Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:8943

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-07-2014
Datum publicatie
22-07-2014
Zaaknummer
09/767088-14 en 09/901027-12 (TUL)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank,

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1 primair:

diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming

ten aanzien van feit 2:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden;

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:

-14g, 57, 311 van het Wetboek van Strafrecht;

-26, 55 van de Wet wapens en munitie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummers 09/767088-14 en 09/901027-12 (TUL)

Datum uitspraak: 22 juli 2014

(Verkort vonnis)

De rechtbank Den Haag, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1989 te [geboorteplaats],

adres: [adres 1],

thans gedetineerd in de [p.i.].

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 8 juli 2014.

De verdachte, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. C.C. Peterse, advocaat te Den Haag, is ter terechtzitting verschenen en gehoord.

Er heeft zich een benadeelde partij gevoegd.

De officier van justitie mr. H.A.C. Banning heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding onder 1 primair en 2 tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van een (1) jaar, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. Voorts heeft de officier van justitie gepersisteerd bij de vordering tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 3 januari 2013, te weten gevangenisstraf voor de duur van 14 dagen.

De tenlastelegging.

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 24 maart 2014 tot en met 25 maart 2014, althans in de nacht van 24 maart 2014 op 25 maart 2014 te Haren (Groningen), althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen,

gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, in een woning of op een besloten erf waarop een woning staat, door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt,

met het oogmerk op wederrechtelijke toeëigening uit een woning en/of de schuur behorende bij die woning, te weten het perceel [adres 2] te Haren, heeft weggenomen goederen en/of geldbedragen, te weten:

  • -

    zes, althans een of meer, vuurwapens, te weten drie, althans een of meer, (grendel) kogelgeweren en/of drie, althans een of meer, hagelgeweren en/of

  • -

    dertig stuks munitie, te weten vijftien, althans een of meer, patronen van het kaliber .308win en 8 x 57 en/of vijftien, althans een of meer, hagelpatronen kal. 12 gevuld met jachthagel en/of

  • -

    een tas, althans een hangmathoes, en/of een of meer andere goederen en/of geldbedragen, in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], althans aan een ander en/of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

zulks na zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te hebben verschaft en/of het weg te nemen goed onder zijn bereik te hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming en/of valse sleutels, immers heeft hij zich de toegang tot die woning en/of de schuur verschaft door middel van het openbreken en/of forceren van het raam op de eerste verdieping en/of heeft verdachte en/of zijn mededader(s) de (wapen)kluis/kast in die woning opengebroken en/of geforceerd en/of is hij verdachte, en/of zijn mededaders, de schuur binnengeslopen;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 25 maart 2014 te Den Haag, in elk geval in Nederland, zes, althans een of meer, vuurwapens, te weten twee grendelkogelgeweren en/of een kogelgeweer en/of drie dubbelloops hagelgeweren en/of munitie, te weten 15 patronen van het kaliber .308win en 8 x 57 en/of 15 hagelpatronen kal. 12 gevuld met jachthagel en/of een tas, althans een hangmathoes, heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die vuurwapens wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

2.

hij op of omstreeks 25 maart 2014 te Den Haag een of meer wapens van categorie III, te weten zes, althans een of meer, vuurwapens bestaande uit drie, althans een of meer, dubbelloopshagelgeweren en/of twee, althans een of meer, grendel kogelgeweren en/of een kogelgeweer (van het merk BRNO), en/of munitie van categorie III, te weten 15 patronen van het kaliber .308win en 8 x 57 en/of 15 hagelpatronen kal. 12 gevuld met jachthagel, voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

De bewijsmiddelen.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist met de bewijsmiddelen, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit vonnis zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverwegingen.

Verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting ontkend, dat hij de onder 1 primair ten laste gelegde inbraak in de woning in Haren heeft gepleegd. Voorts heeft hij met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde feit verklaard, dat hij in de trein van Assen naar Zwolle een boete had gekregen wegens zwartrijden en dat hij vervolgens naar een andere coupe is gelopen alwaar hij een tas met wapens en munitie had gevonden. Verdachte is vervolgens op Den Haag Centraal Station aangehouden met een zwarte tas met een rode opdruk, waarin de wapens en de munitie zaten.

De rechtbank acht de verklaring van verdachte dat hij de tas met wapens in de trein gevonden heeft niet aannemelijk geworden. Verdachte heeft verklaard dat hij de tas met wapens gevonden heeft nadat hij een boete had gekregen. Deze verklaring strookt niet met die van getuige [conducteur 1], werkzaam als conducteur, die bij de politie heeft verklaard dat hij - op het moment van uitschrijven van de boete - zag dat verdachte een langwerpige sporttas met rode kleurstellingen erin bij zich had. Zijn collega [conducteur 2] heeft eveneens bij de politie verklaard dat verdachte een tas bij zich had op het moment dat hij en zijn collega met verdachte in gesprek waren. Later die dag is de verdachte aangehouden met een langwerpige tas met een rode opdruk. Bovendien wordt de verklaring van verdachte dat hij de trein is ingestapt zonder tas op geen enkele manier – ook niet door camerabeelden – ondersteund.

Ook de verklaring van verdachte dat hij voornemens was de tas met wapens direct in te leveren na zijn aankomst op Den Haag Centraal Station is geenszins aannemelijk geworden. Noch daar gelaten dat verdachte tijdens zijn treinreis van Assen naar Den Haag diverse momenten om de tas met wapens af te geven onbenut heeft gelaten, kan uit de reactie van verdachte voorafgaand aan zijn aanhouding op geen enkele wijze worden afgeleid dat hij voornemens was de tas met wapens in te leveren. Het gedrag en de verklaringen van verdachte voorafgaand aan zijn aanhouding duiden er juist op dat hij de inhoud van de tas wilde verhullen voor de politieagente die hem had staande gehouden. Verdachte probeerde immers van de politieagente weg te lopen, begon te stotteren toen de politieagente vroeg om de tas te openen en heeft de tas aanvankelijk slechts een klein beetje geopend om deze vervolgens weer snel te sluiten.

Daar komt nog bij dat tijdens een sporenonderzoek bij de woning aan de [adres 2] te Haren in het kozijn van het open gebroken raam een aantal indrukken van mogelijk een schroevendraaier is aangetroffen. Voorts is er in de tuin van voornoemde woning een schroevendraaier aangetroffen. Blijkens een rapportage van het NFI van 7 april 2014 kwam het DNA in het op de schroevendraaier aangetroffen spoor overeen met een in de DNA-databank opgenomen DNA-profiel van verdachte. De kans dat het DNA-profiel van een willekeurig persoon matcht met het onderzochte spoor is kleiner dan één op één miljard. Verdachte heeft voor deze omstandigheid geen verklaring gegeven.

Het gegeven dat verdachte kort nadat een inbraak heeft plaatsgevonden waarbij wapens zijn gestolen, wordt aangetroffen in het bezit van die (gestolen) wapens, en bovendien op de schroevendraaier die naar het zich laat aanzien bij die inbraak is gebruikt, het DNA van verdachte wordt aangetroffen, terwijl hij voor geen van deze omstandigheden een aannemelijke verklaring heeft, leidt naar het oordeel van de rechtbank tot de conclusie dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte de onder 1 primair en 2 ten laste feiten heeft begaan.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen - elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft - staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast. Op grond daarvan acht de rechtbank bewezen en is zij tot de overtuiging gekomen dat de verdachte de op de dagvaarding onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht de inhoud van de tenlastelegging, te weten dat:

1.

hij in de periode van 24 maart 2014 tot en met 25 maart 2014 te Haren (Groningen), gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, in een woning of op een besloten erf waarop een woning staat, door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt,

met het oogmerk op wederrechtelijke toeëigening uit een woning en/of de schuur behorende bij die woning, te weten het perceel [adres 2] te Haren, heeft weggenomen goederen, te weten:

  • -

    zes vuurwapens, te weten drie (grendel) kogelgeweren en drie hagelgeweren en

  • -

    dertig stuks munitie, te weten vijftien patronen van het kaliber .308win en 8 x 57 en vijftien hagelpatronen kal. 12 gevuld met jachthagel en

  • -

    een tas,

toebehorende aan [slachtoffer],

zulks na zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te hebben verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik te hebben gebracht door middel van braak en inklimming, immers heeft hij zich de toegang tot die woning en/of de schuur verschaft door middel van het openbreken van het raam op de eerste verdieping en heeft verdachte de (wapen)kluis in die woning opengebroken en is hij verdachte de schuur binnengeslopen;

2.

hij op 25 maart 2014 te Den Haag wapens van categorie III, te weten zes vuurwapens bestaande uit drie dubbelloopshagelgeweren en twee grendel kogelgeweren en een kogelgeweer (van het merk BRNO) en munitie van categorie III, te weten 15 patronen van het kaliber .308win en 8 x 57 en 15 hagelpatronen kal. 12 gevuld met jachthagel, voorhanden heeft gehad.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, aangezien er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De verdachte is deswege strafbaar, nu er evenmin feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

Strafmotivering.

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte is op 25 maart 2014 tijdens de Nuclear Security Summit op Den Haag Centraal Station aangehouden met een tas waarin zes wapens en munitie zaten, waardoor hij zich schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden hebben van voornoemde wapens en munitie. Het ongecontroleerde bezit van vuurwapens brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich en dient, gelet op het aanzienlijke gevaarzettend karakter daarvan, in beginsel streng te worden bestraft. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij de wapens in het openbaar vervoer heeft vervoerd.

Na onderzoek is gebleken dat de wapens en de munitie afkomstig waren van een door verdachte gepleegde diefstal uit een woning in Haren. Diefstallen veroorzaken niet alleen financiële schade maar ook gevoelens van onveiligheid, temeer daar de goederen zijn weggenomen uit de woning van het slachtoffer.

Uit een uittreksel uit de justitiële documentatie van 27 maart 2014 is gebleken dat verdachte eerder voor vermogensdelicten is veroordeeld. De eerdere veroordelingen hebben verdachte er kennelijk niet van weerhouden wederom strafbare feiten te plegen.

De rechtbank heeft voorts kennis genomen van een beknopt reclasseringsadvies van 24 juni 2014 van reclasseringswerker drs. M.C. Telleman. Gelet op de omstandigheid dat verdachte niet wil meewerken aan het bestaande en een eventueel nieuw reclasseringstoezicht wordt geadviseerd om aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

De rechtbank acht de door de officier van justitie gevorderde onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en zal verdachte derhalve conform de eis veroordelen.

De vordering van de benadeelde partij.

[slachtoffer], heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 5.000,-. De schade bestaat uit drie posten: (1) het vervangen van het ontwrichte kozijn (€ 1.432,-); (2) het vervangen van de wapenkluis (€ 568,-); en (3) het herstel/de vervangen van de ontvreemde wapens (€ 3.000,-).

De vordering, voor zover deze betrekking heeft op post 1, is niet onderbouwd. De rechtbank zal de schade schatten en toewijzen tot € 500,-.

De vordering, voor zover deze betrekking heeft op post 2, is namens de verdachte inhoudelijk niet betwist en is voldoende onderbouwd door de benadeelde partij. Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het onder 1 primair bewezenverklaarde feit.

De rechtbank zal derhalve de vordering toewijzen tot een bedrag van (€ 500,- + € 568,- = )

€ 1.068,-.

De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op post 3, de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering tot schadevergoeding, aangezien tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de wapens inmiddels terug zijn gegeven aan de benadeelde partij en verder niet gebleken is dat deze zijn beschadigd door verdachte.

De rechtbank zal de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet ontvankelijk verklaren, omdat niet voldoende vast is komen te staan hoeveel schade is geleden. Dat brengt mee dat de vordering in zoverre een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Dit brengt mee, dat de rechtbank de kosten die in verband met deze vordering zijn gemaakt zal compenseren door te bepalen dat de verdachte en de benadeelde partij ieder de eigen kosten dragen.

Schadevergoedingsmaatregel.

Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1 primair bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 1.068,-, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer].

Vordering tenuitvoerlegging

De rechtbank acht termen aanwezig voor toewijzing van de vordering van de officier van justitie van 12 mei 2014 tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf, waartoe verdachte werd veroordeeld bij onherroepelijk geworden vonnis van de politierechter in deze rechtbank van 3 januari 2013, nu uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat verdachte de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, doordat deze zich voor het einde van de proeftijd die bij voormeld vonnis was opgelegd, wederom heeft schuldig gemaakt aan strafbare feiten.

De toepasselijke wetsartikelen.

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:

  • -

    14g, 57, 311 van het Wetboek van Strafrecht;

  • -

    26, 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1 primair:

diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming

ten aanzien van feit 2:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer] een bedrag van € 1.068,-;

verklaart de benadeelde partij voor het overige deel niet ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat hij dit deel van de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 1.068,- ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer];

bepaalt dat in geval van volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag – onder handhaving van voornoemde verplichting – vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 20 dagen;

gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij voormeld vonnis van de politierechter in deze rechtbank d.d. 3 januari 2013, gewezen onder parketnummer 09/901027-12, te weten gevangenisstraf voor de duur van 14 dagen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. R.C. Hartendorp, voorzitter,

mrs. A.J. Milius en R.G.C. Veneman, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. T.L.H.M. Glansbeek, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 juli 2014.