Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:8708

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15-07-2014
Datum publicatie
29-07-2014
Zaaknummer
AWB-14_112
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Boeteoplegging op grond van de Wet aanscherping

Schending inlichtingenplicht WW

Evenredigheidstoets leidt tot matiging

Wetsverwijzingen
Regeling tenuitvoerlegging bestuurlijke boeten en terugvordering onverschuldigde betalingen 4, geldigheid: 2014-07-15
Werkloosheidswet 25, geldigheid: 2014-07-15
Werkloosheidswet 27a, geldigheid: 2014-07-15
Boetebesluit socialezekerheidswetten 2, geldigheid: 2014-07-15
Boetebesluit socialezekerheidswetten 2a, geldigheid: 2014-07-15
Algemene wet bestuursrecht 8:72a, geldigheid: 2014-07-15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 14/112 en SGR /2631

uitspraak van de meervoudige kamer van 15 juli 2014 in de zaken tussen

[eiser], te [plaats], eiser,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: mr. R.A.C. Rijk).

Procesverloop

Bij besluit van 23 oktober 2013 (het primaire besluit 1) heeft verweerder aan eiser een boete opgelegd wegens schending van de inlichtingenplicht ingevolge de Werkloosheidswet (WW).

Bij besluit van 11 december 2013 (het bestreden besluit 1) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Bij besluit van 17 december 2013 (het primaire besluit 2) heeft verweerder het door eiser maandelijks terug te betalen bedrag bepaald op € 550,68.

Bij besluit van 20 februari 2014 (het bestreden besluit 2) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft bij brief van 7 januari 2014 tegen het bestreden besluit 1 beroep ingesteld.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 april 2014.

Ter zitting heeft eiser beroep ingesteld tegen het bestreden besluit 2.

Bij beslissing van 17 april 2014 is het onderzoek ter terechtzitting heropend en zijn de zaken door de enkelvoudige kamer verwezen naar de meervoudige kamer.

Bij brief van 24 april 2014 zijn de gronden tegen bestreden besluit 2 door eiser aangevuld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het heropende onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juni 2014.

Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

Voor de beoordeling van de beroepen gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiser ontving vanaf 1 januari 2013 een uitkering op grond van de WW nadat hij gedeeltelijk was ontslagen vanwege reorganisatie bij de gemeente [plaats]. Vanaf 1 juli 2013 is eiser meer uren gaan werken bij deze werkgever dan waarmee rekening is gehouden bij het bepalen van de hoogte van zijn WW-uitkering. Dit is verweerder gebleken na een telefonische controle op 7 oktober 2013. In dit telefoongesprek heeft eiser openheid van zaken gegeven over zijn gewerkte uren en van zijn beweegredenen om niet uit eigen beweging te melden dat zijn uren waren uitgebreid. Bij besluit van 23 oktober 2013 is de uitkering van eiser herzien per 1 juli 2013 en is het over de periode van 1 juli 2013 tot en met 22 september 2013 te veel betaalde bedrag aan WW van hem teruggevorderd. Het teruggevorderde bedrag is € 3.862,-. Het besluit van 23 oktober 2013 is onherroepelijk geworden.

2.

Het bestreden besluit 1 berust op het standpunt dat eiser zijn inlichtingplicht heeft geschonden en verweerder gehouden is een boete op te leggen. Toepassing van wet- en regelgeving leidt verweerder tot het vaststellen van de hoogte van de boete op 100% van het benadelingsbedrag van € 3.862,-. Verweerder ziet in de intentie van eiser om zijn uitkering door te laten lopen zodat hij later in termijnen terug kon betalen en in de onbekendheid van eiser met de hoogte van de boetes sinds 2013 geen redenen om verminderde verwijtbaarheid aan te nemen. De financiële situatie van eiser is door verweerder niet aangemerkt als dringende reden om af te zien van het opleggen van een boete. Verweerder heeft aangegeven geen beleidsruimte te hebben om tot een ander boetebedrag te komen.
Het bestreden besluit 2 berust op het standpunt dat verweerder voor de vaststelling van de hoogte van het maandelijkse invorderingsbedrag moet handelen conform artikel 4 van de Regeling tenuitvoerlegging bestuurlijke boeten en terugvordering onverschuldigde betalingen (Regeling). Daarin is bepaald dat de geldschuld ter zake van een boete in principe binnen 12 maanden moet worden betaald en dat de volledige aflossingscapaciteit daarbij wordt betrokken. Bij het berekenen van de aflossingscapaciteit heeft verweerder acht geslagen op het door eiser ingevulde formulier “Inkomens- en vermogensonderzoek”. Het beleid van verweerder is dat bij deze vaststelling met niet-preferente schuldeisers geen rekening wordt gehouden.

3.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit 1 aangevoerd dat hij zijn WW-uitkering alleen wat door heeft laten lopen om openstaande rekeningen te kunnen betalen. Het is nooit zijn bedoeling geweest te frauderen, dat kan niet eens omdat zijn aanstellingsgegevens gewoon op internet staan. In het toekenningsbesluit WW heeft eiser wel gezien dat hij een boete riskeert maar er staat niets over de hoogte van zo’n boete. Als hij had geweten dat het 100% was, had hij het nooit zo gedaan. Eiser verzoekt om een verlaging van de hoge boete op gronden van redelijkheid en billijkheid. Deze boete, bovenop zijn schuldenproblematiek, zou hem echt kapot maken. Er is niemand op wie hij financieel terug kan vallen.

Tegen het bestreden besluit 2 heeft eiser aangevoerd dat hij na betaling van zijn vaste lasten hooguit € 200,- aan het Uwv zou kunnen betalen. Eiser wil graag dat de schuld van de boete wordt kwijtgescholden of dat, als kwijtschelding niet kan, hem een langere termijn dan een jaar wordt gegund zodat hij op een lager maandbedrag uitkomt.

4.1.

Op grond van artikel 25 van de WW - voor zover hier van belang - is de werknemer verplicht aan het UWV op zijn verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mede te delen, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering, het geldend maken van het recht op uitkering, de hoogte of de duur van de uitkering, of op het bedrag van de uitkering dat aan de werknemer wordt betaald.

In artikel 27a, eerste lid, van de WW is bepaald dat het UWV een bestuurlijke boete oplegt van ten hoogste het benadelingsbedrag wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de werknemer van de verplichting bedoeld in artikel 25.

Ingevolge artikel 27a, tweede lid, van de WW wordt onder benadelingsbedrag verstaan het brutobedrag dat als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 25, ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan uitkering is ontvangen.

In artikel 27a, achtste lid, van de WW is bepaald dat het UWV

a. de bestuurlijke boete kan verlagen indien sprake is van verminderde verwijtbaarheid;

b. kan afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

In artikel 27a, tiende lid, van de WW is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur nadere regels over de hoogte van de boete worden gesteld.

4.2.

In het Boetebesluit socialezekerheidswetten (Boetebesluit) zijn nadere regels gesteld over de hoogte van de boete. Met het Besluit aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving (Besluit aanscherping) (Stb. 2012, 484) is het Boetebesluit met ingang van 1 januari 2013 gewijzigd (besluit van 24 oktober 2012, Stb. 2012, 531). In het navolgende wordt met de aanduiding ‘Boetebesluit’ bedoeld het Boetebesluit zoals dat luidt sinds 1 januari 2013.

In artikel 2, eerste lid, van het Boetebesluit is bepaald dat de bestuurlijke boete wordt vastgesteld op de hoogte van het benadelingsbedrag, met dien verstande dat zij op ten minste € 150,- wordt vastgesteld. Bij verminderde verwijtbaarheid wordt de bestuurlijke boete verlaagd.

In artikel 2a, eerste lid, van het Boetebesluit is bepaald dat bij de bepaling van de hoogte van de bestuurlijke boete de mate waarin de gedraging aan de betrokkene kan worden verweten wordt beoordeeld naar de omstandigheden waarin betrokkene verkeerde op het moment dat hij de inlichtingenverplichting had moeten nakomen.

In artikel 2a, tweede lid, van het Boetebesluit is bepaald dat bij de beoordeling van de mate waarin de gedraging aan de betrokkene kan worden verweten, in ieder geval de volgende criteria tot verminderde verwijtbaarheid leiden:

a. de betrokkene verkeerde in onvoorziene en ongewenste omstandigheden, die niet tot het normale levenspatroon behoren en die hem weliswaar niet in de feitelijke onmogelijkheid brachten om aan de inlichtingenverplichting te voldoen, maar die emotioneel zo ontwrichtend waren dat hem niet volledig valt toe te rekenen dat de inlichtingen niet tijdig of volledig zijn verstrekt;

b. de betrokkene verkeerde in een zodanige geestelijke toestand dat hem de overtreding niet volledig valt aan te rekenen, of

c. de betrokkene heeft wel inlichtingen verstrekt, die echter onjuist of onvolledig waren, of heeft anderszins een wijziging van omstandigheden niet onverwijld gemeld, maar uit eigen beweging alsnog de juiste inlichtingen verstrekt voordat de overtreding is geconstateerd, tenzij de betrokkene deze inlichtingen heeft verstrekt in het kader van toezicht op de naleving van een inlichtingenverplichting.

5.1.

De rechtbank overweegt het volgende. Niet in geschil is dat per 1 juli 2013 sprake is van een wijziging in de omstandigheden van eiser die hij op grond van zijn inlichtingplicht tijdig bij verweerder had moeten melden en dat eiser dit niet heeft gedaan. Daarmee staat de schending van de inlichtingenplicht naar het oordeel van de rechtbank vast. Evenmin in geschil is dat sprake is van een benadelingsbedrag.

5.2.

Met betrekking tot de vraag of sprake is van verminderde verwijtbaarheid, deelt de rechtbank de opvatting van verweerder dat hiervan geen sprake is. Eiser heeft bewust zijn eigen afweging gemaakt om zijn uitkering door te laten lopen ook toen hij hier geen recht meer op had. Het argument van eiser dat hij niet wist dat de boete zo hoog zou zijn, leidt ook niet tot een ander oordeel. De rechtbank neemt zonder meer aan van eiser dat als hij bekend was geweest met de wijze van berekening van het boetebedrag hij de uitkering niet zou hebben laten doorlopen om schulden af te lossen, maar dit brengt niet met zich mee dat sprake is van verminderde verwijtbaarheid. Daarnaast geldt dat eiser had kunnen weten van het nieuwe boeteregime nu verweerder, zoals ter zitting door zijn gemachtigde is toegelicht, de laatste jaren uitgebreid informatie geeft over de plicht om wijzigingen onverwijld door te geven en de mogelijke consequenties als die plicht wordt geschonden. Dat in de toekenningsbeslissing niets staat vermeld over de hoogte of de berekeningswijze van een eventuele boete, maakt vorenstaande niet anders. Van verminderde verwijtbaarheid op grond van andere criteria is evenmin gebleken.

5.3.

Met betrekking tot de beoordeling van de evenredigheid van de boete neemt de rechtbank in aanmerking dat de additionele uren van eiser zijn gebleken na een controle. Op dat moment duurde de situatie van verzwijgen reeds vier maanden. Dat weegt mee ten nadele van eiser. Tevens neemt de rechtbank in aanmerking dat geen sprake is geweest van het reserveren van het geld ten behoeve van een latere terugbetaling maar dat eiser het geld heeft besteed. Zijn eigen belang heeft hij ten onrechte zwaarder laten wegen dan het algemeen belang zoals dat tot uitdrukking is gebracht in de informatieplicht. Het argument van eiser om de boete te matigen met het oog op zijn schuldenlast acht de rechtbank niet van doorslaggevend belang nu ter zitting is gebleken dat de boete deels reeds is betaald. Wel acht de rechtbank van belang dat in de hoogte van de boete tot uitdrukking komt dat het niet de bedoeling van eiser is geweest om zijn onterechte verkregen uitkering te houden en dat hij zich steeds bewust is geweest van het feit dat het ooit terugbetaald zou moeten worden. Het geven van openheid van zaken bij de telefonische controle op 7 oktober 2013 alsmede het feit dat aannemelijk is te veronderstellen dat werk en inkomen als gemeenteambtenaar niet onontdekt zal blijven, wijzen daarop. Daarmee onderscheidt eiser zich in positieve zin van personen die hun inlichtingenplicht schenden met het oogmerk zichzelf te verrijken en daarbij volharden in het geven van een onjuiste voorstellen van zaken. Omdat voor deze categorie ook een boete van ten hoogste 100% aan de orde is, ziet de rechtbank aanleiding de boete voor eiser te matigen. Het beroep met betrekking tot het boetebesluit wordt gegrond verklaard. Het bestreden besluit wordt vernietigd en het primaire besluit 1 zal worden herroepen.

5.4.

Op grond van artikel 8:72a van de Algemene wet bestuursrecht neemt de bestuursrechter, indien hij een beschikking tot het opleggen van een bestuurlijke boete vernietigt, een beslissing omtrent het opleggen van de boete en bepaalt hij dat zijn uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde beschikking. De rechtbank zal de boete bepalen op € 2.900,-. Deze boete acht de rechtbank gelet op voornoemde omstandigheden van het geval, evenredig.

5.5.

Van voor vergoeding in aanmerking komende kosten voor bezwaar en beroep tegen de boete is niet gebleken.

6.1.

Het vorenstaande brengt met zich mee dat het invorderingsbesluit ook niet in stand kan blijven nu het in te vorderen bedrag op een lager bedrag is bepaald. Ook bestreden besluit 2 zal derhalve worden vernietigd. De rechtbank beschikt over onvoldoende gegevens om op dit punt zelf in de zaak te voorzien zodat aan verweerder zal worden opgedragen een nieuw invorderingsbesluit te nemen. De rechtbank merkt daarbij op dat de uitgangspunten van verweerder, zoals geformuleerd in de Regeling, die aan het vernietigde bestreden besluit 2 ten grondslag zijn gelegd juist zijn en in zoverre niet aan eiser tegemoet kan worden gekomen op het punt van een langere terugbetaaltermijn voor het boetebedrag.

Voor wat betreft de termijn voor het teruggevorderde bedrag aan ten onrechte betaalde WW, heeft verweerder ter zitting toegelicht dat hiervoor een termijn van 3 jaar wordt gehanteerd zodat, na betaling van de boete, een lager termijnbedrag over een langere periode een optie is. Indien eiser daartoe, ter gelegener tijd, een verzoek doet, zal daar een beslissing over worden afgegeven. Voor de volledige betaling van het boetebedrag blijft echter de termijn van 12 maanden gelden.

6.2.

Van voor vergoeding in aanmerking komende kosten voor bezwaar en beroep tegen de invordering is niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de bestreden besluiten;

- herroept het bestreden besluit 1;

- bepaalt de boete op € 2.900,-;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit 1;

- draagt verweerder op een nieuw besluit op bezwaar te nemen met betrekking tot de invordering;

- draagt verweerder op het griffierecht ten bedrage van € 45,- en € 44,- te vergoeden aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr.drs. H.M. Braam, voorzitter, mr. L. Koper en mr. N.S.M. Lubbe, leden, in aanwezigheid van F.P. Krijnen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2014.

hter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.