Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:8937

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-07-2014
Datum publicatie
22-07-2014
Zaaknummer
AWB 14/13353 & 14/13352
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

herhaalde asielaanvraag, Somalië, verklaringen van de Somalische ambassade in Brussel, geen nova, geen bijzondere omstandigheden in kader Bahaddar

Verzoeker heeft aan zijn opvolgende asielaanvraag een verklaring van geboorte en een nationaliteitsverklaring van de Somalische ambassade in Brussel overgelegd. Verzoeker stelt dat hij hiermee zijn Somalische nationaliteit aannemelijk heeft gemaakt. De voorzieningenrechter is van oordeel dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden die een nieuwe rechterlijke beoordeling rechtvaardigen. Verzoeker heeft desgevraagd ter zitting niet aannemelijk kunnen maken dat hij deze verklaringen niet eerder had kunnen overleggen, nu de Somalische ambassade in Brussel (in elk geval) sinds augustus 2011 dergelijke documenten afgeeft, hetgeen door verzoeker niet is betwist. Dat verweerder mogelijk vanaf augustus 2013, dan wel april 2014, een andere waarde c.q. méér waarde hecht aan verklaringen van de Somalische ambassade in Brussel, leidt niet tot het oordeel dat verzoeker voornoemde verklaringen niet eerder kon en hoefde te overleggen.

Ten aanzien van de vraag of bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden als bedoeld overweging 45 van het arrest Bahaddar aannemelijk zijn geworden, overweegt de voorzieningenrechter dat, indien moet worden aangenomen dat verzoeker de Somalische nationaliteit bezit en zijn herkomst in Zuid- of Centraal-Somalië ligt, niet kan worden uitgesloten dat de gestelde duur van zijn verblijf in Europa dergelijke feiten en omstandigheden oplevert. De voorzieningenrechter stelt voorop dat verweerder ter zitting geen eenduidige toelichting op, dan wel betwisting van, de door gemachtigde van verzoeker weergegeven afspraken tussen de IND, c.q. de Nederlandse Staat, en de Somalische ambassade in Brussel heeft gegeven over de afgifte van verklaringen/documenten door deze Somalische ambassade, de waarde die daaraan wordt gehecht en of de accreditatie door de Nederlandse Staat van april 2014 in dit verband betekenis heeft, en zo ja welke. De voorzieningenrechter kan daarom thans niet beoordelen of verzoeker met de overgelegde verklaringen van de Somalische ambassade zijn nationaliteit aannemelijk heeft gemaakt. Voor zover ervan moet worden uitgegaan dat verzoeker de Somalische nationaliteit heeft, is daarmee echter nog geen sprake van bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden als bedoeld overweging 45 van het arrest Bahaddar, omdat verzoeker met de documenten niet zijn herkomstgebied binnen Somalië aannemelijk heeft gemaakt en dit relevant is voor beantwoording van de vraag of hij aldaar een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM. Het betoog dat verzoeker wordt uitgezet naar Mogadishu en hij dat risico reeds door de uitzetting naar Mogadishu loopt, leidt niet tot een ander oordeel, nu de (wijze van) uitzetting en daarmee verband houdende risico’s volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling eerst beoordeeld worden bij daadwerkelijke uitzetting. Daarvan is thans geen sprake. Beroep ongegrond, afwijzing vovo.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht, geldigheid: 2014-07-22
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 14/13353 (voorlopige voorziening)

AWB 14/13352 (beroep)

uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 juli 2014 in de zaak tussen

[verzoeker],

geboren op [geboortedatum], van gestelde Somalische nationaliteit,

verzoeker,

(gemachtigde: mr. M. Terpstra, advocaat te Amsterdam),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

verweerder,

(gemachtigde: mr. B.J. Pattiata, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND)).

Procesverloop

Bij besluit van 5 juni 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen en jegens hem een inreisverbod voor de duur van twee jaar uitgevaardigd.

Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Hij verzoekt verweerder te verbieden hem uit te zetten tot vier weken nadat de rechtbank op het beroep heeft beslist.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juli 2014. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

Indien tegen een besluit beroep bij de rechtbank is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.

Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, Awb heeft de voorzieningenrechter na behandeling ter zitting van het verzoek om een voorlopige voorziening de bevoegdheid om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak, indien hij van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Er bestaat in dit geval aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken.

3.

De voorzieningenrechter betrekt bij de beoordeling de volgende feiten. Verzoeker heeft eerder, op 18 november 2010, een asielaanvraag ingediend. Aan die aanvraag heeft hij ten grondslag gelegd dat hij de Somalische nationaliteit heeft en tot de Ashraf behoort. Verzoeker heeft verklaard dat hij tot zijn zevende levensjaar (tot ca. 1980/1981) in [plaats] heeft gewoond. Daarna heeft hij met het gezin langdurig in [land] verbleven. In 1990 is het gezin naar Somalië ([plaats]) teruggekeerd. Kort daarop zijn ze bedreigd met geweld en is verzoekers broer vermoord. In 1991 is het gezin daarop naar [land] teruggekeerd en heeft tot 1994 in verschillende vluchtelingenkampen verbleven. Verzoeker heeft in 2006 [land] verlaten richting Europa. Verzoeker vreest bij terugkeer voor Al Shabaab.
Bij besluit van 17 februari 2012 is de aanvraag om verzoeker afgewezen omdat zijn asielrelaas, met inbegrip van zijn identiteit, nationaliteit en herkomst, niet geloofwaardig is geacht. Het beroep tegen deze beslissing is bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Assen, op 20 september 2012 (AWB 12/8796) ongegrond verklaard. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft op 18 februari 2013 deze uitspraak bevestigd, waardoor het besluit van 17 februari 2012 onherroepelijk is geworden.

4.

Zoals ter zitting door de gemachtigde van verzoeker is toegelicht, zijn de onderstaande documenten als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden aan de onderhavige asielaanvraag ten grondslag gelegd:
a) een verklaring van geboorte, afgegeven door de Somalische ambassade te Brussel op[...] 2014;
b) een nationaliteitsverklaring, afgegeven door de Somalische ambassade te Brussel op[...] 2014.
Verzoeker stelt dat hij met deze documenten zijn Somalische nationaliteit aannemelijk heeft gemaakt.
Verzoeker heeft daarnaast aan de onderhavige aanvraag ten grondslag gelegd dat hij behoort tot de minderheidsstam van de Ashraf en dat hij bijna zijn gehele leven buiten Somalië heeft gewoond. Hierdoor beschikt hij niet over en sociaal stamnetwerk bij terugkeer naar Zuid- of Centraal-Somalië. Bovendien loopt hij het risico als spion te worden beschouwd. Daarbij komt dat de algemene veiligheidssituatie in [plaats] zeer slecht is. Dit maakt dat hij bij terugkeer naar Zuid- of Centraal-Somalië een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Ter onderbouwing van dit risico heeft verzoeker bij de onderhavige aanvraag verwezen naar de volgende documenten en stukken:

- het algemene ambtsbericht inzake Somalië van 20 december 2013;

- het rapport ‘International Protection Considerations with Regard to people fleeing Southern and Central Somalia’, UNHCR, januari 2014;

- het nieuwsartikel van Sabahi, ‘Somalia: Somalis from diaspora denounce Al-Shabaab threats’ van 9 januari 2014;

- ‘ Statement on the current situation on [plaats] City’, 19 augustus 2013, Tony Burns;

- World report 2014, Human rights Watch;

- het rapport ‘Delivered by the Netherlands into the clutches of a suicide bomber in Somalia’, Amnesty International, 29 november 2013;

- Amnesty International, public statement, 15 mei 2013.

5.

Verweerder heeft de asielaanvraag van verzoeker afgewezen met toepassing van artikel 4:6 Awb, omdat verzoeker geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden aan zijn aanvraag ten grondslag heeft gelegd. Daarnaast heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk is dat eiser bij terugkeer een reëel risico loopt in de zin van artikel 3 EVRM.

6.

De voorzieningenrechter stelt vast dat het bestreden besluit, voor zover dat betrekking heeft op de afwijzing van de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, materieel vergelijkbaar is met het eerdere afwijzende besluit van 17 februari 2012.

6.1

Uit het ne bis in idem beginsel vloeit voort dat indien na een eerder afwijzend besluit een materieel vergelijkbaar besluit wordt genomen, voorshands moet worden aangenomen dat laatstgenoemd besluit door de bestuursrechter niet mag worden getoetst als ware het een eerste afwijzing. Slechts indien door de vreemdeling in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, kunnen dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen door de bestuursrechter worden getoetst. Dat geldt ook indien uit hetgeen de vreemdeling heeft aangevoerd kan worden afgeleid dat zich een voor hem relevante wijziging van het recht voordoet. Dit is slechts anders, indien zich bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden als bedoeld in overweging 45 van het arrest van het EHRM van 19 februari 1998 (Bahaddar tegen Nederland; JV 1998/45) voordoen.

6.2

De voorzieningenrechter beoordeelt ambtshalve of aan de aanvraag nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag zijn gelegd. Daaronder moeten worden begrepen feiten en omstandigheden die zijn voorgevallen na het nemen van het eerdere besluit of die niet voor het nemen van dat besluit konden worden aangevoerd en bewijsstukken van reeds eerder aangevoerde feiten of omstandigheden die niet voor het nemen van het eerdere besluit konden worden overgelegd. Dergelijke nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden rechtvaardigen echter geen nieuwe rechterlijke beoordeling, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd kan afdoen aan het eerdere besluit.

6.3

Ten aanzien van de hierboven onder overweging 4 genoemde verklaring van geboorte (a) en de nationaliteitsverklaring (b), afkomstig van de Somalische ambassade in Brussel, is de voorzieningenrechter van oordeel dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden die een nieuwe rechterlijke beoordeling rechtvaardigen. Verzoeker heeft desgevraagd ter zitting niet aannemelijk kunnen maken dat hij niet eerder een nationaliteitsverklaring en geboorteverklaring had kunnen verkrijgen en overleggen, nu de Somalische ambassade in Brussel (in elk geval) sinds augustus 2011 dergelijke documenten afgeeft, hetgeen door verzoeker niet is betwist. De stelling van verzoeker dat de Somalische ambassade in Brussel deze verklaringen weliswaar tijdens de eerste procedure van verzoeker verstrekte, maar dat daaraan door verweerder – anders dan sinds de accreditatie van de Somalische ambassade in Brussel door Nederland in april 2014 – geen waarde werd gehecht, maakt het voorgaande niet anders. Bij beantwoording van de vraag of documenten eerder konden worden overgelegd in het kader van de beoordeling of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden, is niet relevant of verweerder bij eerdere overlegging van de documenten een ander standpunt over de waarde ervan zou hebben ingenomen. Dat verweerder mogelijk vanaf augustus 2013, dan wel april 2014, een andere waarde c.q. méér waarde hecht aan verklaringen van de Somalische ambassade in Brussel, leidt niet tot het oordeel dat verzoeker voornoemde verklaringen niet eerder kon en hoefde te overleggen.

6.4

Nu de verklaring van geboorte en de nationaliteitsverklaring niet als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden kunnen worden aangemerkt die een nieuwe rechterlijke beoordeling rechtvaardigen, komt de voorzieningenrechter in dit verband niet toe aan het daarvan afhankelijke beroep op artikel 3 EVRM.
7. Nu er aldus geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden waarvan niet op voorhand is uitgesloten dat die kunnen afdoen aan het eerdere materieel vergelijkbare besluit, komt de vraag aan de orde of - gelet op hetgeen verzoeker heeft gesteld - bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden als bedoeld overweging 45 van het arrest Bahaddar aannemelijk zijn geworden, die nopen tot een uitzondering op het ne bis in idem-beginsel. De voorzieningenrechter overweegt dat, indien moet worden aangenomen dat verzoeker de Somalische nationaliteit bezit en zijn herkomst in Zuid- of Centraal-Somalië ligt, niet kan worden uitgesloten dat de gestelde duur van zijn verblijf in Europa dergelijke feiten en omstandigheden oplevert.

7.1

Beoordeeld dient daarom te worden of de nationaliteitsverklaring en de verklaring van geboorte die zijn afgegeven door de Somalische ambassade in Brussel, verzoekers gestelde nationaliteit en herkomst aannemelijk kunnen maken.

7.2

Verzoeker heeft in dit verband, samengevat, aangevoerd dat de Somalische ambassade in Brussel eerst op 10 april 2014 door Nederland is geaccrediteerd. Middels deze accreditatie heeft Nederland het vertrouwen uitgesproken in het onderzoek door de ambassade en dat de documenten, die door deze ambassade worden afgegeven, worden erkend. Verweerder stelde zich voorheen op het standpunt dat aan documenten, afgegeven door de Somalische ambassade in Brussel in de periode augustus 2011 tot en met 10 april 2014, nauwelijks tot geen waarde kon worden gehecht, omdat er geen sprake was van een geaccrediteerde ambassade en derhalve niet kon worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Somalische ambassade in Brussel, thans geaccrediteerd door Nederland, heeft uitvoerig onderzoek gedaan naar de herkomst van verzoeker door tweemaal met hem een gesprek te voeren en hem te ondervragen. In geval van twijfel over de grond voor afgifte van een document door de Somalische ambassade in Brussel, kan er contact met de ambassade worden opgenomen. Van alle gesprekken op de ambassade wordt een verslag gemaakt, waarnaar de IND navraag kan doen. Hierover hebben de Somalische ambassade en de IND afspraken gemaakt. Daarbij komt dat de Somalische ambassade de mogelijkheid krijgt om ook paspoorten af te geven, die op grond van hetzelfde onderzoek zullen worden afgegeven en welke paspoorten door Nederland worden erkend. Er is immers geen andere mogelijkheid voor de ambassade om paspoorten af te geven, nu het ontbreekt aan betrouwbare Somalische documenten. Dit wordt ook bevestigd door het algemeen ambtsbericht inzake Somalië van december 2013 (pagina 35). Nu de Nederlandse staat door middel van accreditatie het vertrouwen heeft uitgesproken over de werkwijze van de Somalische ambassade, kan verweerder zich niet op het standpunt stellen dat er geen enkele waarde kan worden gehecht aan de door verzoeker overgelegde documenten.
Ter zitting heeft de gemachtigde van verzoeker verklaard dat de Somalische ambassade in Brussel heeft meegedeeld dat er afspraken zijn gemaakt tussen deze ambassade en de IND, dat als een document wordt afgegeven de Somalische ambassade geen onderzoeksverslag van een verhoor met de vreemdeling hoeft te overleggen. De ambassade is overigens wel bereid om een onderzoeksverslag over te leggen als de IND daarnaar vraagt.

7.3

Verweerder heeft zich in het bestreden besluit, samengevat, op het standpunt gesteld dat de Somalische ambassade in Brussel reeds door Europa was geaccrediteerd en dat geen waarde wordt gehecht aan de documenten, omdat deze verkregen zijn op grond van een geboorteakte, ten aanzien waarvan de Koninklijke Marechaussee heeft geconstateerd dat deze akte niet was opgemaakt en afgegeven door de daartoe bevoegde autoriteit c.q. instantie.
Ter zitting heeft verweerder zich eerstens op het standpunt gesteld dat de accreditatie door Nederland van de Somalische ambassade geen gevolgen heeft voor de werkwijze van verweerder. In beginsel wordt waarde gehecht aan documenten van de Somalische ambassade in Brussel die zijn afgegeven op basis van verifieerbare verklaringen van de vreemdeling, tenzij het document ziet op de geboorteplaats van de vreemdeling. In dat geval moet de verklaring worden ondersteund door een authentiek brondocument. Ten aanzien van een nationaliteitsverklaring heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat deze moet worden ondersteund hetzij door een authentiek brondocument, hetzij door verifieerbare verklaringen van de vreemdeling die zijn afgelegd op de Somalische ambassade in Brussel. Als daarvan sprake is, wordt in beginsel van de nationaliteitsverklaring van de Somalische ambassade in Brussel uitgegaan, tenzij er concrete aanwijzingen zijn dat het document gebaseerd is op onzorgvuldig onderzoek of dat uit eigen onderzoek van verweerder, bijvoorbeeld een taalanalyse, iets anders blijkt. Verweerder heeft vervolgens aangegeven dat hij deze werkwijze hanteert sinds augustus 2013. Desgevraagd heeft verweerder verder aangegeven dat, als er sprake is van een (door de Kmar) niet authentiek bevonden brondocument, dit gevolgen heeft voor de vraag of sprake is van een zorgvuldig onderzoek.

7.4

De voorzieningenrechter stelt voorop dat verweerder ter zitting geen eenduidige toelichting op, dan wel betwisting van, de door gemachtigde van verzoeker weergegeven afspraken tussen de IND, c.q. de Nederlandse Staat, en de Somalische ambassade in Brussel heeft gegeven over de afgifte van verklaringen/documenten door deze Somalische ambassade, de waarde die daaraan wordt gehecht en of de accreditatie door de Nederlandse Staat in dit verband betekenis heeft, en zo ja welke. De voorzieningenrechter kan daarom thans niet beoordelen of verzoeker met de overgelegde verklaringen van de Somalische ambassade zijn nationaliteit aannemelijk heeft gemaakt. Voor zover ervan moet worden uitgegaan dat verzoeker de Somalische nationaliteit heeft, is daarmee echter nog geen sprake van bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden als bedoeld overweging 45 van het arrest Bahaddar, omdat verzoeker met de documenten niet zijn herkomstgebied binnen Somalië aannemelijk heeft gemaakt en dit relevant is voor beantwoording van de vraag of hij aldaar een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM. Het betoog dat verzoeker wordt uitgezet naar [plaats] en hij dat risico reeds door de uitzetting naar [plaats] loopt, leidt niet tot een ander oordeel, nu de (wijze van) uitzetting en daarmee verband houdende risico’s volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling eerst beoordeeld worden bij daadwerkelijke uitzetting. Daarvan is thans geen sprake.

8.

De voorzieningenrechter verklaart het beroep ongegrond.


9. Nu in de hoofdzaak is beslist, wijst de voorzieningenrechter het verzoek af.

10.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.B. de Vries – van den Heuvel, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.A.J. van Beek, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2014.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak, voor zover het de hoofdzaak betreft, kan binnen een week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.