Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:8940

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-07-2014
Datum publicatie
22-07-2014
Zaaknummer
AWB 14/8270 & 14/8260
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

iMMO-rapport en beoordeling geloofwaardigheid

Verweerder kan zonder nadere motivering niet gevolgd worden in zijn in beroep ingenomen standpunt dat de in het iMMO-rapport vermelde conclusie omtrent het vermogen compleet, coherent en consistent te verklaren slechts een deel van het asielrelaas van eiseres 2 betreft, te weten de traumatische gebeurtenissen, en niet leidt tot een andere beoordeling van de geloofwaardigheid, nu het rapport geen verklaring biedt voor de geconstateerde vaagheden en tegenstrijdigheden in de verklaringen over niet als traumatisch aan te merken gebeurtenissen, zoals haar vriend, de relatie en het beëindigen van haar werk. In het iMMO-rapport wordt geconcludeerd dat er aanwijzingen zijn voor psychische problematiek bij eiseres 2 die ten tijde van de eerdere asielgehoren zeer waarschijnlijk interfereerden met het vermogen om compleet, coherent en consistent te kunnen verklaren. De rechtbank volgt niet verweerders lezing van het iMMO- rapport dat daaruit blijkt dat eiseres in staat is om coherent en consistent te verklaren over gebeurtenissen die niet traumatisch zijn, zoals over haar vriend, hun relatie en het beëindigen van haar werkzaamheden. Daartoe acht zij redengevend dat in paragraaf 5a.2 ‘Cognitieve functies’, waarnaar verweerder verwijst, niet wordt vermeld dat eiseres 2 in staat is om consistent en coherent te verklaren ten aanzien van welke gebeurtenis dan ook. Ook uit de bewoordingen van deze paragraaf leidt de rechtbank niet af dat bedoeld is de conclusie te trekken dat eiseres 2 in staat is consistent en coherent te verklaren over gebeurtenissen die niet traumatisch zijn en dat daaronder begrepen wordt verklaringen over haar vriend, de relatie met hem en het beëindigen van haar werk. Overigens biedt hetgeen in paragraaf 9.2 onder D. is opgenomen naar het oordeel van de rechtbank evenmin grond voor het oordeel dat eerder genoemde conclusie in het iMMO-rapport enkel ziet op (de door eiseres ervaren) traumatische gebeurtenissen en dat de relatie van eiseres 2 en het beëindigen van haar werk niet als zodanig zijn aan te merken. Ook uit de verklaringen van eiseres 2 kan zulks niet worden afgeleid, nu zij verklaard heeft dat de relatie met haar vriend aanleiding en oorzaak is geweest voor alle (gestelde) gebeurtenissen, waaronder het beëindigen van haar werk.

Gelet op het voorgaande, alsmede op de Werkinstructie 2010/13, ontbeert de in het bestreden besluit opgenomen en in beroep gehandhaafde conclusie dat sprake is van (toe te rekenen) vaagheden, tegenstrijdigheden en bevreemdende verklaringen, waardoor het relaas - met in achtneming van het gehanteerde kader van de positieve overtuigingskracht - ongeloofwaardig wordt geacht, een draagkrachtige motivering. De rechtbank concludeert dat verweerder zijn standpunt dat de asielrelazen positieve overtuigingskracht ontberen onvoldoende deugdelijk heeft gemotiveerd.

De door eiseres 2 gevorderde kosten in verband met het medisch onderzoek door iMMO worden aangemerkt als proceskosten in de zin van artikel 8:75, eerste lid, Awb, nu het doen opmaken van het iMMO-rapport redelijk was en het iMMO-rapport aanleiding heeft gegeven tot gegrondverklaring van het beroep.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht, geldigheid: 2014-07-22
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 14/8270 (beroep W. Gantulga)
AWB 14/8260 (beroep B. Ganaa)

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 10 juli 2014 in de zaak tussen

[eiseres 1],
geboren op [geboortedatum 1],
eiseres 1,

[eiseres 2],

geboren op [geboortedatum 1],
eiseres 2,

mede namens haar minderjarig kind:

[naam kind],

geboren op[geboortedatum 1],
allen van Mongoolse nationaliteit,

hierna gezamenlijk: eiseressen,

(gemachtigde: mr. B.D. Lit, advocaat te Amsterdam),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

verweerder,

(gemachtigde: mr. M.F.M. Saive, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst).

Procesverloop

Bij besluiten van 3 april 2014 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de aanvragen van eiseressen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen.

Eiseressen hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Zij hebben tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat verweerder verboden wordt hen uit te zetten tot vier weken nadat de rechtbank op de beroepen heeft beslist.

Bij uitspraak van 23 april 2014 (AWB 14/8272 en 14/8264) heeft de voorzieningenrechter de verzoeken om een voorlopige voorziening toegewezen en verweerder verboden eiseressen uit te zetten tot vier weken nadat de rechtbank op de beroepen heeft beslist.

Het onderzoek ter zitting is aangevangen op 12 juni 2014. Eiseressen zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Het onderzoek is ter zitting aangehouden teneinde eiseressen in de gelegenheid te stellen het definitieve rapport van het onderzoek door het instituut voor Mensenrechten en Medisch Onderzoek (iMMO) over te leggen. Na ontvangst van het rapport heeft de rechtbank het onderzoek, met toestemming van partijen, gesloten zonder het houden van een nadere zitting op 20 juni 2014.

Overwegingen

1. Bij de beoordeling betrekt de rechtbank de volgende feiten. Eiseressen hebben op
3 maart 2014 voorliggende asielaanvragen ingediend. MediFirst heeft bij medische adviezen van 6 maart 2014 eiseressen in staat geacht om te worden gehoord. De voorzieningenrechter heeft bij uitspraak van 23 april 2014 (AWB 14/8272 en 14/8264) onder meer bepaald dat de behandeling van de beroepen zal worden aangehouden in afwachting van de uitkomst van het onderzoek door het iMMO, zoals opgestart op verzoek van eiseres 2. Op 3 juni 2014 heeft het iMMO een concept-rapport uitgebracht. Op 16 juni 2014 heeft het iMMO een definitief rapport (iMMO-rapport) uitgebracht. Het definitieve rapport is inhoudelijk geheel gelijk aan het concept-rapport.

2. Eiseres 2 heeft ter onderbouwing van haar aanvraag het volgende aangevoerd. Eiseres 2 kreeg een relatie met een Chinese bouwvakker. Mensen van de groepering Dayar Mongol zijn tegen Chinezen en om die reden werden haar vriend, haar moeder (eiseres 1) en eiseres 2 zelf lastiggevallen door de Dayar Mongol. Eiseres 2 is meerdere keren door hen bedreigd. Ze hebben haar twee keer geprobeerd te verkrachten. Ook haar vriend is meerdere malen mishandeld. Thuis werd eiseres 2 ook op verschillende manieren bedreigd. Zo werden er bijvoorbeeld dode dieren in de tuin gegooid. Ook de moeder van eiseres 2 (eiseres 1) werd bedreigd. De vriend van eiseres 2 is uiteindelijk in mei 2013, nadat hij zwaar gewond bij eiseressen thuis verscheen en met de ambulance naar het ziekenhuis was vertrokken, verdwenen. De bedreigingen bleven aanhouden en eind 2013 is de schuur bij de woning van eiseressen in brand gestoken. Dit was de directe aanleiding, samengenomen met alles wat er gebeurd was, om Mongolië te verlaten.

2.1 Eiseres 2 heeft middels de op het verslag van nader gehoor ingediende correcties en aanvullingen aangegeven dat niet enkel sprake is geweest van pogingen haar te verkrachten, maar dat zij rond maart, april 2014 daadwerkelijk is verkracht.

2.2. Eiseres 1 heeft ter onderbouwing van haar aanvraag het volgende aangevoerd. Eiseres 1 is vertrokken uit haar land van herkomst vanwege het feit dat haar dochter (eiseres 2) een relatie had met een Chinese man, waardoor zij werden bedreigd. In februari 2012 is eiseres 1 samen met haar dochter verhuisd, maar ook daarna bleven mensen hen lastig vallen. In december 2013 is de schuur bij hun woning in brand gestoken, waarna zij zijn gevlucht.

3. Verweerder heeft in de bestreden besluiten de aanvragen van eiseressen afgewezen onder verwijzing naar artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), bezien in samenhang met artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, Vw. Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat eiseressen toerekenbaar geen documenten hebben overgelegd om hun nationaliteit, identiteit en reisroute te onderbouwen. Voorts worden de asielrelazen van eiseressen ongeloofwaardig geacht, nu deze positieve overtuigingskracht ontberen vanwege de tegenstrijdige, bevreemdende en vage verklaringen die eiseressen hebben afgelegd. Eiseressen komen daarom niet in aanmerking voor de gevraagde vergunning.



4. Eiseres 2 voert aan dat verweerder heeft miskend dat zij vanwege haar medische situatie tijdens het eerste en nader gehoor niet in staat was tot het afleggen van volledige, consistente en coherente verklaringen. Daarbij verwijst zij naar het iMMO-rapport, waaruit onder meer blijkt dat de bij haar aanwezige klachten zeker interfereren met het doen van een coherent, consistent en compleet asielrelaas. Verweerder heeft, bezien in dat licht en gelet ook op zijn eigen (IND) werkinstructie 2010/13, dan ook ten onrechte aan eiseres 2 tegengeworpen dat zij tegenstrijdige, bevreemdende en vage verklaringen over de door haar gestelde gebeurtenissen heeft afgelegd. Daarnaast voert eiseres 2 aan dat het iMMO-rapport haar asielrelaas onderbouwt, nu zij daarmee de door haar gestelde gebeurtenissen aannemelijk heeft gemaakt. Verweerder heeft zich daarom niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het asielrelaas van eiseres 2 positieve overtuigingskracht ontbeert en daarom ongeloofwaardig moet worden geacht. Nu, zo voeren eiseressen gezamenlijk aan, de conclusies van het iMMO-rapport een verklaring bieden voor de wijze waarop eiseres 2 heeft verklaard en daaruit naar voren komt dat de gebeurtenissen die door verweerder niet geloofd worden wel degelijk hebben plaatsgevonden, had de uitkomst van de besluitvorming in hun zaken anders moeten uitvallen.

4.1. Verweerder heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat het asielrelaas van eiseres 2 positieve overtuigingskracht ontbeert, nu zij vaag heeft verklaard over haar vriend en hun relatie en tegenstrijdig heeft verklaard over het moment dat zij, al dan niet vanwege haar zwangerschap, is gestopt met werken. Het asielrelaas van eiseres 2, maar ook dat van eiseres 1, is derhalve op goede gronden ongeloofwaardig geacht. Dit brengt met zich dat de verklaringen van eiseres 2 over haar verkrachtingen eveneens ongeloofwaardig zijn. Gelet hierop heeft verweerder in het overgelegde iMMO-rapport geen aanleiding hoeven zien om nader onderzoek te verrichten. Daarbij verwijst verweerder naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 19 februari 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:600).
Ter zitting heeft verweerder zijn standpunt nader toegelicht en gesteld dat uit het iMMO-rapport blijkt dat eiseres 2 in staat is om consistent en coherent te verklaren over de gebeurtenissen in haar leven die niet traumatisch zijn, zoals haar vriend, hun relatie en het stoppen met werken. Verweerder verwijst daarbij naar paragraaf 5a.2 ‘Cognitieve functies’ van het iMMO-rapport. Nu eiseres 2 vaag en tegenstrijdig heeft verklaard op die punten, heeft verweerder zich reeds daarom op het standpunt kunnen stellen dat het relaas van eiseres 2 positieve overtuigingskracht ontbeert, waardoor haar verklaringen over de daaruit voorvloeiende gebeurtenissen, waaronder de aanranding en (pogingen tot) verkrachting(en), eveneens positieve overtuigingskracht ontberen en daarom ongeloofwaardig worden geacht. Mede hierom is ook het relaas van eiseres 1 ongeloofwaardig te achten.

4.2. De rechtbank betrekt het iMMO-rapport van 16 juni 2014 op grond van artikel 83 Vw bij de beoordeling.

4.3. In het iMMO-rapport, dat is opgesteld door M. van den Heuvel, klinisch psycholoog, en E. Kors, als meelezend iMMO-staflid en klinisch psycholoog, staat - voor zover thans van belang - vermeld:



“ (…)
5. PSYCHIATRISCH ONDERZOEK



(…)

5a.2. Cognitieve functies

Betrokkene komt over als gemiddeld intelligent. Ze maakt een oplossingsgerichte indruk, praktisch ingesteld. Haar bereikte schoolniveau is vergelijkbaar met VMBO. Haar talenten lagen op sportgebied. Haar bewustzijn is helder, oriëntatie in tijd, plaats en persoon is ongestoord. Ze laat een groot verantwoordelijkheidsbesef zien voor haar kind en haar moeder. Ze kan zich goed uiten over haar normen en waarden. Ze heeft sterk de neiging haar klachten en problemen te relativeren en te zeggen dat het verleden tijd is. Ze wil flink zijn.
Over het algemeen komt ze over als goed geconcentreerd, zich bewust van haar omgeving en van wat er van haar wordt verwacht. Als ze echter begint te vertellen over haar traumatische ervaringen raakt ze verstrikt in haar gedachten en haar beelden en raakt ze de volgorde van de gebeurtenissen kwijt, kan ze zich details niet meer herinneren of koppelt details van de ene gebeurtenis aan de andere. Ze antwoordt niet meer op de vragen die haar gesteld worden, maar volgt haar eigen chaotische gedachtengang over de gebeurtenissen.
Haar korte termijn geheugen lijkt in tact. Haar lange termijn geheugen is verward. Ze kan uit zichzelf geen chronologie vast houden en lijkt details van gebeurtenissen met elkaar te verwarren. Bij sterke herinneringen is er sprake van herbelevingen: ze ziet de beelden van de traumatische gebeurtenissen voor zich en praat vanuit de beelden.

(…)

5a.5 Diagnostische overwegingen n.a.v. anamnese (3.3) en onderzoek (5a)
Betrokkene heeft klachten over slapeloosheid, gepaard gaande met piekeren en nachtmerries. Ze is geprikkeld en snel geïrriteerd. Ze wil haar gedachten aan de traumatische gebeurtenissen zoveel mogelijk vermijden, door haar gedachten onder controle te houden en positief te denken. Als ze deze vermijdingsstrategie niet kan volhouden dan treden er herbelevingen op in de vorm van levendige beelden aan voornamelijk de ergste trauma’s, de aanranding en de verkrachting. Maar ook de angst vanwege de veelvuldige en aanhoudende bedreigingen zijn aanwezig. Ze is op die momenten haar concentratie kwijt en raakt chaotisch verstrikt in de herinneringen en de beelden. Daarmee heeft zij klachten uit alle drie de clusters van een PTSS, te weten verhoogde prikkelbaarheid, vermijding en herbeleving. Vermijding staat bij haar het meest op de voorgrond. (...)

5b. Interpretatie bevindingen psychiatrisch onderzoek
Betrokkene heeft psychische klachten betreffende slaapproblemen, gepaard gaande met piekeren en nachtmerries. In haar nachtmerries valt ze altijd van een heel hoog gebouw. Deze nachtmerries heeft ze sinds de aanranding die ze heeft meegemaakt begin 2011. Haar eigen interpretatie over die nachtmerries is dat ze eerst eigenlijk dood wilde, maar sinds ze een kind heeft voelt ze de verantwoordelijkheid om voor hem te zorgen. De droom geeft voor haar ook aan dat ze gevallen is in eigenwaarde. Ze voelt zich zonder waarde. Aanranding en verkrachting wordt vrouwen in haar land zeer aangerekend, het is beschamend en het wordt veroordeeld, die vrouwen zijn vies, hun man of vriend kan hen verlaten.
Sinds de aanranding al en nog meer sinds de verkrachting is betrokkene snel geïrriteerd, opvliegerig. Ze wil haar klachten vergeten, er niet aan denken en heeft voortdurend allerlei vermijdingsstrategieën om haar gedachten, beelden en herbelevingen te voorkomen of weer weg te maken. Als dit haar niet lukt of als ze over haar trauma’s moet praten dan raakt ze verstrikt in beelden en herinneringen. Er treden dan concentratieproblemen op. Ze heeft langdurig (vanaf eind 2010 tot aan haar aankomst in Nederland begin 2014) bedreigingen ondervonden, die haar angstig maakten en tot piekeren leidden. De PTSS klachten met de depressieve kenmerken die betrokkene heeft zijn typerend voor de traumatische ervaringen die zij heeft meegemaakt: de aanranding, de verkrachting en de langdurige bedreiging.
Zij komt uit een cultuur waarin heel weinig tot niet wordt gesproken over gevoelens en over pijnlijke zaken, een zwijgcultuur. Ze is opgevoed in de geest van verdringen, doorgaan en niet achterom kijken. Ze staat dan ook erg alleen met haar geheimen, maar ze wil de verkrachting ook geheim blijven houden om haar moeder niet te belasten. In deze zin is betrokkene te typeren als een vrouw met een groot verantwoordelijkheidsgevoel en normbesef. Zij zal niet snel klachten laten horen. Ze toont naar buiten toe vooral haar flinke en positief ingestelde houding. Het is dan ook heel verklaarbaar dat zij zich bij het onderzoek door MediFirst heeft gepresenteerd als een gezond ogende vrouw die geen klachten heeft. Het past ook in dit beeld dat betrokkene niet met haar psychische klachten naar het CGA is gegaan.

6 PSYCHOLOGISCH ONDERZOEK
(…)

6b. Interpretatie bevindingen psychologisch onderzoek

(…)
Er is sprake van concentratieproblemen, waarbij het accent ligt op vermindering van concentratie onder invloed van langdurige inspanning en stress. Ook deze klachten belemmeren haar om haar relaas chronologisch en geordend te doen, vooral als het de stressvolle gebeurtenissen betreft en gebeurtenissen waarover zij niet wil spreken. (…)
De aanwezige klachten interfereren zeker met het doen van een coherent, consistent en compleet asielrelaas, temeer daar dit relaas ook nog enkele delen bevat waarover betrokkene zich erg schaamt en die zij geheim wil houden. Dit speelt zeker op dit moment.
Het is in lijn met de positieve instelling van betrokkene en de vermijdende presentatie van haar dat zij bij het MediFirst onderzoek vooral niet wilde stilstaan bij de angsten en de pijnlijke gebeurtenissen met alle gevolgen van dien. Dat zij om die reden nergens melding van maakt klopt met haar presentatie bij dit onderzoek. Omdat dit onderzoek door de uitgebreidheid en de diepgang haar afweer heeft doorbroken werd het mogelijk door haar uiterlijke presentatie heen te kijken. (…)

(…)

9 CONCLUSIES
(…)

9.2.

Beantwoording vraagstelling

B. Is het aannemelijk dat de psychische klachten zijn voortgekomen uit het gestelde
relaas dat ten grondslag ligt aan het asielverzoek?

Ja het is aannemelijk dat de klachten van de PTSS, nachtmerries, herbelevingen,
verhoogde prikkelbaarheid en vermijding, evenals somberheid zijn voortgekomen
uit het gestelde asielrelaas. Betrokkene voelt zich zeer beschaamd over de
aanranding en de verkrachting. Haar culturele achtergrond en haar opvoeding om
positief ingesteld te zijn versterken haar vermijding. De klachten zijn typerend

voor het gestelde relaas.

C. Is er op dit moment sprake van psychische problematiek die interfereert met het
vermogen om compleet, coherent en consistent te kunnen verklaren in het kader
van de asielaanvraag?

Op dit moment zijn er psychische klachten die zeker interfereren met het doen van
een compleet, coherent en consistent asielrelaas. Betrokkene heeft alle klachten uit
het spectrum van een PTSS. Zij is somber, voelt zich zeer beschaamd over haar
traumatische ervaringen, wil hier liever niet over denken en praten.

D. Zijn er aanwijzingen voor psychische problematiek die ten tijde van de eerdere
asielgehoren hebben geïnterfereerd met het vermogen om compleet, coherent en
consistent kunnen verklaren in het kader van de asielaanvraag?



Ja, er zijn aanwijzingen voor psychische problematiek die ten tijde van de eerdere
asielgehoren zeer waarschijnlijk interfereerden met het vermogen om compleet,
coherent en consistent te kunnen verklaren. De motivatie voor deze conclusie ligt
in de combinatie van de volgende factoren: het ontstaan van de bij A genoemde
klachten ten tijde van de traumatische gebeurtenissen, het korte tijdsverloop tussen
deze gebeurtenissen en de komst naar Nederland, de tijd van de gehoren, het korte
tijdsverloop tussen de gehoren en het huidige onderzoek, evenals de hoop die
betrokkene had dat ze haar schaamtevolle trauma’s geheim kon houden en
gedachten eraan kon vermijden’’.



4.4. In de IND-Werkinstructie 2010/13 van verweerder is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:

“Indien geoordeeld wordt dat het afleggen van incoherente en inconsistente verklaringen te herleiden is tot de medische / psychische situatie van de asielzoeker, dan zullen deze verklaringen niet snel worden tegengeworpen. Hiaten, vaagheden, tegenstrijdigheden en ongerijmde wendingen zullen dan ook niet worden tegengeworpen. In die gevallen zal ook sneller worden getoetst op de zwaarwegendheid van het asielverzoek.
(…)
In het rapport van het gehoor, maar ook in de motivering van het voornemen en de beschikking zal aangegeven moeten worden op welke wijze rekening is gehouden met de medische (psychische of fysieke) beperkingen en hoe dit is meegenomen in het besluit. Indien in het voornemen en de beschikking wel hiaten, vaagheden en/of tegenstrijdigheden worden tegengeworpen, dient aandacht te worden besteed aan de motivering, waarom gemeend wordt deze te kunnen tegenwerpen.”


4.5. De rechtbank stelt vast dat in het iMMO-rapport wordt geconcludeerd dat er aanwijzingen zijn voor psychische problematiek bij eiseres 2 die ten tijde van de eerdere asielgehoren zeer waarschijnlijk interfereerden met het vermogen om compleet, coherent en consistent te kunnen verklaren. De rechtbank volgt niet verweerders lezing van het rapport dat uit het rapport blijkt dat eiseres in staat is om coherent en consistent te verklaren over gebeurtenissen die niet traumatisch zijn, zoals over haar vriend, hun relatie en het beëindigen van haar werkzaamheden. Daartoe acht zij het volgende redengevend. In paragraaf 5a.2 ‘Cognitieve functies’, waarnaar verweerder verwijst, wordt eerstens niet vermeld dat eiseres 2 in staat is om consistent en coherent te verklaren ten aanzien van welke gebeurtenis dan ook. Voorts leidt de rechtbank uit de bewoordingen van deze paragraaf niet af dat bedoeld is in deze paragraaf de conclusie te trekken dat eiseres 2 in staat is consistent en coherent te verklaren over gebeurtenissen die niet traumatisch zijn en dat daaronder begrepen wordt verklaringen over haar vriend, de relatie met hem en het beëindigen van haar werk. Overigens biedt hetgeen in paragraaf 9.2 onder D. is opgenomen naar het oordeel van de rechtbank evenmin grond voor het oordeel dat de conclusie in het iMMO-rapport – dat er aanwijzingen zijn voor psychische problematiek die ten tijde van de eerdere asielgehoren zeer waarschijnlijk interfereerden met het vermogen om compleet, coherent en consistent te kunnen verklaren – enkel ziet op (de door eiseres ervaren) traumatische gebeurtenissen en dat de relatie van eiseres 2 en het beëindigen van haar werk niet als zodanig zijn aan te merken. Ook uit de verklaringen van eiseres 2 kan zulks niet worden afgeleid, nu zij verklaard heeft dat de relatie met haar vriend aanleiding en oorzaak is geweest voor alle (gestelde) gebeurtenissen, waaronder het beëindigen van haar werk. Verweerder kan dan ook zonder nadere motivering niet gevolgd worden in zijn in beroep ingenomen standpunt dat de in het iMMO-rapport vermelde conclusie omtrent het vermogen compleet, coherent en consistent te verklaren slechts een deel van het asielrelaas van eiseres 2 betreft en niet leidt tot een andere beoordeling van de geloofwaardigheid, nu het rapport geen verklaring biedt voor de geconstateerde vaagheden en tegenstijdigheden in de verklaringen over haar vriend, de relatie en het beëindigen van haar werk, aangezien deze gebeurtenissen niet als traumatische gebeurtenissen zijn aan te merken.

4.6.

Gelet op het voorgaande, almede op de Werkinstructie 2010/13, zoals hiervoor onder 4.4. weergegeven, ontbeert de in het bestreden besluit opgenomen en in beroep gehandhaafde conclusie dat sprake is van (toe te rekenen) vaagheden, tegenstrijdigheden en bevreemdende verklaringen, waardoor het relaas - met in achtneming van het gehanteerde kader van de positieve overtuigingskracht - ongeloofwaardig wordt geacht, een draagkrachtige motivering. Het voorgaande geldt evenzeer voor het bestreden besluit ten aanzien van eiseres 1, nu een aantal van de tegenstrijdigheden die verweerder aan dat bestreden besluit ten grondslag legt, ziet op tegenstrijdigheden tussen de verklaringen van eiseres 2 met de verklaringen van eiseres 1.

4.7.

Uit het voorgaande volgt dat verweerder zijn standpunt dat de asielrelazen positieve overtuigingskracht ontberen onvoldoende deugdelijk heeft gemotiveerd. De beroepsgrond slaagt. Hetgeen voor het overige is aangevoerd, behoeft daarom geen bespreking meer.

5. De rechtbank zal de beroepen reeds hierom gegrond verklaren en de bestreden besluiten vernietigen wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank ziet geen aanleiding om verweerder met toepassing van artikel 8.51a Awb in de gelegenheid te stellen het geconstateerde gebrek te herstellen, nu niet valt uit te sluiten dat nader onderzoek door verweerder nodig is. Derhalve zal de rechtbank verweerder opdragen nieuwe besluiten te nemen.

6. De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die eiseressen hebben gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb), vanwege de samenhang van de zaken, € 974,- (1 punt voor de beroepschriften en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1).

6.1.

Ten aanzien van de door eiseres 2 gevorderde overige kosten, in verband met het medisch onderzoek door iMMO, overweegt de rechtbank als volgt. Blijkens de door eiseres 2 overgelegde factuur van 10 april 2014, bedragen de kosten voor het iMMO-onderzoek en het rapport € 2.359,50. Deze kosten komen op grond van artikel 1, aanhef en onder b, van het Bpb voor vergoeding in aanmerking. Nu het doen opmaken van het iMMO-rapport redelijk was en het iMMO-rapport aanleiding heeft gegeven tot gegrondverklaring van het beroep, zal de rechtbank de kosten van dit medisch onderzoek aanmerken als proceskosten in de zin van artikel 8:75, eerste lid, Awb.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de bestreden besluiten;

- draagt verweerder op binnen een termijn van zes weken na verzending van deze
uitspraak nieuwe besluiten te nemen op de aanvragen met in achtneming van deze
uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 974,- aan

eiseressen gezamenlijk te betalen, alsmede een bedrag van € 2.359,50 aan

eiseres 2 te betalen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.B. de Vries - van den Heuvel, rechter, in aanwezigheid van mr. C.C. Westermann-Smit, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2014.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.