Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:8750

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
08-07-2014
Datum publicatie
17-07-2014
Zaaknummer
AWB 14/15403 & 14/15404
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

afgifte visum; ongeldigverklaring

Het plaatsen van een visumsticker in het paspoort van een vreemdeling kan niet als afgifte van het gevraagde visum gelden, als de plaatsing van de sticker niet kenbaar is gemaakt aan de vreemdeling, door middel van uitreiking van het paspoort met daarin de visumsticker, dan wel door middel van een beschikking. Nu de paspoorten met daarin de visumstickers eerst aan verzoekers zijn uitgereikt nadat de visumstickers ongeldig waren gemaakt, en gesteld noch gebleken is dat omtrent de visa een inwilligende beschikking is genomen, kan niet worden geoordeeld dat de gevraagde visa aan verzoekers zijn verleend.

Nu de visa niet aan verzoekers zijn verleend, bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder deze heeft ingetrokken, dan wel nietig verklaard, op grond van artikel 34 Visumcode. Overigens bieden de visumstickers zelf evenmin aanknopingspunten voor de conclusie dat sprake is van handelen op grond van artikel 34 Visumcode. Op de visumstickers is, zoals blijkt uit het dossier, het stempel “CANCELLED” aangebracht, terwijl in artikel 34 Visumcode is bepaald dat nietigverklaring dan wel intrekking plaats vindt (onder meer) middels het aanbrengen van het stempel “NIETIG VERKLAARD” (Engelse tekst: “ANNULLED”) of “INGETROKKEN” (Engelse tekst: “REVOKED”).

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht, geldigheid: 2014-07-17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 14 / 15404 (voorlopige voorziening)

AWB 14 / 15403 (beroep)

uitspraak van de voorzieningenrechter van 7 juli 2014 in de zaak tussen

[verzoeker],

geboren op[geboortedatum], verzoeker en

[verzoekster],

geboren op [geboortedatum], verzoekster,

beiden van Sri Lankaanse nationaliteit,

gezamenlijk te noemen verzoekers,

(gemachtigde: mr. C. Chen, advocaat te Alkmaar),

en

de minister van Buitenlandse Zaken,

verweerder,

(gemachtigde: mr. W. Fairweather, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst).

Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 2 juni 2014 heeft verweerder de aanvragen van verzoekers tot het verlenen van een visum kort verblijf voor verblijf bij [referente] (referente) en [referent] (referent) afgewezen.

Verzoekers hebben tegen de primaire besluiten bezwaar gemaakt. Voorts hebben zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek is op 23 juni 2014 ingetrokken.

Bij besluit (het bestreden besluit) van 27 juni 2014 heeft verweerder het bezwaar van verzoekers afgewezen.

Verzoekers hebben hiertegen beroep ingesteld. Tevens hebben zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Verzoekers hebben verzocht verweerder op te dragen vóór 10 juli 2014 een visum aan hen te verstrekken. Ter zitting heeft de gemachtigde van verzoekers aangegeven dat het petitum van het verzoek zo moet worden opgevat, dat wordt verzocht te gelasten dat verzoekers worden behandeld als waren zij in het bezit van het gevraagde visum.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 juni 2014. Verzoekers zijn niet verschenen, maar hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde en door referenten. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

Indien tegen een besluit beroep bij de rechtbank is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.

Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, Awb heeft de voorzieningenrechter na behandeling ter zitting van het verzoek om een voorlopige voorziening de bevoegdheid om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak, indien hij van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Er bestaat in dit geval aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken.

3.

Verzoekers hebben een visum kort verblijf gevraagd teneinde hier te lande op 12 juli 2014 een feest te kunnen bijwonen ter ere van het feit dat hun petekind, de dochter van de nicht van verzoeker, een vrouw is geworden.

4.

Verweerder heeft zich in het bestreden besluit, voor zover hier van belang en samengevat, op de volgende standpunten gesteld. Er is geen sprake van intrekking van verleende visa.

De visumaanvragen zijn afgewezen op grond van artikel 32, a, onder ii en b, Verordening (EG) nr. 810/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode (hierna: Visumcode). Verzoekers hebben het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende aangetoond. De gestelde familierelatie tussen referent en verzoeker is niet aangetoond. Verzoekers hebben geen objectieve gegevens overgelegd ter onderbouwing van deze familieband. Verder komen de verklaringen van referente over haar familie, zoals afgelegd tijdens haar asielgehoor, niet overeen met de verklaringen die zij thans heeft afgelegd. Verder is van belang dat referenten niet als betrouwbare referenten kunnen worden aangemerkt. Hiertoe is tevens redengevend dat referent zich in het verleden garant heeft gesteld voor een vreemdeling, van wie niet is aangetoond dat hij Nederland vóór het verstrijken van de geldigheidsduur van het visum heeft verlaten. Gelet hierop wordt geen visum verstrekt aan verzoekers.

5.

Verzoekers betogen allereerst dat aan hen visa zijn verleend en dat deze visa vervolgens op grond van artikel 34 Visumcode zijn ingetrokken. De intrekking van de verleende visa is onvoldoende gemotiveerd.

5.1

Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat de visumstickers die op 15 mei 2014 in de paspoorten van verzoekers zijn aangebracht vervolgens op 16 mei 2014 op grond van artikel 28 Visumcode ongeldig zijn gemaakt voordat de paspoorten aan verzoekers zijn overhandigd. De visa zijn niet nietig verklaard of ingetrokken. Ter zitting heeft verweerders gemachtigde, in aanvulling daarop, aangegeven dat er geen beslissingen zijn genomen omtrent afgifte van de visa, nu de geplakte visastickers niet zijn uitgereikt aan verzoekers. Op het moment dat de paspoorten werden teruggegeven aan verzoekers, waren de stickers al ongeldig verklaard en was de aanvraag van verzoekers afgewezen.

5.2

De voorzieningenrechter is van oordeel dat het plaatsen van een visumsticker in het paspoort van een vreemdeling niet als afgifte van het gevraagde visum kan gelden, als de plaatsing van de sticker niet kenbaar is gemaakt aan de vreemdeling, door middel van uitreiking van het paspoort met daarin de visumsticker, dan wel door middel van een beschikking. Nu in het onderhavige geval de paspoorten met daarin de visumstickers eerst aan verzoekers zijn uitgereikt nadat de visumstickers ongeldig waren gemaakt, en gesteld noch gebleken is dat omtrent de visa een inwilligende beschikking is genomen, kan niet worden geoordeeld dat de gevraagde visa aan verzoekers zijn verleend. De stelling dat de visumstickers niet op 16 mei 2014 ongeldig zijn gemaakt, maar eerst nadat de Nederlandse vertegenwoordiging te Colombo de geplaatste (geldige) visumstickers op 2 juni 2014 aan verzoekers heeft getoond, volgt de voorzieningenrechter niet bij gebrek aan (nadere) onderbouwing daarvan.

5.3

Nu, zoals hiervoor is geoordeeld, de visa niet aan verzoekers zijn verleend, bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder deze heeft ingetrokken, dan wel nietig verklaard, op grond van artikel 34 Visumcode. Overigens bieden de visumstickers zelf evenmin aanknopingspunten voor de conclusie dat sprake is van handelen op grond van artikel 34 Visumcode. Op de visumstickers is, zoals blijkt uit het dossier, het stempel “CANCELLED” aangebracht, terwijl in artikel 34 Visumcode is bepaald dat nietigverklaring dan wel intrekking plaats vindt (onder meer) middels het aanbrengen van het stempel “NIETIG VERKLAARD” (Engelse tekst: “ANNULLED”) of “INGETROKKEN” (Engelse tekst: “REVOKED”). Gelet op het voorgaande kan niet worden geoordeeld dat verweerder in het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de visa zijn ingetrokken.

6.

Verzoekers voeren aan dat verweerder hun aanvragen ten onrechte heeft afgewezen op de grond dat het doel en de omstandigheden van het verblijf niet aannemelijk zijn gemaakt. Verzoekers weerspreken niet dat zij de gestelde familieband niet met objectieve documenten hebben aangetoond, maar voeren aan dat uit het dossier genoegzaam blijkt van een hechte band tussen verzoekers en referenten en hun dochter.

6.1

De voorzieningenrechter stelt vast dat niet in geschil is dat de gestelde familieband niet is aangetoond met objectieve documenten. Het is aan verzoekers om het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf aannemelijk te maken en derhalve om de gestelde familiebanden aan te tonen. Verweerder heeft aan verzoekers mogen tegenwerpen dat zij de gestelde familieband niet aannemelijk hebben gemaakt middels objectieve bescheiden, dan wel door verklaringen. Verweerder heeft daarbij kunnen betrekken dat referente ten tijde van haar asielaanvraag ten aanzien van haar familie verklaringen heeft afgelegd die niet stroken met de verklaringen die in deze procedure zijn afgelegd. De enkele stelling dat referente heeft toegegeven niet de waarheid te hebben gesproken ten tijde van haar asielaanvraag maar dat zij nu wel de waarheid vertelt, vormt onvoldoende weerlegging van het standpunt van verweerder. Dat uit het dossier genoegzaam zou blijken van een hechte band tussen verzoekers en referenten, kan - wat daar ook van zij - niet tot een ander oordeel leiden omtrent de gestelde familieband. De stelling dat verweerder verzoekers onvoldoende tijd heeft geboden om een geboorteakte van verzoeker te verkrijgen, volgt de voorzieningenrechter niet. Als overwogen, is het aan verzoekers om de door het door hen gestelde doel en omstandigheden van het voorgenomen verblijf, waaronder de gestelde familieband, aannemelijk te maken. De grond slaagt niet.

6.3

Nu het gestelde in artikel 32, onder a, onder ii, Visumcode een zelfstandige afwijzingsgrond betreft, heeft verweerder reeds hierom op goede grond verzoekers aanvraag afgewezen.

7.

Verweerder heeft daarnaast ook het gestelde in artikel 32, onder b, Visumcode aan verzoekers tegengeworpen.

7.1

Verzoekers voeren op dit punt aan dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat redelijke twijfel bestaat over het voornemen van verzoeker om het grondgebied van de lidstaten te verlaten voor het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum. Zij weerspreken niet dat referent vier jaar geleden een familielid heeft uitgenodigd die niet aantoonbaar is teruggekeerd naar Sri Lanka., maar dit mag niet aan verzoekers worden tegengeworpen. Dat betrof een jonge ongehuwde man, terwijl het thans gaat om een ouder echtpaar met kinderen en kleinkinderen in Sri Lanka. Verder kan in dit verband niet aan verzoekers worden tegengeworpen dat referente tijdens haar asielgehoor omtrent haar familie andere verklaringen heeft afgelegd, waarvan zij toegeeft dat dit niet de waarheid was, dan zij thans heeft afgelegd.

7.2

De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder aan verzoekers heeft kunnen tegenwerpen dat referenten niet aannemelijk hebben gemaakt dat het familielid dat eerder in Nederland was uitgenodigd, tijdig is teruggekeerd naar Sri Lanka. Eveneens heeft verweerder in dit verband kunnen tegenwerpen dat referente tijdens haar asielaanvraag ten aanzien van haar familie verklaringen heeft afgelegd die niet stroken met de thans afgelegde verklaringen. Verweerder heeft zich, gelet hierop, op het standpunt kunnen stellen dat sprake is van twijfel aan de betrouwbaarheid van referenten, zodat redelijke twijfel bestaat over het voornemen van verzoekers om het grondgebied van de lidstaten te verlaten voor het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum en heeft derhalve terecht het gestelde in artikel 32, onder b, Visumcode aan de afwijzing ten grondslag gelegd.

8.

De voorzieningenrechter stelt tenslotte vast dat verweerder niet aan verzoekers heeft tegengeworpen dat niet of onvoldoende is gebleken van een sociale en economische binding met Sri Lanka. De beroepsgrond die verzoekers hiertegen hebben gericht, behoeft dan ook geen beoordeling.

9.

De voorzieningenrechter verklaart het beroep ongegrond.

10.

Nu in de hoofdzaak is beslist, wijst de voorzieningenrechter het verzoek af.

11.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.B. de Vries-van den Heuvel, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. drs. S.R.N. Parlevliet, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2014.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.