Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:8941

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
28-01-2014
Datum publicatie
06-08-2014
Zaaknummer
C-09-456635 - KG ZA 13-1435
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Beëindiging executie gevangenisstraf. Vordering afgewezen. Aan eiser was strafonderbreking verleend op grond van de Regeling tijdelijk verlaten van de inrichting, waarbij hij gelijk is uitgezet naar Spanje. Eiser is teruggekeerd naar Nederland, waar hij naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen rechtmatig verblijf had. Nu eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, is – gezien de expliciet aan hem opgelegde voorwaarde bij de strafonderbreking en het doel van de RTVI – de tenuitvoerlegging van de straf jegens hem niet onrechtmatig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team Handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/456635 / KG ZA 13-1435

Vonnis in kort geding van 28 januari 2014

in de zaak van

[eiser],

wonende te Spanje, thans verblijvende in de penitentiaire inrichting [p.i.] te [p.i.],

eiser,

advocaat mr. L. van Dijk te Den Haag,

tegen:

de publiekrechtelijke rechtspersoon

de Staat der Nederlanden, het ministerie van Veiligheid en Justitie,

zetelende te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. M.F.H. Hirsch Ballin te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘[eiser]’ en ‘de Staat’.

1 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 21 januari 2014 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1.

[eiser] heeft de Dominicaanse nationaliteit. Hij is op 21 oktober 2009 in Spanje gehuwd met een vrouw met de Nederlandse nationaliteit. Zij zijn ook thans nog gehuwd.

1.2.

Op 28 mei 2010 is [eiser] in verband met de verdenking van het plegen van een strafbaar feit in voorlopige hechtenis genomen.

1.3.

Bij beschikking van 3 mei 2011 is [eiser] op grond van artikel 67 van de Vreemdelingenwet ongewenst vreemdeling verklaard. Bij beschikking van de Minister voor Immigratie en Asiel van 15 oktober 2012 is een tegen de beschikking van 3 mei 2011 ingediend bezwaarschrift gegrond verklaard en is de ongewenstverklaring opgeheven. In de beschikking van 15 oktober 2012 staat, voor zover nu relevant, vermeld:

“(…)

De gegrondverklaring van het bezwaarschrift tegen het besluit tot ongewenstverklaring brengt geen verandering mee ten aanzien van de onmiddellijke vertrekplicht van betrokkene.

Gebleken is dat betrokkene geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland als bedoeld in artikel 8 van de Vreemdelingenwet. Bij de bestreden beschikking is reeds aan betrokkene meegedeeld dat hij uit eigen beweging Nederland onmiddellijk dient te verlaten.

(…)”

1.4.

Bij (inmiddels onherroepelijk) arrest van het gerechtshof Den Haag van 9 augustus 2012 is [eiser] veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaar, met aftrek van voorarrest. De einddatum van deze gevangenisstraf zou – rekening houdend met het voorarrest – 27 mei 2014 zijn.

1.5.

Op 25 januari 2013 is aan [eiser] strafonderbreking verleend op grond van artikel 40a, lid 2, van de Regeling tijdelijk verlaten van de inrichting (hierna: RTVI), waarbij hij is uitgezet naar Spanje. Aan deze strafonderbreking is de voorwaarde verbonden dat [eiser] Nederland zou verlaten en niet naar Nederland zou terugkeren, op straffe van hervatting van de tenuitvoerlegging van de onderbroken straf.

1.6.

Aan [eiser] is door de Spaanse autoriteiten op enig moment een verblijfskaart van een familielid van een burger van de Europese Unie (hierna: EU) uitgereikt.

1.7.

Op 1 november 2013 is [eiser] in Nederland aangetroffen. Hij is aangehouden, overgebracht naar de penitentiaire inrichting [p.i.] en de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf is hervat.

2 Het geschil

2.1.

[eiser] vordert – zakelijk weergegeven –

- primair de Staat te bevelen de executie van de aan hem opgelegde gevangenisstraf te beëindigen, verdere executie te verbieden en de Staat te bevelen hem onmiddellijk in vrijheid te stellen;

- subsidiair de Staat te bevelen hem voorwaardelijk in vrijheid te stellen ex artikel 15a van het Wetboek van Strafrecht,

met veroordeling van de Staat in de kosten van de procedure.

2.2.

Daartoe voert [eiser] het volgende aan. [eiser] heeft inmiddels, als gezinslid van een EU-onderdaan, op grond van artikel 8 juncto artikel 1 van de Vreemdelingenwet (hierna de Wet), rechtmatig verblijf in Nederland. Gelet hierop is hervatting van de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde straf onrechtmatig. De regeling van artikel 40a RTVI is immers bedoeld om illegaal verblijf of illegale inreis in Nederland te voorkomen. Die situatie is niet meer aan de orde gezien de huidige verblijfsstatus van [eiser]. De tenuitvoerlegging betekent bovendien een inbreuk op het recht op vrij verkeer van [eiser] in de EU. Indien de hervatting van de tenuitvoerlegging niet als onrechtmatig wordt beoordeeld, stelt [eiser] subsidiair dat hij alsnog voorwaardelijk in vrijheid moet worden gesteld op grond van artikel 15a van het Wetboek van Strafrecht. Hij heeft twee derde van de hem opgelegde straf uitgezeten en heeft rechtmatig verblijf. Er is geen reden om hem in dat opzicht achter te stellen bij andere gedetineerden in een gelijke positie.

2.3.

De Staat voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

3 De beoordeling van het geschil

3.1.

[eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat de Staat jegens hem onrechtmatig handelt. Daarmee is in zoverre de bevoegdheid van de burgerlijke rechter – in dit geval de voorzieningenrechter in kort geding – tot kennisneming van de vordering gegeven.

3.2.

Voor vreemdelingen die geen rechtmatig verblijf in Nederland hebben geldt niet de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling van in artikel 15 van het Wetboek van Strafrecht. Aan een vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland kan, op grond van artikel 40a RTVI strafonderbreking voor onbepaalde tijd worden verleend, onder de voorwaarde dat de vreemdeling Nederland verlaat en niet naar Nederland terugkeert. Als de vreemdeling toch naar Nederland terugkeert wordt de tenuitvoerlegging van de straf hervat. Teneinde te kunnen beoordelen of de hervatting van de tenuitvoerlegging van de straf jegens [eiser] onrechtmatig is, moet allereerst zijn stelling dat hij thans rechtmatig verblijf heeft in Nederland worden beoordeeld.

3.3.

Met de Staat is de voorzieningenrechter van oordeel dat [eiser] geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft. Hiertoe is het volgende redengevend. [eiser] is geen burger van de EU, maar is als echtgenoot van een vrouw met de Nederlandse nationaliteit wel een familielid van een burger van de EU, als bedoeld in artikel 2, lid 2, aanhef en onder a van Richtlijn 2004/38/EG (hierna: de Richtlijn, in Nederland geïmplementeerd in artikel 8.7 en volgende van het Vreemdelingenbesluit (hierna: het Besluit)). Ingevolge artikel 6 en 7 van de Richtlijn (althans artikel 8.11 en 8.13 juncto 8.7 van het Besluit) kan een echtgenoot van een burger van de EU – die niet zelf EU-burger is – slechts rechtmatig in Nederland verblijven indien hij met zijn echtgenote Nederland inreist, of indien die echtgenote reeds in Nederland verblijft en hij zich bij haar voegt. [eiser] heeft gesteld dat zijn echtgenote reeds in Nederland verbleef toen hij Nederland inreisde. Die stelling is door de Staat gemotiveerd betwist, waarbij de Staat heeft aangevoerd dat door [eiser] uitsluitend stukken zijn overgelegd waaruit haar verblijf in Spanje blijkt. Nu [eiser] zijn blote stelling over het verblijf van zijn echtgenote in Nederland vervolgens niet nader heeft onderbouwd, is niet aannemelijk geworden dat de echtgenote van [eiser] in Nederland verbleef toen [eiser] Nederland inreisde en evenmin dat zij thans in Nederland verblijft. Dit is niet anders doordat de echtgenoot van [eiser] ter zitting aanwezig was, nu dat – zonder nadere stellingname daaromtrent – niet hoeft te duiden op een ander dan zeer tijdelijk verblijf. Gelet op dit alles is niet gebleken dat [eiser] rechtmatig verblijf in Nederland heeft. De verwijzing van [eiser] naar artikel 1 en 8 van de Wet leidt niet tot een ander oordeel. Immers, ingevolge artikel 8 van de Wet kan [eiser] als echtgenoot van een Nederlandse rechtmatig verblijf in Nederland hebben zolang hij dit verblijf houdt op grond van een regeling krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap. De Richtlijn zoals hiervoor besproken is een dergelijke regeling.

3.4.

Nu [eiser] geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, is – gezien de expliciet aan hem opgelegde voorwaarde bij de strafonderbreking en het doel van de RTVI – de tenuitvoerlegging van de straf jegens hem niet onrechtmatig. De stelling van [eiser] dat de tenuitvoerlegging een inbreuk maakt op zijn recht van vrij verkeer binnen de EU maakt dit niet anders. Zoals uit het onder 3.3. overwogene reeds blijkt heeft [eiser] op grond van de Richtlijn geen zelfstanding, onbeperkt recht van vrij verkeer. De primaire vordering moet derhalve reeds hierom worden afgewezen. Nu Coporan niet rechtmatig in Nederland verblijft bestaat er evenmin grondslag voor een voorwaardelijke invrijheidstelling, zodat ook de subsidiaire vordering zal worden afgewezen.

3.5.

[eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

4 De beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het gevorderde af;

- veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op € 1.405,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat en € 589,-- aan griffierecht;

- verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.P. van Ham en in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2014.

idt