Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:8898

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15-07-2014
Datum publicatie
29-07-2014
Zaaknummer
AWB-14_1785
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Boeteoplegging ingevolge de Wet aanscherping. Schending mededelingsplicht. Verminderde verwijtbaarheid op grond van de (oude) Uwv-Beleidsregel 2010. Evevenredigheidstoets leidt in casu niet tot verdergaande matiging.

Wetsverwijzingen
Werkloosheidswet 25, geldigheid: 2014-07-15
Werkloosheidswet 27a, geldigheid: 2014-07-15
Boetebesluit socialezekerheidswetten 2, geldigheid: 2014-07-15
Boetebesluit socialezekerheidswetten 2a, geldigheid: 2014-07-15
Algemene wet bestuursrecht 8:72a, geldigheid: 2014-07-15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 14/1785

uitspraak van de meervoudige kamer van 15 juli 2014 in de zaak tussen

[eiser], te [a-plaats], eiser

(gemachtigde: mr. Ö. Arslan),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder

(gemachtigde: mr. R.A.C. Rijk).

Procesverloop

Bij besluit van 25 september 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser een boete opgelegd van € 2.478,40.

Bij besluit van 24 januari 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juni 2014.

Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

De rechtbank gaat uit van de navolgende feiten en omstandigheden.

Eiser is met ingang van 24 december 2012 in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) met een uitkeringsduur tot en met 23 augustus 2014. Bij de nieuwe WW-aanvraag van eiser van 22 juli 2013 is het verweerder gebleken dat eiser van 3 juni 2013 tot en met 19 juli 2013 heeft gewerkt in dienst van [A] B.V. te [b-plaats] (de werkgever). Bij besluit van 25 september 2013 heeft verweerder het recht op WW-uitkering van eiser over de gewerkte periode van 3 juni 2013 tot en met 19 juli 2013 herzien en het daarmee verband houdende WW-uitkeringsbedrag van € 2.478,40 van eiser teruggevorderd. Verweerder heeft tevens bij het primaire besluit aan eiser een boete opgelegd ter hoogte van het benadelingsbedrag van € 2.478,40.

2

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de in het primaire besluit opgelegde boete gehandhaafd. Het bestreden besluit berust op het standpunt dat ingevolge de met ingang van 1 januari 2013 in werking getreden Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW (de Wet aanscherping) het Uwv bij overtreding van de inlichtingenverplichting een bestuurlijke boete oplegt van ten hoogste het benadelingsbedrag. Verweerder heeft gesteld dat eiser op de hoogte had kunnen zijn van het aangescherpte sanctiebeleid en dat hij had moeten weten dat hij de werkhervatting per 3 juni 2013 bij de werkgever had moeten opgeven. Ook het niet beheersen van de Nederlandse taal is geen reden om niet te voldoen aan de inlichtingenplicht. Voor verweerder staat daarom vast dat eiser de inlichtingenplicht heeft overtreden. Omdat niet gebleken is van feiten en omstandigheden die zouden moeten leiden tot verminderde verwijtbaarheid, meent verweerder dat terecht een boete is opgelegd van 100% van het benadelingsbedrag.

3.

In beroep heeft eiser aangevoerd dat hij door de taalbarrière niet bekend is geweest met zijn rechten en plichten en de eventuele consequenties die optreden als sprake is van nalaten van zijn kant. Eiser stelt nimmer een werkcoach te hebben gehad die hem zou moeten helpen en begeleiden. Eiser stelt tevens dat de werkgever tegen hem had gezegd dat alles was doorgegeven aan het Uwv en dat hij zich geen zorgen hoefde te maken. Eiser stelt voorts dat hij dacht dat de WW-betalingen betrekking hadden op oude termijnen. Eiser stelt dat het de eerste keer is dat hij zich niet heeft gehouden aan de inlichtingenplicht en vraagt zich af waarom hij geen waarschuwing heeft gekregen. Eiser stelt ten slotte dat de hoogte van de boete disproportioneel is en onduidelijk is waarom hij geen 50%-boete heeft gekregen. Eiser vindt dat verweerder het evenredigheidsbeginsel had moeten toepassen.

4.

De rechtbank overweegt als volgt.

4.1.

Op grond van artikel 25 van de WW - voor zover hier van belang - is de werknemer verplicht aan het UWV op zijn verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mede te delen, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering, het geldend maken van het recht op uitkering, de hoogte of de duur van de uitkering, of op het bedrag van de uitkering dat aan de werknemer wordt betaald.

In artikel 27a, eerste lid, van de WW is bepaald dat het UWV een bestuurlijke boete oplegt van ten hoogte het benadelingsbedrag wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de werknemer van de verplichting bedoeld in artikel 25.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel wordt onder benadelingsbedrag verstaan het brutobedrag dat als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 25, ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan uitkering is ontvangen.

In het achtste lid van artikel 27a van de WW is bepaald dat het UWV

a. de bestuurlijke boete kan verlagen indien sprake is van verminderde verwijtbaarheid;

b. kan afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

4.2.

In artikel 2, eerste lid, van het Boetebesluit socialezekerheidswetten (Boetebesluit) is bepaald dat de bestuurlijke boete wordt vastgesteld op de hoogte van het benadelingsbedrag, met dien verstande dat zij op ten minste € 150,- wordt vastgesteld. Bij verminderde verwijtbaarheid wordt de bestuurlijke boete verlaagd.

In artikel 2a, eerste lid, van het Boetebesluit wordt bij de bepaling van de hoogte van de bestuurlijke boete de mate waarin de gedraging aan de betrokkene kan worden verweten beoordeeld naar de omstandigheden waarin de betrokkene verkeerde op het moment dat hij de inlichtingenverplichting had moeten nakomen.

In artikel 2a, tweede lid, van het Boetebesluit is bepaald dat bij de beoordeling van de mate waarin de gedraging aan de betrokkene kan worden verweten, in ieder geval de volgende criteria tot verminderde verwijtbaarheid leiden:

a. de betrokkene verkeerde in onvoorziene en ongewenste omstandigheden, die niet tot het normale levenspatroon behoren en die hem weliswaar niet in de feitelijke onmogelijkheid brachten om aan de inlichtingenverplichting te voldoen maar die emotioneel zo ontwrichtend waren dat hem niet volledig valt toe te rekenen dat de inlichtingen niet tijdig of volledig zijn verstrekt;

b. de betrokkene verkeerde in een zodanige geestelijke toestand dat hem de overtreding niet volledig valt aan te rekenen, of

c. de betrokkene heeft wel inlichtingen verstrekt, die echter onjuist of onvolledig waren, of heeft anderszins een wijziging van omstandigheden niet onverwijld gemeld, maar uit eigen beweging alsnog de juiste inlichtingen verstrekt voordat de overtreding is geconstateerd tenzij de betrokkene deze inlichtingen heeft verstrekt in het kader van toezicht op de naleving van een inlichtingenverplichting.

5.1.

Eiser is op 3 juni 2013 naast zijn WW-uitkering gaan werken en heeft daarvan niet zelf onverwijld melding gemaakt bij het Uwv. Naar het oordeel van de rechtbank wist eiser als uitkeringsgerechtigde of had hij kunnen weten dat op hem de verplichting rust om alle voor het recht op uitkering van belang zijnde wijzigingen door te geven. Zijn betoog dat hij dacht dat de werkhervatting door de werkgever aan het Uwv zou worden doorgegeven, leidt niet tot verminderde verwijtbaarheid. Eiser is immers volgens de WW verplicht om zelfstandig melding te maken van elke wijziging die van belang is voor het recht op uitkering. Eiser kon en mocht er dus niet op vertrouwen dat de werkgever dit zou doen. Ook eisers stelling dat hij geen werkcoach heeft gehad en dat hij door onvoldoende kennis van de Nederlandse taal niet op de hoogte was van de inlichtingenplicht, kan niet tot een ander oordeel leiden. Hiertoe geldt dat, anders dan eiser stelt, hij wel degelijk is begeleid door een werkcoach van het Uwv-Werkbedrijf, de heer [B]. Daarbij komt dat eiser bij de toekenning van zijn WW-uitkering maar ook nadien door zijn werkcoach, die eisers taalvaardigheid als redelijk bestempelde, is gewezen op zijn rechten en plichten die bij een WW-uitkering horen. Eiser was er dus, net als iedere andere uitkeringsgerechtigde, volledig van op de hoogte dat hij zijn neveninkomsten moest melden.

5.2.

Eisers stelling dat hij in de veronderstelling verkeerde dat de WW-betalingen, die doorliepen tijdens zijn werkhervatting, oude uitkeringstermijnen waren, slaagt evenmin. Uit de door verweerder bij het verweerschrift overgelegde betaalspecificaties blijkt op welke uitkeringsperiode de WW-betaling betrekking heeft. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank gezien het voorgaande terecht op het standpunt gesteld dat eiser zijn inlichtingenplicht niet is nagekomen en dat hem daarvan een verwijt kan worden gemaakt.

5.3.

Verweerder was dan ook, gelet op het bepaalde in artikel 27a van de WW, verplicht om een bestuurlijke boete op te leggen. Nu het niet-nakomen door eiser van de inlichtingenplicht heeft geleid tot een benadelingsbedrag, heeft verweerder, gelet op het bepaalde in artikel 27a, vierde lid, van de WW, niet kunnen volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing. Voorts is niet gebleken van dringende redenen om van het opleggen van een bestuurlijke boete af te zien.

6.

Met betrekking tot de hoogte van de boete heeft verweerder ter zitting aangegeven dat in het geval van eiser ten onrechte geen toepassing is gegeven aan artikel 8 van zijn (oude) Beleidsregel Boete werknemer 2010. Dat had wel gemoeten omdat het primaire besluit is genomen vóór 9 december 2013, de publicatiedatum van verweerders nieuwe Beleidsregel Boete werknemer 2013. In artikel 8 van de oude beleidsregel is bepaald dat de boete wordt verlaagd, indien de belanghebbende voldoende aannemelijk maakt dat, gelet op de financiële omstandigheden waarin hij verkeert, de boete niet binnen twaalf maanden na oplegging kan zijn voldaan, rekening houdend met het vermogen en de aflossingscapaciteit van de belanghebbende. Gelet hierop ziet verweerder aanleiding de aan eiser opgelegde boete te matigen tot een bedrag van € 1.266,--. Verweerder heeft dan ook aan de rechtbank verzocht om bij de uitspraak het boetebedrag op dit bedrag vast te stellen.

7.

Met betrekking tot eisers beroep op het evenredigheidsbeginsel is de rechtbank van oordeel dat het bedrag van deze boete evenredig is aan de ernst van de overtreding, de mate van verwijtbaarheid en de persoonlijke omstandigheden van eiser. De door eiser genoemde omstandigheden dat het de eerste keer is dat hij neveninkomsten niet heeft gemeld en dat hij uiteindelijk zelf de neveninkomsten heeft gemeld, vormen voor de rechtbank geen aanleiding om tot een lagere boetevaststelling te komen. De rechtbank heeft daarbij laten wegen dat eiser gedurende ruim zes weken naast zijn WW-uitkering loonbetalingen van zijn werkgever heeft ontvangen zonder daarvan melding te maken aan het Uwv. Dat de zaak aan het licht is gekomen in verband met een door eiser ingediende nieuwe uitkeringsaanvraag, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat sprake is van een situatie waarin eiser spontaan uit eigen beweging de juiste informatie heeft verstrekt voordat het Uwv de overtreding constateert. Alle omstandigheden in aanmerking genomen acht de rechtbank het boetebedrag van € 1.266,-- evenredig.

8.

Gelet op het vorenstaande is het beroep gegrond en vernietigt de rechtbank het bestreden besluit. De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien en stelt het bedrag van de boete met toepassing van artikel 8:72a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vast op € 1.266,--, herroept het primaire besluit en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit.

9.

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

10.

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.461,-- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 487,-- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit (voor zover het de hoogte van de opgelegde boete betreft);

- stelt de hoogte van de boete vast op € 1.266,--;

- herroept het primaire besluit (voor zover het de hoogte van de opgelegde boete betreft);

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 45,-- aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.461,--, te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L. Koper, voorzitter, mr. drs. H.M. Braam en mr. N.S.M. Lubbe, leden, in aanwezigheid van F.P. Krijnen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2014.

tter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.