Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:8933

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
01-07-2014
Datum publicatie
06-08-2014
Zaaknummer
458684 - HA ZA 14-121
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vervroegde onteigening. Toetsing onteigeningsbesluit. Hoogte voorschot op schadeloosstelling (art. 54i Ow). Vordering bank (art. 43 Ow). Vervroegde descente gehouden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/458684 / HA ZA 14-121

Vonnis van 1 juli 2014

in de zaak van

de publiekrechtelijke rechtspersoon

PROVINCIE ZUID-HOLLAND,

zetelende te Den Haag,

eiseres,

advocaten: mrs. E.W.J. de Groot en T.W. Franssen te Breda,

tegen

1 [A],

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

2. ANTONIUS JOHANNES [A],

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

gedaagden,

advocaten: mrs. A.A. den Hollander en A.P. Cornelissen te Rotterdam,

en

3. de coöperatie

COÖPERATIEVE RABOBANK GOUWESTREEK U.A.,

gevestigd te [plaatsnaam],

4. de naamloze vennootschap

RABOHYPOTHEEKBANK N.V.,

statutair gevestigd te Amsterdam, mede kantoorhoudende te Utrecht,

interveniënten,

advocaat: mr. L.Ph.J. baron van Utenhove.

Partijen zullen hierna de provincie, [A] c.s. en Rabobank c.s. worden genoemd.

[A] c.s. en Rabobank c.s. zullen in mannelijk enkelvoud worden aangeduid.

1 De verdere procedure

1.1.

Het procesverloop blijkt uit het tussenvonnis van 5 maart 2014 (hierna: het tussenvonnis). In dit vonnis heeft de rechtbank aangekondigd dat een datum voor pleidooi zal worden bepaald en dat de zaak daartoe wordt aangehouden. Het pleidooi heeft op 20 mei 2014 plaatsgevonden. Rabobank c.s. heeft ten behoeve van het pleidooi een akte overlegging producties genomen. De advocaten van de provincie en [A] c.s. hebben gepleit, de advocaat van [A] c.s. aan de hand van pleitnotities. Rabobank c.s. werd niet bij het pleidooi vertegenwoordigd. Ten slotte is een datum voor dit vonnis bepaald.

2 De beoordeling in de hoofdzaak

2.1.

De rechtbank verwijst naar hetgeen in het tussenvonnis is overwogen en blijft daarbij voor zover uit het hierna volgende niet anders blijkt.

Toetsing onteigeningsbesluit

2.2.

De provincie heeft haar vordering tot vervroegde onteigening gebaseerd op het Koninklijk Besluit van 30 september 2013 (hierna: KB), waarvan de inhoud in 2.1 van het tussenvonnis is vermeld. [A] c.s. verzet zich tegen vervroegde onteigening.

2.3.

De rechtbank stelt voorop dat toetsing van het KB, voor zover het betreft de afweging van de belangen van [A] c.s. enerzijds en die van de provincie anderzijds, is beperkt tot de vraag of de Kroon bij die afweging in redelijkheid heeft kunnen komen tot het oordeel dat voor verwezenlijking van ruimtelijke ordeningsplannen de onderhavige onteigening noodzakelijk is. De goedkeuring van het onteigeningsbesluit dient te worden getoetst naar de situatie ten tijde van dit goedkeuringsbesluit en daarbij dienen alleen de bezwaren te worden betrokken die reeds bij de Kroon naar voren zijn gebracht. Van een beoordeling van nieuwe bezwaren tegen de onteigening of van nieuwe feiten, die worden aangevoerd ter ondersteuning van reeds door de Kroon verworpen bezwaren, kan dan ook geen sprake zijn.

2.4.

Voor een zelfstandige beoordeling door de onteigeningsrechter van de noodzaak tot onteigening naar het tijdstip van de uitspraak is wél plaats indien hetgeen de gedaagde daaromtrent aanvoert, zo dat juist wordt bevonden, meebrengt dat de onteigening in het licht van na (de goedkeuring van) het onteigeningsbesluit gewijzigde of aan het licht gekomen omstandigheden aan de zijde van de onteigenende partij in strijd is met het recht omdat de onteigening niet (meer) geschiedt ten behoeve van het doel waarvoor volgens het onteigeningsbesluit onteigend wordt, of omdat ten gevolge van gewijzigde inzichten met betrekking tot de uitvoering van een aan de onteigening ten grondslag liggend besluit of plan niet (meer) kan worden gezegd dat de onteigening geschiedt ter uitvoering daarvan. In dat geval dient, behoudens indien het gaat om een verandering van ondergeschikte betekenis, de onteigenende partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar vordering tot onteigening.

2.5.

De rechtbank is van oordeel dat [A] c.s. geen feiten of omstandigheden gesteld die, in het licht van het zojuist geschetste toetsingskader, de conclusie rechtvaardigen dat het onteigeningsbesluit niet in stand kan blijven. [A] c.s. bestrijdt immers niet de noodzaak en urgentie van de onteigening van zijn percelen ten behoeve van de uitvoering door de provincie van de inpassingsplannen “Moordrechtboog” en “Extra Gouwekruising”, die in het tussenvonnis verkort zijn weergegeven als “project Parallelstructuur A12”. Het verweer van [A] c.s. richt zich tegen het plan van de gemeente [gemeente] tot aanleg van de zogenoemde Parallelweg, die – zo stelt [A] c.s. – zijn eigendommen zal doorsnijden en minder toegankelijk zal maken dan thans het geval is en ook aan uitbreiding van zijn varkenshouderij in de weg zal staan. Op basis van de processtukken stelt de rechtbank vast dat realisatie van het project Parallelstructuur A12 niet op enigerlei wijze afhankelijk is van de realisatie van de Parallelweg. Dat beide projecten gelijktijdig zouden worden uitgevoerd maakt dit niet anders. Of ten behoeve van de aanleg van de Parallelweg ook percelen van [A] c.s. (mogen) worden onteigend, staat thans niet ter beoordeling van de rechtbank. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat van een voornemen om met het oog op de Paralleweg tot onteigening bij [A] c.s. over te gaan nochtans niet is gebleken. Partijen hebben met betrekking tot de Parallelweg slechts op informele wijze met elkaar gesproken. Het verweer van [A] c.s. faalt aldus op dit onderdeel.

2.6.

De rechtbank is van oordeel dat alle op straffe van nietigheid voorgeschreven wettelijke termijnen en formaliteiten in acht zijn genomen. De vordering van de provincie tot vervroegde onteigening is dan ook toewijsbaar.

De hoogte van het voorschot op de schadeloosstelling

2.7.

[A] c.s. verzet zich verder tegen de hoogte van het door de provincie bij dagvaarding aangeboden voorschot op de schadeloosstelling van € 209.409,00. Hiertoe voert hij aan dat de hoogte van het voorschot dient te worden vastgesteld op de totale schadeloosstelling, althans 90% daarvan, die de door hem ingeschakelde taxateur heeft bepaald op € 1.027.654,00. In het taxatierapport wordt als grondprijs een bedrag van € 28,00 per vierkante meter aangehouden.

2.8.

Artikel 54i tweede lid Ow bepaalt dat indien partijen geen overeenstemming hebben bereikt over het bedrag van het voorschot, het voorschot wordt vastgesteld op 90% van het aanbod, tenzij de rechtbank aanleiding vindt om het voorschot op een ander bedrag vast te stellen. Aangezien vaststelling van het voorschot door de rechtbank geschiedt zonder voorlichting van deskundigen en het debat over het voorschot mede om die reden in dit stadium van de onteigeningprocedure niet kan en mag ontaarden in een debat over de uiteindelijke schadeloosstelling, is de beoordeling daaromtrent een globale en worden daaraan, volgens vaste jurisprudentie, geen hoge motiveringseisen gesteld. De toets die de rechtbank dient aan te leggen is of het aanbod van de provincie niet op voorhand als onredelijk moet worden aangemerkt.

2.9.

De rechtbank is van oordeel dat het aanbod van de provincie deze toets kan doorstaan. De provincie heeft toegelicht dat zij de gronden van [A] c.s. heeft laten taxeren door een onafhankelijk taxateur en dat bij de vaststelling van de grondprijs diverse referentietransacties zijn betrokken, waarbij de provincie in met [A] c.s. vergelijkbare gevallen een prijs van ongeveer € 8,00 per vierkante meter heeft betaald. De provincie heeft verder gemotiveerd bestreden dat bij de bepaling van de grondprijs een verwachtingswaarde kan worden gehanteerd op de wijze waarop dat in het door [A] c.s. overgelegde taxatierapport is gebeurd. Ten aanzien van de door [A] c.s. aangehaalde transacties van de provincie met Stichting Woonbron en ProRail, heeft de provincie gemotiveerd onderbouwd dat deze transacties niet kunnen dienen als referentiepunt omdat zich in die gevallen bijzonderheden hebben voorgedaan, die zich in het geval van [A] c.s. niet aan de orde zijn. [A] c.s. heeft dit laatste overigens ook niet bestreden.

2.10.

De provincie heeft ten tijde van het pleidooi verklaard bereid te zijn het voorschot op 100% van het aangeboden bedrag te stellen. De rechtbank zal het voorschot op de schadeloosstelling dienovereenkomstig bepalen op 100% van het aangeboden bedrag, te weten op € 209.409,00 (k.k.). Dit betekent dat zekerheidstelling als bedoeld in het vierde lid van voormeld artikel achterwege kan blijven.

De vordering van Rabobank c.s.

2.11.

[A] c.s. verzet zich tot slot tegen de vordering van Rabobank c.s. tot rechtstreekse uitkering aan haar van het volledige voorschot, te vermeerderen met de wettelijke rente, provisie en/of kosten. [A] c.s. acht deze vordering “onterecht en onbehoorlijk”, in de eerste plaats omdat de schadeloosstelling mede dient ter vergoeding van kosten die hij als gevolg van de onteigening zal moeten maken, zoals deskundigenkosten, en in de tweede plaats omdat Rabobank c.s. meer dan voldoende zekerheden heeft en [A] c.s. zelf in een florissante vermogenspositie verkeert.

2.12.

Artikel 43 Ow kent aan de tussengekomen hypotheekhouder(s) bij de vervroegde onteigening (met voorrang) verhaal op (het voorschot op) de schadeloosstelling toe. De hypotheekhouder mag slechts met voorrang verhaal nemen op het deel van de schadeloosstelling dat betrekking heeft op de zaaksvervanging.

2.13.

De rechtbank is van oordeel dat Rabobank c.s. op grond van artikel 43 Ow recht heeft op het voorschot op de schadeloosstelling, voor zover dat betrekking heeft op de zaaksvervanging. Daarbij is niet relevant of de hypotheekhouder nog andere (voldoende) zekerheden heeft en evenmin is de vermogenspositie van de hypotheeknemer van belang.

Uit de toelichting van de provincie ten tijde van het pleidooi, welke toelichting [A] c.s. niet heeft weersproken, volgt dat van het door de provincie aan [A] c.s. aangeboden voorschot van € 209.409,00 een gedeelte van € 185.217,62 ziet op zaaksvervanging. De rechtbank zal de vordering van Rabobank c.s. voor dit gedeelte toewijzen.

Slotoverwegingen

2.14.

Nu [A] c.s. het aan hem gedane aanbod niet heeft aanvaard, dient de rechtbank zich ingevolge artikel 54j Ow te laten voorlichten door deskundigen ter begroting van de aan [A] c.s. toekomende schadeloosstelling. Bij beschikking van 24 april 2014 (zaaknummer / rekestnummer: C/09/462969 / HA RK 14-151) heeft de rechtbank de deskundigen en een rechter-commissaris benoemd. Inmiddels heeft op woensdag 21 mei 2014 om 10:30 uur een descente plaatsgevonden. Daarvan is proces-verbaal opgemaakt, waarin het verdere verloop van de procedure is geschetst.

3 De beslissing

De rechtbank:

3.1.

spreekt vervroegd de onteigening uit ten name en ten behoeve van de provincie van:

  • -

    een gedeelte ter grootte van 00.95.30 hectare ([grondplannummer 1]) van het perceel kadastraal bekend gemeente [woonplaats], [sectie], nummer [nummer], in totaal groot 01.18.68 hectare;

  • -

    een gedeelte ter grootte van 00.22.25 hectare ([grondplannummer 2]) van het perceel kadastraal bekend gemeente [woonplaats], [sectie], nummer [nummer], in totaal groot 01.95.20 hectare;

  • -

    een gedeelte ter grootte van 00.23.70 hectare ([grondplannummer 3]) van het perceel kadastraal bekend gemeente [woonplaats], [sectie], nummer [nummer], in totaal groot 01.98.80 hectare,

gelegen nabij het adres [adres] te [plaatsnaam], vrij van alle op de zaak rustende lasten en rechten;

3.2.

stelt het voorschot op de schadeloosstelling voor [A] c.s. vast op € 209.409, waarvan een bedrag van € 185.217,62 door de provincie rechtstreeks aan Rabobank c.s. betaald dient te worden;

3.3.

bepaalt dat ten aanzien van [A] c.s. geen nadere zekerheid behoeft te worden gesteld voor de voldoening van de aan hem verschuldigde schadeloosstelling;

3.4.

wijst het “AD Groene Hart” en “Gouwe Koerier” aan als nieuws- en advertentieblad waarin de griffier van deze rechtbank de onder 3.1 vermelde beslissing bij uittreksel zal plaatsen;

3.5.

bepaalt dat het verdere procesverloop zal zijn zoals beschreven in het onder 2.14 genoemde proces-verbaal van de descente;

3.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mrs. I. Brand, G.H.I.J. Hage en J.W. Bockwinkel en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2014.1

1 type: 1790