Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:8870

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-07-2014
Datum publicatie
21-07-2014
Zaaknummer
VK-14_128
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

asiel, 1F, zwaar inreisverbod, procesbelang, signalering Interpol.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 14/128

V-nummer: [nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 17 juli 2014 in de zaak tussen

[naam 1], echtgenote van [naam 2], eiseres,

gemachtigde mr. P.J. van den Hoogen,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. J.E.J. ten Berg.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 29 oktober 2013 (het bestreden besluit) waarbij haar asielaanvraag is afgewezen en waarbij een inreisverbod voor de duur van tien jaar opgelegd.

De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 23 april 2014. Eiseres is ter zitting verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig R. Rahim Ali, tolk in de Azeri taal. Ter zitting is het onderzoek gesloten. De rechtbank heeft de termijn voor het doen van uitspraak éénmaal verlengd.

Overwegingen

1.

Eiseres heeft gesteld te zijn geboren op [geboortedatum 1] en de Azerbeidjaanse nationaliteit te bezitten. Op 22 april 2013 heeft eiseres een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

2.

Op 11 maart 2013 heeft de vreemdelingenpolitie van het regionaal politiekorps [plaats 1] een melding ontvangen. Daarbij is verzocht om onderzoek te doen naar eiseres, die op dat moment was opgenomen in een ziekenhuis te [plaats 2] en die niet stond ingeschreven in Nederland. De vreemdelingenpolitie heeft een onderzoek ingesteld en op 20 maart 2013 proces-verbaal opgemaakt. Hierin staat vermeld dat uit dactyloscopisch onderzoek is gebleken dat eiseres internationaal staat gesignaleerd bij Interpol en bekend is onder de naam [naam 3], geboren [geboortedatum 2] en van Azerbeidjaanse nationaliteit. Zij staat gesignaleerd voor opsporing en aanhouding wegens mensensmokkel, mensenhandel, illegale immigratie en gedwongen prostitutie. Eiseres is vervolgens tijdens het nader gehoor geconfronteerd met deze gegevens. Zij heeft verklaard dat zij deze naam nooit heeft gehoord en dat zij zich nooit schuldig heeft gemaakt aan de misdrijven waarvoor zij wordt gezocht. Verweerder hecht geen waarde aan de door eiseres overgelegde identiteitskaart omdat het een valselijk verkregen document is waarmee eiseres haar ware identiteit verborgen heeft willen houden. Verweerder heeft de asielaanvraag vervolgens afgewezen onder verwijzing naar artikel 31, eerste lid, gelezen in samenhang met het tweede lid, aanhef en onder d, e, en k, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Omdat eiseres in verband wordt gebracht met mensenhandel en gedwongen prostitutie, heeft verweerder deze misdrijven gekwalificeerd als absolute niet-politieke misdrijven in de zin van artikel 1F, aanhef en onder b, van het Vluchtelingenverdrag (Vlv). Omdat artikel 1F van het Vlv voor eiseres van toepassing is, komt zij volgens verweerder niet in aanmerking voor een asielvergunning. Vanwege de toepasselijkheid van artikel 1F van het Vlv is aan eiseres een inreisverbod opgelegd voor de duur van tien jaar.

3.

Eiseres heeft in beroep onder verwijzing naar de zienswijze het volgende aangevoerd. Zij ontkent dat zij de gezochte [naam 3] is. Zij wijst daartoe op de verklaring van 9 oktober 2013 van het Bureau Documenten, waaruit blijkt dat de door haar overgelegde identiteitskaart op naam van [naam 4], geboren op [geboortedatum 3], met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid echt is. Voorts is de afwijzing van de aanvraag met de 1F-tegenwerping uitsluitend gebaseerd op de Interpolsignalering. Dat eiseres, al zou zij de gezochte vrouw zijn, zich persoonlijk heeft beziggehouden met deze activiteiten, volgt niet uit deze signalering. Eiseres stelt dat misbruik van Interpol door overheden voorkomt en verwijst naar een brief van 2 september 2013 van VluchtelingenWerk Nederland waarin staat vermeld dat de bepaalde overheden `red notices` laten uitgaan in verband met het opsporen van dissidenten. In dat stuk wordt ook een voorbeeld uit Azerbeidzjan genoemd. Volgens eiseres kan verweerder voornoemd standpunt niet handhaven zonder een nader onderzoek in te stellen in de vorm van een individueel ambtsbericht.

4.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend en zich op het standpunt gesteld dat de door eiseres overgelegde identiteitskaart niet afdoet aan de uitkomst van het dactyloscopisch onderzoek waaruit blijkt dat eiseres een andere identiteit heeft. Verweerder verwijst naar paragraaf 2.3.2 van het ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken van mei 2013 waaruit blijkt dat vrijwel alle documenten te koop zijn.

Ter zitting heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiseres in beroep de 1F- tegenwerping niet heeft bestreden.

De rechtbank oordeelt als volgt.

5.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in samenhang met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

In het tweede lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 is bepaald dat bij het onderzoek naar de aanvraag mede wordt betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag valse of vervalste reis- en of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden heeft overgelegd en, hoewel daaromtrent ondervraagd, opzettelijk de echtheid daarvan heeft volgehouden.

In het tweede lid aanhef en onder e, van de Vw 2000 is bepaald dat bij het onderzoek naar de aanvraag mede wordt betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag opzettelijk reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden heeft overgelegd die niet op hem betrekking hebben.

In het tweede lid, aanhef en onder k, van de Vw 2000 is bepaald dat bij het onderzoek naar de aanvraag mede wordt betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid.

Ingevolge artikel 1F, aanhef en onder b, van het Vlv zijn de bepalingen van dat Verdrag niet van toepassing op een persoon ten aanzien van wie er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat hij een ernstig niet-politiek misdrijf heeft begaan buiten het land van toevlucht, voordat hij tot dit land als vluchteling is toegelaten.

Volgens het ter zake geldend beleid van verweerder, hoofdstuk C2/6.2.8 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000), is het aan verweerder om aan te tonen dat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat een vreemdeling onder de criteria van artikel 1F van het Vlv valt.

Teneinde te bepalen of de betrokken vreemdeling individueel verantwoordelijk dient te worden gehouden voor misdrijven, als bedoeld in artikel 1F van het Vlv, wordt de ‘personal and knowing participation test’ toegepast. Beoordeeld wordt daarbij of ten aanzien van de betrokkene kan worden aangenomen dat hij weet heeft gehad of had behoren te hebben van het plegen van de betreffende misdrijven (‘knowing participation’) én of hij op enige wijze hieraan persoonlijk heeft deelgenomen (‘personal participation’). Indien hiervan sprake is kan het betrokken artikel 1F worden tegengeworpen.

Ingevolge artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 vaardigt verweerder een inreisverbod uit tegen de vreemdeling, die geen gemeenschapsonderdaan is, op wie artikel 64 niet van toepassing is en die Nederland onmiddellijk moet verlaten ingevolge artikel 62, tweede lid.

Ingevolge het zevende lid, aanhef en onder d, kan de vreemdeling jegens wie een inreisverbod geldt in afwijking van het zesde lid en artikel 8 en met uitzondering van het rechtmatig verblijf van de vreemdeling die een eerste aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft ingediend zolang op die aanvraag nog niet is beslist, geen rechtmatig verblijf hebben, in geval de vreemdeling ingevolge een verdrag of in het belang van de internationale betrekkingen van Nederland ieder verblijf dient te worden ontzegd.

Ingevolge artikel 6.5a, vijfde lid, aanhef en onder c, van het Vreemdelingenbesluit 2000, voor zover hier van belang, bedraagt de duur van het inreisverbod ten hoogste tien jaren, indien het betreft de omstandigheid dat hem artikel 1F van het Vlv wordt tegengeworpen.

Procesbelang bij beoordeling asielbesluit

6.

Aan eiseres is een inreisverbod voor de duur van tien jaar opgelegd. Gelet op de in artikel 66a, zevende lid, van de Vw 2000 beschreven rechtsgevolgen van het opleggen van een (zwaar) inreisverbod dient de rechtbank allereerst ambtshalve een beslissing te nemen over de vraag of eiseres procesbelang heeft bij de beoordeling van het beroep tegen de beslissing op haar asielaanvraag.

7.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft in de uitspraak van 9 juli 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:298, JV 2013/310) bepaald – samengevat –

dat bij samenloop van een asielbesluit met een inreisverbod met de rechtsgevolgen bedoeld in artikel 66a, zevende lid, van de Vw 2000, het belang bij toetsing in rechte van het asielbesluit eerst aan de orde is indien dat inreisverbod wordt ingetrokken, herroepen, vernietigd of opgeheven. De rechtbank volgt de Afdeling niet in dit oordeel. Daartoe wordt het volgende overwogen.

8.

Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 30 mei 2013, C-534/11, in de zaak Arslan (JV 2013/248), punt 49, volgt dat Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (de Terugkeerrichtlijn) niet van toepassing is op derdelanders die om internationale bescherming hebben verzocht in het tijdvak tussen de indiening van dat verzoek en de vaststelling van de beslissing in eerste aanleg over dat verzoek of, in voorkomend geval, de beslechting van het eventuele beroep tegen die beslissing.

9.

Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat artikel 66a, zevende lid, van de Vw 2000, richtlijnconform uitgelegd, aldus gelezen dient te worden dat in de in deze bepaling genoemde gevallen wel sprake is van rechtmatig verblijf – in die zin dat geen sprake is van illegaal verblijf – zolang nog niet is beslist op een eerste asielaanvraag of, indien van toepassing, op het daartegen ingestelde beroep. Het bestreden besluit heeft betrekking op de eerste asielaanvraag van eiseres. Dit heeft tot gevolg dat ook in het geval van eiseres sprake is van rechtmatig verblijf. Eiseres heeft dan ook belang bij toetsing in rechte van het bestreden besluit voor zover dat betrekking heeft op haar asielaanvraag.

Asielbesluit

10.

Verweerder heeft zich op basis van de gegevens van Interpol, die zijn verkregen via dactyloscopisch onderzoek, op het standpunt kunnen stellen dat eiseres niet de identiteit bezit die zij heeft opgegeven bij haar aanvraag. De stelling van eiseres dat aan de overeenkomst in het dactyloscopisch signalement geen betekenis kan worden toegekend wegens het gebrek aan integriteit bij de Azerbeidjaanse autoriteiten, wordt niet gevolgd. Van belang hierbij is dat uit mededelingen van verweerder ter zitting blijkt dat Interpol zelf de vingerafdrukken vergelijkt en dat aan de autoriteiten van het land van herkomst geen melding wordt gedaan van de asielaanvraag. De verklaring van eiseres dat er in Azerbeidzjan geen vingerafdrukken zijn afgenomen wordt niet gevolgd. Tijdens het nader gehoor heeft zij weliswaar verklaard dat zij geen vingerafdrukken heeft afgegeven (pagina 16), maar tijdens het eerste gehoor heeft zij verklaard dat zij op 15 februari 2013 vijf of zes uur is vastgehouden door het openbaar ministerie in Baku (pagina 6). Niet aannemelijk is dat bij het laatste incident geen vingerafdrukken bij eiseres zijn afgenomen. Verweerder mocht er daarom van uitgaan dat de van eiseres in Nederland afgenomen vingerafdrukken overeenkomen met de uit het land van herkomst door Interpol verkregen vingerafdrukken. Verweerder heeft derhalve artikel 31, tweede lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000 aan het bestreden besluit ten grondslag kunnen leggen. Dat heeft tot gevolg dat verweerder terecht heeft beoordeeld dat van het asielrelaas van eiseres positieve overtuigingskracht moet uitgaan.

11.

Voorts overweegt de rechtbank dat uit het onderzoek van 9 oktober 2013 van het Bureau Documenten blijkt dat de identiteitskaart op naam van [naam 4], geboren op [geboortedatum 3], met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid echt is. Verweerder kan eiseres derhalve niet kan verwijten dat zij valse of vervalste identiteitspapieren heeft overgelegd. Het bepaalde in artikel 31, aanhef en onder d, van de Vw 2000 kon om die reden niet worden tegengeworpen. Deze constatering doet echter niet af aan rechtsoverweging 10 waarin op basis van het dactyloscopisch onderzoek is overwogen dat eiseres een andere identiteit bezit dan zij heeft gesteld.

12.

De rechtbank is van oordeel dat eiseres het tegenwerpen van artikel 1F van het Vlv wel degelijk in beroep heeft bestreden. De rechtbank verwijst daartoe naar de zienswijze (onderdeel 8 tot en met 11) waarnaar eiseres in beroep heeft verwezen, het bestreden besluit, de beroepsgronden en de toelichting van eiseres ter zitting. De rechtbank wijst ook op de stelling van eiseres in het beroepschrift, dat verweerder in het bestreden besluit ook alle argumenten in het voornemen overneemt en als ingelast beschouwt waardoor zij is genoodzaakt om hetzelfde te doen ten aanzien van de zienswijze. De rechtbank komt derhalve toe aan de beoordeling of verweerder terecht artikel 1F van het Vlv aan eiseres heeft tegengeworpen.

13.

Daarover oordeelt de rechtbank als volgt. Uit het beleid, zoals dat in hoofdstuk C2, onderdeel 6.2.8. van de Vc 2000 is verwoord, blijkt dat verweerder voor tegenwerping van artikel 1F van het Vlv moet aantonen dat er ernstige redenen zijn dat de vreemdeling één van de strafbare feiten, genoemd in dit artikel, gepleegd heeft. Verweerder hanteert daartoe de instrumenten van knowing participation en personal participation. Uit de wijze waarop verweerder deze onderzoeken vervolgens in het eigen beleid heeft beschreven, moet worden afgeleid dat uitsluitend een signalering bij Interpol onvoldoende is om eiseres in verband te brengen het begaan van absolute niet-politieke misdrijven vanwege mensenhandel en gedwongen prostitutie. Van belang hierbij is dat deze signalering niet wordt ondersteund door andere gegevens of documenten. Verweerder heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat er sprake is van ernstige redenen als hiervoor bedoeld. Het bestreden besluit is in zoverre ondeugdelijk gemotiveerd en daarmee in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht.

14.

Het voorgaande betekent dat artikel 31, tweede lid, aanhef en onder k, van de Vw 2000, dat aan het bestreden besluit ten grondslag is gelegd, niet kon worden tegengeworpen. Bovendien kon verweerder niet afzien van toetsing van het asielrelaas van eiseres onder verwijzing naar artikel 1F van het Vlv. Dit betekent dat verweerder alsnog een inhoudelijke beoordeling van het asielrelaas van eiseres moet maken.

Inreisverbod

15.

Het inreisverbod voor de duur van tien jaar dient te vervallen, nu de grondslag daarvoor, de 1F-tegenwerping, gelet op de voorgaande overwegingen ondeugdelijk is gemotiveerd.

Slotsom

16.

Het beroep van eiseres zal, gelet op het vorenstaande, gegrond worden verklaard en het bestreden besluit zal worden vernietigd.

17.

De rechtbank ziet in dit geval aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte kosten. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 974 (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 487 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 974 (negenhonderdvierenzeventig euro), te betalen aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J. Loonstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2014.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.