemende sanctie is opgelegd die voor 5 december 2011 onherroepelijk zijn geworden. Blijkens aantekening op het Hof van Beroep van 8 april 2011 is het door [eiser] tegen dat vonnis ingestelde beroep in cassatie eerst op 21 februari 2012 verworpen, zodat pas op die datum dat vonnis onherroepelijk is geworden.

3.8.

Vorenstaande doet er evenwel niet aan af dat de Wets op het moment dat de minister besliste over de voorwaarden waaronder hij instemde met de overbrenging van [eiser] naar Nederland nog niet in werking was getreden. Gelet hierop kon hij, gezien de toen geldende regelgeving, op dat moment in redelijkheid beslissen dat de voorwaardelijke invrijheidstelling zou worden verleend na tweederde van de gevangenisstraf. Onder die expliciete voorwaarde hebben de Belgische autoriteiten ingestemd met de overbrenging van [eiser]. Zoals ook door de staat is bepleit, kan in de gegeven omstandigheden niet zonder meer eenzijdig van de met België over de overbrenging gemaakte afspraken worden afgeweken.

3.9.

Bovendien geldt nog, daargelaten de vraag of – zoals door [eiser] wordt bepleit – artikel 15 lid 7 Sr ook toegepast moet worden op in het buitenland opgelegde gevangenisstraffen waarvan de tenuitvoerlegging is voortgezet in Nederland voor de inwerkingtreding van dat artikel, dat toepassing van dit artikel niet het door [eiser] gewenste effect zal hebben. Immers, toepassing van dat artikel leidt slechts tot een eerdere datum van voorwaardelijke invrijheidstelling, indien [eiser] op dat eerdere moment ook in vrijheid zou zijn gesteld als de tenuitvoerlegging niet aan Nederland zou zijn overgedragen. Dat staat in onderhavige situatie niet vast, ook niet als hierop het volgens [eiser] toepasselijke lichtere criterium van meer of mindere mate van waarschijnlijkheid wordt toegepast. Immers, in België staat de datum van voorwaardelijke invrijheidstelling niet vooraf vast. Nadat eenderde van de opgelegde straf ten uitvoer is gelegd, kan de veroordeelde een verzoek om voorwaardelijke invrijheidstelling indienen, waarop vervolgens door de strafuitvoeringsrechtbank een beslissing wordt genomen. De voorwaardelijke invrijheid- stelling is derhalve afhankelijk van een rechterlijke toets en vormt geen vaststaand recht. Het feit dat [eiser] in België – ten gevolge van het aan hem gegeven bevel om het grondgebied van België te verlaten – niet in aanmerking zou komen voor een voorwaardelijke invrijheidstelling, maar voor een voorlopige invrijheidstelling maakt dit niet anders. Ook een voorlopige invrijheidstelling wordt pas na rechterlijke toetsing verleend. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat op het moment van overdracht van [eiser] van België aan Nederland niet (met meer of mindere mate van waarschijnlijkheid) vaststond en thans evenmin (met meer of mindere mate van waarschijnlijkheid) vaststaat dat [eiser] indien hij zijn straf in België was blijven ondergaan op een eerder moment dan in Nederland voorwaardelijk (althans voorlopig) in vrijheid zou worden gesteld. Ook het betoog van [eiser] dat artikel 15 lid 7 Sr (analoog) moet worden toegepast kan derhalve niet leiden tot het oordeel dat de minister een onmiskenbaar onrechtmatige beslissing heeft genomen.

3.10.

De stelling van [eiser] dat de overbrengingsprocedure op zijn verzoek is geïnitieerd, waarbij overigens onduidelijk is welke gevolgtrekking daaraan moet worden verbonden, baat hem evenmin. Uit de brief van de Belgische autoriteiten van 26 juli 2012 blijkt immers dat zij de instemming van [eiser] daarbij niet tot uitgangspunt hebben genomen. Die instemming was ook geen vereiste bij de overbrenging, omdat [eiser] in België een bevel had gekregen onmiddellijk het grondgebied van België te verlaten. In die situatie kan, ingevolge artikel 3 lid 1 van het Aanvullend Protocol overbrenging plaatsvinden zonder instemming van de gevonniste persoon. Hetzelfde geldt voor het betoog van [eiser] dat hij nimmer is geïnformeerd over de gevolgen van de overbrenging voor het moment van voorwaardelijke invrijheidstelling – wat daar ook van zij – nu het hem niet vrijstond naar aanleiding hiervan wel of niet voor de overbrenging te kiezen.

3.11.

Enige schending van het EVRM is, tot slot, evenmin komen vast te staan. Zoals door de Staat uitvoerig is bepleit heeft het Europese Hof voor de Rechten van de Mens in meerdere zaken geoordeeld dat een verschil in datum van voorwaardelijke invrijheidstelling – voor zover daarvan in onderhavige situatie reeds sprake zou zijn – niet leidt tot een verzwaring van de straf, of strijd met het EVRM, zolang de duur van de totale detentie binnen de grenzen van de opgelegde straf blijft. [eiser] heeft in dit verband nog bepleit dat het verschil in het moment van voorwaardelijke invrijheidstelling niet disproportioneel mag zijn. Doch nu het Hof een verschil in datum van voorlopige invrijheidstelling van drie jaar en vier maanden bij een totale straf van 10 jaar toelaatbaar heeft geacht, kan niet worden geoordeeld dat het verschil in datum van voorwaardelijke invrijheidstelling zoals hier aan de orde is, 2 jaar en 8 maanden bij een totale gevangenisstraf van acht jaar, wel disproportioneel is.

3.12.

Al het voorgaande leidt tot de slotsom dat de vordering strekkende tot staking van de tenuitvoer gelegde gevangenisstraf moet worden afgewezen en dat er dientengevolge evenmin aanleiding bestaat voor een veroordeling van de Staat tot betaling van een voorschot op schadevergoeding.

3.13.

[eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding. De stelling van [eiser], dat vanwege essentiële rechtsvragen die moeten worden beantwoord de proceskosten tussen partijen moeten worden gecompenseerd – wat daarvan ook zij – kan geen aanleiding vormen om van voornoemd wettelijke vastgelegd uitgangspunt af te wijken.

4 De beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijs het gevorderde af;

- veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op € 1.424,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat en € 608,-- aan griffierecht.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.H.I.J. Hage en in het openbaar uitgesproken op

19 februari 2014.

idt