Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:8778

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-07-2014
Datum publicatie
31-07-2014
Zaaknummer
C-09-466400 - FA RK 14-3844
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek tot teruggeleiding van minderjarigen naar België. Nederlandse rechter heeft reeds in echtscheidingsprocedure beslist dat de gewone verblijfplaats van de minderjarigen bij vader zal zijn in Nederland. Verzoek tot teruggeleiding is ingediend na deze beslissing. De rechter die moet beslissen op het teruggeleidingsverzoek is gebonden aan die beslissing. Geen sprake van kinderontvoering. Verzoek wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Den HAAG

Meervoudige Kamer

Rekestnummer: FA RK 14-3844

Zaaknummer: 466400

Datum beschikking: 17 juli 2014

Internationale kinderontvoering

Beschikking op het op 21 mei 2014 ingekomen verzoek van:

[de moeder],

de moeder,

wonende te [woonplaats], België,

advocaat: mr. P.J. Montanus te ’s-Gravenhage,

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vader],

de vader,

wonende te [woonplaats],

advocaat: mr. M.S. Clarenbeek te Maassluis.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

  • -

    het verzoekschrift;

  • -

    het verweerschrift;

  • -

    het f-formulier d.d. 5 juni 2014, met bijlage, van de zijde van de moeder;

- de brief van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 20 juni 2014;

- de brief d.d. 23 juni 2014 van de zijde van de vader;

- de brief d.d. 24 juni 2014 van de zijde van de moeder;

- de brieven d.d. 1 juli 2014, met bijlagen, van de zijde van de moeder;

- het f-formulier d.d. 2 juli 2014, met bijlage, van de zijde van de moeder.

Op 5 juni 2014 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de moeder, bijgestaan door haar advocaat, alsmede de vader, bijgestaan door zijn advocaat. Het betrof hier een regiezitting met het oog op crossborder mediation in internationale kinderontvoeringszaken met als behandelend rechter, tevens kinderrechter, mr. A.C. Olland. De behandeling ter terechtzitting is aangehouden.

Op 5 juni 2014 heeft het Mediation Bureau van het Centrum Internationale Kinderontvoering de rechtbank bericht dat partijen niet zijn gestart met de hen aangeboden crossborder mediation.

De minderjarigen zijn op 3 juli 2014 in raadkamer gehoord.


Op 3 juli 2014 is de behandeling ter terechtzitting van de meervoudige kamer voortgezet. Hierbij zijn verschenen: de vader, bijgestaan door zijn advocaat en zijn Belgische advocaat, mr. K. Verbist, de moeder, bijgestaan door haar advocaat en haar Belgische advocaat, mr. V. Allaerts, alsmede de Raad voor de Kinderbescherming in de persoon van mevrouw R. Westerkamp.

Verzoek en verweer

De moeder heeft verzocht de onmiddellijke terugkeer van na te melden minderjarigen te bevelen, althans de terugkeer van de minderjarigen vóór een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum te bevelen, met dien verstande dat de minderjarigen met de benodigde reisdocumenten op een door de rechtbank te bepalen datum aan de moeder worden afgegeven, zodat zij de minderjarigen mee terug kan nemen naar België, met veroordeling van de vader tot betaling van de kosten aan de moeder als bedoeld in artikel 26 lid 4 van het HKOV en artikel 13 lid 5 van de Uitvoeringswet, een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De vader heeft verweer gevoerd tegen het verzoek van de moeder, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Hij heeft zelfstandig verzocht de moeder te veroordelen in de kosten van de procedure.

Feiten

In deze zaak kan – voor zover thans van belang – worden uitgegaan van de volgende feiten en omstandigheden.

Partijen zijn gehuwd geweest van [datum huwelijk] tot [datum echtscheiding].

Uit het huwelijk zijn de volgende thans nog minderjarige kinderen geboren:

- [de minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats];

- [de minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats].

Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over de minderjarigen uit.

De vader heeft de Nederlandse nationaliteit, de moeder heeft de Belgische nationaliteit en de minderjarigen hebben de Nederlandse en de Belgische nationaliteit.

De moeder is met de minderjarigen in de zomer 2010 naar België vertrokken. Zij stonden vanaf 21 oktober 2010 ingeschreven in [plaats] (België).

Op 2 augustus 2011 heeft de vader een verzoek ingediend bij de Centrale Autoriteit tot teruggeleiding van de minderjarigen naar Nederland. Bij beslissing van 16 november 2011 heeft de rechtbank van eerste aanleg te Brussel de namens de vader ingestelde vordering tot onmiddellijke terugkeer van de minderjarigen naar Nederland ongegrond verklaard.

Op 25 oktober 2011 heeft de vader bij de rechtbank Rotterdam een verzoekschrift tot echtscheiding met nevenvoorzieningen ingediend. De zaak is voor het eerst behandeld op 14 november 2012.

Op 16 december 2011 heeft de vader tegen voormelde beslissing van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel hoger beroep ingesteld bij het hof van beroep te Brussel.

Bij beslissing van het hof van beroep van 5 juni 2012 is het hoger beroep van de vader ontvankelijk en gegrond verklaard. Het hof van beroep heeft de onmiddellijke terugkeer van de minderjarigen naar Nederland, naar het adres van de vader, bevolen. De minderjarigen verblijven sinds 20 juli 2012 bij de vader in Nederland.

Op 18 september 2012 heeft de moeder tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 5 juni 2012 cassatieberoep ingesteld.

Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 18 maart 2013 zijn de minderjarigen onder toezicht gesteld voor de duur van één jaar.

Bij arrest van 7 juni 2013 heeft het hof van cassatie te Brussel voornoemde uitspraak van het hof van beroep vernietigd en de zaak verwezen naar het hof van beroep te Antwerpen. De zaak is daar tot op heden niet aangebracht.

Bij brief van 9 oktober 2013 heeft de Belgische Centrale Autoriteit de Nederlandse Centrale Autoriteit op de hoogte gesteld van het arrest van het hof van cassatie van 7 juni 2013 en heeft verzocht, onder verwijzing naar artikel 11 lid 6 tot en met lid 8 van de verordening Brussel II-bis, het dossier door te sturen aan de bevoegde Nederlandse rechtbank.

Op 31 januari 2014 heeft het Bureau Liaisonrechter Internationale Kinderbescherming te Den Haag op verzoek van de Nederlandse Centrale Autoriteit, welk verzoek op diezelfde dag door voornoemd Bureau is ontvangen, de uit België ontvangen stukken doorgestuurd naar de rechtbank Rotterdam.

Bij beschikking van 1 april 2014 heeft de rechtbank Rotterdam in de echtscheidingsprocedure, na daartoe door haar ingewonnen advies van de Raad voor de Kinderbescherming, beslist dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij de vader zal zijn. Het verzoek van de moeder te bepalen dat het hoofdverblijf van de minderjarigen bij haar zal zijn is afgewezen. Voorts is een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vastgesteld.

De moeder heeft op 1 juli 2014 hoger beroep aangetekend tegen de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 1 april 2014.

De moeder heeft zich voorafgaand aan deze teruggeleidingsprocedure niet gemeld bij de Nederlandse Centrale Autoriteit.

Beoordeling

Het verzoek van de moeder is gebaseerd op het Haagse Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale kinderontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 (hierna: het Verdrag). Nederland en België zijn partij bij het Verdrag.

Het Verdrag heeft – voor zover hier van belang – tot doel de onmiddellijke terugkeer te verzekeren van kinderen die ongeoorloofd zijn overgebracht naar of worden vastgehouden in een Verdragsluitende staat. Het Verdrag beoogt hiermee een zo snel mogelijk herstel van de situatie waarin het kind zich bevond direct voorafgaand aan de ontvoering of vasthouding. Een snel herstel van de aan de ontvoering of vasthouding voorafgaande situatie wordt geacht de schadelijke gevolgen hiervan voor het kind te beperken.

Ongeoorloofde overbrenging of vasthouding in de zin van artikel 3 van het Verdrag

Er is sprake van ongeoorloofde overbrenging of ongeoorloofde vasthouding in de zin van het Verdrag wanneer de overbrenging of het niet doen terugkeren geschiedt in strijd met een gezagsrecht ingevolge het recht van de staat waarin het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of vasthouding zijn gewone verblijfplaats had en dit recht alleen of

gezamenlijk werd uitgeoefend op het tijdstip van het overbrengen of niet doen terugkeren, dan wel zou zijn uitgeoefend indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden (artikel 3 van het Verdrag).

De rechtbank Rotterdam heeft zich in de echtscheidingsprocedure bevoegd geacht kennis te nemen van de verzochte nevenvoorzieningen betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid. In genoemde beschikking van 1 april 2014 heeft de rechtbank Rotterdam beslist dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij de vader zal zijn.

De rechtbank is in het kader van deze procedure niet bevoegd te toetsen of de rechtbank Rotterdam zich in de echtscheidingsprocedure terecht bevoegd heeft verklaard ten aanzien van de nevenvoorzieningen betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid (zie in internationaal verband artikel 24 van de verordening Brussel II-bis: de bevoegdheid van het gerecht van de lidstaat van herkomst wordt niet getoetst). De toets van de bevoegdheid kan eerst aan de orde komen in de door de vrouw aangespannen procedure in hoger beroep in de bodemprocedure bij het gerechtshof Den Haag. Dit betekent dat de rechtbank vooralsnog gebonden is aan de beslissing van de rechtbank Rotterdam, die uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, en dat zij er thans vanuit moet gaan dat de gewone verblijfplaats van de minderjarigen in ieder geval vanaf 1 april 2014 in Nederland is.

Op grond hiervan komt de rechtbank tot het oordeel dat er op het moment van indiening van het verzoek tot teruggeleiding door de moeder geen sprake was van een ongeoorloofde achterhouding als bedoeld in artikel 3 van het Verdrag.

De rechtbank komt derhalve niet toe aan de beoordeling van de stelling van de moeder dat door de vernietiging van het arrest van het hof van beroep te Brussel door het hof van cassatie aldaar, voor een feitelijke beoordeling van de zaak naar Belgisch procesrecht moet worden gekeken naar de toestand ten tijde van de beslissing van de rechtbank in eerste aanleg te Brussel van 16 november 2011. Evenmin komt de rechtbank toe aan de beoordeling van de stelling van de moeder dat er geen sprake is van een procedure ex artikel 11 lid 6 tot en met 8 van de verordening Brussel II-bis, dat de rechtbank Rotterdam haar bevoegdheid niet heeft kunnen ontlenen aan dit artikel en dat de beschikking van 1 april 2014 niet gezien kan worden als een ‘overrule’ beslissing in de zin van dat artikel.

De rechtbank zal het verzoek van de moeder tot teruggeleiding van de minderjarigen naar België dan ook afwijzen. De overige verweren van de vader behoeven gelet hierop geen verdere bespreking.

Proceskosten

De rechtbank zal het verzoek van de moeder tot veroordeling van de vader tot betaling van de kosten aan de moeder als bedoeld in artikel 26 lid 4 van het HKOV en artikel 13 lid 5 van de Uitvoeringswet afwijzen. Een dergelijk verzoek is immers slechts voor toewijzing vatbaar wanneer de terugkeer van de kinderen wordt gelast.

De rechtbank zal het verzoek van de vader de moeder te veroordelen tot de kosten van de procedure eveneens afwijzen.

Nu het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank:

wijst af het verzoek tot teruggeleiding van de minderjarigen:

- [de minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

- [de minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

naar België.

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J. Brandt, M.P. Verloop en A.M. Brakel, tevens kinderrechters, bijgestaan door P. Lahman als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 juli 2014.

Van deze beschikking kan -voor zover er definitief is beslist- hoger beroep worden ingesteld binnen twee weken (artikel 13 lid 7 Uitvoeringswet internationale kinderontvoering) na de dag van de uitspraak door indiening van een beroepschrift ter griffie van het Gerechtshof Den Haag. In geval van hoger beroep zal de terechtzitting bij het hof - in beginsel - plaatsvinden in de derde of vierde week na deze beslissing.