Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:8649

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-07-2014
Datum publicatie
30-07-2014
Zaaknummer
C-09-435395 - HA ZA 13-0087
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tussenvonnis in omvangrijk erfrechtconflict.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2014-0113

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel (civiele bodemzaken), zittingsplaats Den Haag

zaaknummer / rolnummer: C/09/435395 / HA ZA 13-0087

Vonnis van 16 juli 2014

in de zaak van:

[A],

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

eiser in conventie, verweerder in reconventie,

advocaat: mr. A.M.C. Marius-van Eeghen te Den Haag,

tegen

[B],

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

gedaagde in conventie, eiser in reconventie,

advocaat: mr. S.H. van Os te Zeist.

De rechtbank zal de twee procespartijen in deze procedure, die gaat over het testament en de afwikkeling van de nalatenschap van de op 19 mei 2010 te Gouda op bijna 78-jarige leeftijd overleden [C], hierna “[A]” en “[B]” noemen.

De procedure

1.1 De rechtbank heeft bij het wijzen van dit vonnis rekening gehouden met de inhoud van de volgende processtukken, uit welke opsomming ook het procesverloop blijkt:

  • -

    de dagvaarding van 14 januari 2013 tegen de eerste rolzitting van 23 januari 2013;

  • -

    de akte van 23 januari 2013 met de producties 1 t/m 24 van [A];

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie van 17 april 2013, met de (doorgenummerde) producties 25 t/m 42 van [B];

  • -

    het comparitievonnis van de rechtbank van 1 mei 2013;

  • -

    de op 17 juni 2013 ter griffie ontvangen conclusie van antwoord in reconventie en de akte in conventie, met de producties 25 t/m 43 van [A];

  • -

    de op 17 en 28 juni 2013 ter griffie ontvangen producties 43 t/m 50 van [B];

  • -

    het door de rechtbank opgemaakte proces-verbaal van de comparitie van partijen van 2 juli 2013;

  • -

    de rolberichten van beide advocaten bestemd voor de pro forma rolzitting van 31 augustus 2013;

  • -

    de conclusie van repliek met eisvermeerdering in conventie van 16 oktober 2013, met de producties 44 t/m 68 van [A];

  • -

    de conclusie van dupliek in conventie en van repliek met eisvermindering in reconventie van 27 november 2013, met de producties 51 t/m 53 van [B];

  • -

    de conclusie van dupliek en de akte met eisvermindering in conventie van 8 januari 2014, met de producties 69 t/m 78 van [A];

  • -

    de nadere conclusie, met antwoordakte in conventie van 5 maart 2014, van [B];

  • -

    de nadere conclusie van 19 maart 2014 met productie 79 van [A];

  • -

    de akte uitlaten laatste productie van 2 april 2014 van [B].

1.2 Bij het einde van de comparitie van partijen van 2 juli 2013 heeft de rechtbank de procedure pro forma aangehouden tot 31 augustus 2013 voor nadere onderhandelingen over een schikking na inzage van de bij de boedelnotaris door beide zijden in opdracht van de rechtbank te deponeren administratieve stukken. Bij rolberichten van 31 augustus 2013 hebben beide advocaten de rechtbank eenstemmig verzocht de procedure te verwijzen naar de rol voor conclusies van repliek en dupliek, hetgeen de rechtbank heeft toegestaan.

1.3 Ter rolzitting van 2 april 2014 heeft de rechtbank een vonnisdatum bepaald. Om organisatorische redenen is de vonnisdatum daarna uitgesteld tot vandaag, 16 juli 2014.

De door de rechtbank vastgestelde feiten

2.1 Op 19 mei 2010 is in Gouda op bijna 78-jarige leeftijd overleden de erflaatster [C], kinderloze weduwe van de al in 1973 overleden [D]. Partij [A] is een aangetrouwde achterneef van de erflaatster [C], en partij [B] is haar enige broer. Beide procespartijen zijn volgens het laatste testament van de erflaatster [C] haar enige twee erfgenamen.

2.2 Op 2 april 2010 is het laatste testament van [C] verleden voor de (waarnemend en oud-)notaris [notaris] in het verpleeghuis in Gouda, waar [C] na haar hersenbloeding in oktober 2008 de laatste anderhalf jaar van haar leven (meestal) verbleef. Na haar hersenbloeding op ruim 76-jarige leeftijd was zij rechtszijdig verlamd en sprak zij door afasie moeizaam. Notaris [notaris] heeft het laatste testament van 2 april 2010 van [C] zelf ondertekend, omdat zij dat toen volgens haar laatste testament “wegens de krachteloosheid van haar handen” zelf niet meer kon.

2.3 In dat laatste testament heeft [C] samengevat al haar eerdere testamenten herroepen, haar aangetrouwde achterneef en vroegere zaakwaarnemer [A] voor 1/5de deel benoemd tot haar erfgenaam, en haar enige broer en laatste zaakwaarnemer [B] voor 4/5de deel benoemd tot haar erfgenaam. Daarbij heeft zij ook aan haar broer [B] gelegateerd en dus kwijtgescholden “de vordering die ik op hem heb”, en heeft zij [B] benoemd tot executeur en afwikkelingsbewindvoerder. [A] en [B] hebben de nalatenschap zuiver aanvaard. Executeur [B] heeft oud-notaris [notaris] voornoemd benoemd tot waarnemend boedelnotaris.

2.4 De onderlinge verstandhouding tussen volgens het laatste testament de enige twee erfgenamen [A] (nu 70 jaar) en [B] (nu 74 jaar) is slecht en het onderling wantrouwen is groot. De verdeling en afwikkeling van de op 19 mei 2010 door haar overlijden opengevallen nalatenschap van de erflaatster [C] verloopt vooral daarom traag en moeizaam.

2.5 De achtergrond daarvan is onder meer dat [A] van 1976 tot medio 2009 kort gezegd de zaakwaarnemer en vertrouwenspersoon van weduwe [C] was, maar dat die dienstverlening sinds medio 2009 is overgenomen door [B].

2.6 Daarbij komt nog dat tussen [C] (en haar nalatenschap) enerzijds en anderzijds haar achtereenvolgende twee zaakwaarnemers en nu enige twee erfgenamen [A] en [B] naast die dienstverlening ook nog overeenkomsten van geldlening, en voorts koopovereenkomsten en huurovereenkomsten hebben bestaan (en deels nog bestaan) met betrekking tot de onroerende zaken aan de [adres 1] (het woonhuis met tuin) en de [adres 1 t/m adres 8] (zeven zomerhuisjes met ondergrond) te [plaatsnaam], alles met bijbehorend parkeerterrein, toegangsweg en recreatieterrein met zwemsteiger voor gezamenlijk gebruik fraai gelegen op een landtong aan de [Plassen]. Op al die (helaas vooral mondeling gesloten) overeenkomsten gaat de rechtbank hierna bij de beoordeling van de resterende geschilpunten (waar nog nodig) nader in.

De door partijen ingestelde vorderingen

3.1 In conventie vordert [A] sterk samengevat dat de rechtbank een aantal verklaringen voor recht zal uitspreken, met als belangrijkste de vernietiging of nietigheid van het laatste testament van [C] wegens wilsonbekwaamheid. Ook stelt hij een groot aantal deelvorderingen in, die ook na eiswijzigingen alle ertoe strekken dat de rechtbank de verdeling en afwikkeling van de nalatenschap van [C] zal vaststellen, zo veel mogelijk op de wijze die [A] bepleit. In reconventie heeft [B] een groot aantal deelvorderingen ingesteld, die ook na eiswijzigingen alle ertoe strekken dat de rechtbank de verdeling en de afwikkeling van de nalatenschap van [C] zal vaststellen, zoveel mogelijk op de wijze die [B] bepleit.

3.2 Voor de weergave van alle details van de daartoe aan beide zijden ingenomen standpunten volstaat de rechtbank nu kortheidshalve met een verwijzing naar de inhoud van alle hiervoor in alinea 1.1 opgesomde processtukken met alle wederzijdse producties. De rechtbank gaat daarop hierna nader in bij de beoordeling van de resterende geschilpunten.

De beoordeling door de rechtbank

4.1 Duidelijkheidshalve zal de rechtbank de nog resterende geschilpunten van partijen hierna beoordelen met behulp van onderstreepte tussenkopjes. De rechtbank zal daarbij nu zo veel mogelijk eindbeslissingen nemen bij tussenvonnis. Tot een eindvonnis kan het nog niet komen, zulks vooral wegens de bij de laatste conclusies van beide partijen nog tussen hen bij de kantonrechter te Gouda lopende huurprijsprocedure met deskundigentaxatie van de [adres 8] (waarover hierna meer).

De al dan niet rechtsgeldigheid van het laatste testament van de erflaatster.

4.2 [A] beroept zich in conventie op de nietigheid of vernietigbaarheid van het laatste testament van de erflaatster van 2 april 2010. Zijn belang daarbij is kort gezegd dat zijn positie ten opzichte van [B] in het voorlaatste testament van de erflaatster gunstiger is dan in haar laatste testament. De rechtbank zal dit betoog en de desbetreffende vorderingen van [A] bij eindvonnis verwerpen. Daartoe is het volgende redengevend.

4.3 [A] beroept zich ten eerste op de formele ongeldigheid van het laatste testament door het ontbreken van de handtekening of van enige andere zelfgeschreven wilsuiting van de erflaatster onder haar door waarnemend notaris [notaris] op 1 april 2010 opgemaakte en door de notaris zelf op 2 april 2010 voor de erflaatster ondertekende laatste testament “wegens de krachteloosheid van haar handen” (zie alinea 2.2). Dat duidt volgens [A] op onvoldoende wilsbekwaamheid van de erflaatster en/of op te veel beïnvloeding van haar laatste wil door [B]. Dit betoog moet falen. Geoordeeld wordt dat notaris [notaris] op de voet van artikel 43 van de Wet op het Notarisambt op 2 april 2010 een rechtsgeldig testament heeft verleden door dit zelf voor de erflaatster te ondertekenen, omdat zij daar gelet op haar verlammingsverschijnselen zelf niet meer toe in staat was. Hoewel de aanwezigheid van twee getuigen bij een dergelijke voorlezing, wilsuiting en ondertekening wellicht de voorkeur had verdiend, is dat sinds 1 januari 2003 niet meer wettelijk verplicht. Kortheidshalve verwijst de rechtbank voor het overige naar de geproduceerde desbetreffende overwegingen van de Kamer van Toezicht in eerste aanleg en van de Notariskamer in hoger beroep in de klachtprocedure van [A] tegen oud-notaris [notaris] (zie productie 43 van [B]), welke overwegingen de rechtbank onderschrijft. Ook verwijst de rechtbank naar de in het proces-verbaal van de comparitie van partijen opgenomen verklaringen die oud-notaris [notaris] ter zitting van 2 juli 2013 heeft afgelegd. Er is mede gelet op de inhoud daarvan onvoldoende reden om te twijfelen aan de formele rechtsgeldigheid van het laatste testament van de erflaatster van 2 april 2010. De door de notaris vermelde “krachteloosheid van haar handen” past ook bij de lichamelijke verlamming waaraan de erflaatster sinds 2008 leed na één of meerdere hersenbloedingen.

4.4 [A] beroept zich ten tweede op de materiële ongeldigheid van het laatste testament van de erflaatster, omdat zij op en omstreeks 2 april 2010 volgens hem geestelijk niet meer in staat was zelfstandig haar wil te bepalen. Ook dit betoog moet falen. Er zijn immers in deze procedure door [A] onvoldoende concrete feiten of concrete omstandigheden gesteld die objectief bezien zouden kunnen leiden tot die vergaande conclusie van [A]. Uit de voornoemde overwegingen van de Kamer van Toezicht en de Notariskamer in de tuchtprocedure volgt het tegendeel, evenals uit de voornoemde verklaringen van oud-notaris [notaris] ter comparitie van partijen in deze civiele procedure. Ook uit de door [B] geproduceerde schriftelijke verklaringen van personen die [C] ook in haar laatste levensjaren goed hebben gekend, volgt onmiskenbaar dat zij omstreeks 2 april 2010 lichamelijk slecht maar geestelijk helder en ruim voldoende wilsbekwaam was. Daaraan doet onvoldoende af dat zij door afasie na haar hersenbloeding(en) sinds oktober 2008 moeizamer communiceerde dan voorheen.

Al dan niet afgifte van “de 11 ordners met administratie”.

4.5 [B] vordert in reconventie afgifte van de administratie die [A] tot medio 2009 voor de erflaatster heeft gevoerd en die zich in 2 kratten met 11 ordners kennelijk nu weer onder beheer van [A] bevindt, nadat (ook) die 11 ordners conform de ter zitting van 2 juli 2013 gemaakte afspraken ter inzage op het kantoor van de waarnemend boedelnotaris [notaris] hebben gelegen. Volgens [B] behoren deze 11 ordners tot de nalatenschap en heeft hij als erfgenaam en executeur recht op afgifte.

4.6 De rechtbank zal deze vordering bij eindvonnis afwijzen. [B] ziet bij zijn vordering immers over het hoofd dat [A] als tot medio 2009 zaakwaarnemer en thans mede-erfgenaam van de erflaatster het meeste recht heeft op toedeling van dit deel van de door hem bijgehouden administratie van de erflaatster, net zoals toedeling van het sinds medio 2009 door [B] bijgehouden deel van de administratie van de erflaatster aan [B] het meest voor de hand ligt. [B] heeft via de ter zitting afgesproken inzage bij de boedelnotaris tijdens deze procedure ruim voldoende gelegenheid gehad om de nog bestaande 11 ordners te controleren en daaruit ten behoeve van zijn standpunten in deze procedure te doen kopiëren en/of te doen belichten al hetgeen in zijn belang als executeur en mede-erfgenaam is. Andere concrete belangen bij afgifte van (althans bij de in feite al verleende inzage in) deze 11 ordners administratie in beheer bij [A] heeft [B] in deze procedure niet gesteld.

Verdeling en marktconforme huurprijs van het grondperceel [adres 8] te [plaatsnaam].

4.7 Het financieel belangrijkste actief van de nalatenschap is de onroerende zaak aan de [adres 8] te [plaatsnaam], een fraai op een landtong aan de [Plassen] gelegen strook recreatiegrond met kadastraal nummer [plaatsnaam] [perceel 1], met daarop een zomerhuisje (het zogenaamde “plashuisje”). [A] huurde deze recreatiegrond sinds 1992 voor een vriendenprijs van eigenaresse [C]. Hij huurt deze strook recreatiegrond dus sinds 19 mei 2010 van haar nalatenschap, tot het saldo waarvan hij als erfgenaam voor 1/5de deel gerechtigd is en [B] voor 4/5de deel. De rechten op het daarop staande zomerhuisje met nummer [adres 8] (het “plashuisje”) heeft [A] in 1992 voor fl. 157.500,- gekocht van zijn rechtsvoorgangster de weduwe [E]. Anders dan [A] meent, betreft dat overigens geen eigendomsrecht of opstalrecht met betrekking tot het zomerhuisje, maar in de woorden van oud-notaris [notaris] ter zitting een “typisch [plaatselijk] recht” op zomerhuisjes aan de [Plassen]. Civielrechtelijk is er bij gebreke van een rechtsgeldig gevestigd opstalrecht sprake van natrekking, waardoor de grondeigenaar strikt genomen ook eigenaar van het daarmee verbonden zomerhuisje is.

4.8 [B] is als executeur in 2012 een procedure bij de kantonrechter te Gouda begonnen, zulks ter vaststelling van een door [A] aan de nalatenschap te betalen marktconforme huurprijs van dit grondperceel [perceel 1] per 1 januari 2011. De kantonrechter heeft inmiddels een tweede of derde deskundige benoemd ter taxatie van die marktconforme huurprijs per 1 januari 2011. Volgens de conclusie van 5 maart 2014 van [B] werd toen het deskundigenrapport verwacht op 8 mei 2014. De marktconforme huurprijs per 1 januari 2011 zal daarna bij eindvonnis worden vastgesteld door de kantonrechter te Gouda, maar maakt wel deel uit van de financiële eindafrekening tussen partijen bij de uiteindelijke verdeling en afwikkeling van de nalatenschap in deze civiele bodemprocedure. [B] zal derhalve het eindvonnis van de kantonrechter te Gouda bij nadere conclusie na dit tussenvonnis moeten produceren. In die procedure heeft de kantonrechter te Gouda in alinea 2.10 van zijn tussenvonnis van 4 april 2013 (zie productie 34 van [B]) het beroep van [A] op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid terzake van de marktconforme huurprijs (in plaats van de destijds met de erflaatster overeengekomen vriendenprijs) al verworpen. Reeds daarom mag en zal de rechtbank in deze civiele bodemprocedure daarover niet (opnieuw) oordelen, zoals [A] nog heeft bepleit en bij dagvaarding (onder I.f.) ook heeft gevorderd en naar de rechtbank begrijpt nu nog vordert.

4.9 [A] en [B] verschillen voorts van mening over de wijze van verdeling van de eigendom van het tot de nalatenschap behorende grondperceel [perceel 1]. Gelet op hetgeen hiervoor in alinea 4.7 is vermeld over de natrekking en het “typisch [plaatselijk] (gebruiks)recht” op het daarop staande “plashuisje” waarvoor [A] in 1992 al een substantiële koopprijs heeft betaald en waarin [A] op zijn kosten in 2007 ook nog een dure nieuwe keuken heeft doen plaatsen, ligt toedeling van die grondeigendom aan de huurder en mede-erfgenaam [A] vooralsnog het meest voor de hand. [A] zal daarvoor echter wel de huidige reële marktwaarde aan de nalatenschap moeten betalen en derhalve per saldo aan [B] 4/5de deel van deze reële marktwaarde wegens overbedeling. Beide advocaten hebben ter zitting van 2 juli 2013 meegedeeld dat zij ervan uitgaan dat de door de kantonrechter te Gouda benoemde deskundige ter bepaling van de marktconforme huurprijs ook de nu reële verkoopwaarde van het grondperceel zal taxeren, naar de rechtbank gelet op de voornoemde natrekking hoopt en verwacht zowel met als zonder het voornoemde op die grond staande “plashuisje”.

4.10 [B] moet derhalve bij nadere conclusie na dit tussenvonnis ook het in de kantonprocedure uitgebrachte deskundigenrapport produceren, en voorts kopie van de WOZ-beschikkingen met betrekking tot het perceel [adres 8] over de kalenderjaren 2011 t/m 2014, omdat de WOZ-waarden in het algemeen bezien de marktwaarden steeds beter plegen te benaderen en hoogstwaarschijnlijk ook bij de aangifte voor de erfbelastingen door de boedelnotaris tot uitgangspunt genomen zullen zijn. Indien [A] als eerste gegadigde en daarna [B] als tweede gegadigde die reële marktwaarde niet zal kunnen betalen ter toedeling aan zichzelf, rest de rechtbank niets anders dan de eigendom van grondperceel [perceel 1] met het daarop staande, civielrechtelijk gezien in eigendom nagetrokken zomerhuisje te doen verkopen aan een derde, zulks ter verdeling van de netto verkoopopbrengst tussen beide erfgenamen. Alsdan zal ten gunste van [A] rekening moeten worden gehouden met de waarde van het gebruiksrecht op het plashuisje, of zal via de dan dienstdoende notaris alsnog een geldig opstalrecht kunnen worden gevestigd.

De geldvorderingen van [A] op [B].

4.11 In conventie vordert [A] na eiswijzigingen dat [B] een aantal volgens [A] door [B] ten onrechte onttrokken geldbedragen aan de nalatenschap moet (terug)betalen of met zijn 4/5de erfdeel moet verrekenen. De rechtbank zal de desbetreffende geschilpunten hierna per nog omstreden deelvordering beoordelen.

4.12 Ten eerste gaat het om in totaal € 12.000,- die [F] voor haar vader [B] en/of voor haar tante [C] in 2009 met een bankpas van de bankrekening van [C] heeft opgenomen omdat de erflaatster in het verpleeghuis verbleef. Naar het eindoordeel van de rechtbank heeft [B] in deze procedure zo goed als nu redelijkerwijs nog mogelijk toegelicht en aannemelijk gemaakt dat hij van deze € 12.000,- een deelbedrag van € 10.000,- heeft geleend van zijn zuster [C] ter financiering van groot onderhoud en reparaties van waterschade aan het zomerhuisje van [B] aan de [adres 2] te [plaatsnaam]. Ook heeft [B] aldus voldoende toegelicht en aannemelijk gemaakt dat deze geldlening van € 10.000,- uit 2009 is opgeteld bij de eerdere geldlening van € 80.000,- die [B] in augustus 2008 al van [C] had gekregen ter aankoop van het grondperceel [perceel 2] onder en rondom dat zomerhuisje aan de [adres 2], welk grondperceel [B] tot augustus 2008 van zijn zuster [C] voor een vriendenprijs huurde. Aldus had de nalatenschap op 19 mei 2010 een vordering van per saldo € 90.000,- in hoofdsom op [B], die de erflaatster hem echter in haar laatste testament door het op advies van waarnemend notaris [notaris] terzake opgenomen legaat (zie alinea 2.3) in feite heeft geschonken en/of kwijtgescholden, met uitzondering van de over dat legaat door [B] te betalen erfbelasting. De overige € 2.000,- van de voornoemde € 12.000,- zijn door [C] in 2009 zelf gebruikt voor kleding, kapper, cadeaus en andere uitgaven in het verpleeghuis, aldus [B]. [A] heeft dit alles naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende concreet weerlegd. Deze eerste deelvordering van [A] zal de rechtbank bij eindvonnis dus afwijzen.

4.13 Ten tweede gaat het na eiswijzigingen om een bedrag van in totaal € 27.500,- in hoofdsom dat [B] volgens [A] door bankopnames in 2007 en 2008 ten onrechte aan het vermogen van zijn zuster zou hebben onttrokken. Ook deze deelvordering zal de rechtbank bij eindvonnis afwijzen. [A] heeft immers onvoldoende concreet weersproken het voor de hand liggende verweer van [B] dat in de jaren 2007 en 2008 niet [B] maar [A] zelf de zaakwaarnemer van [C] was, die op haar verzoek en conform het sinds 1976 bestaande gebruik kort gezegd al haar geldzaken en administratieve zaken voor haar regelde en waarnam. Voorts blijkt uit de terzake door [A] geproduceerde bankafschriften zonder nadere toelichting, die ontbreekt, volstrekt niet dat [B] in 2007 en 2008 deze in totaal € 27.500,- zou hebben opgenomen in plaats van - zoals in die periode vóór haar (eerste) hersenbloeding in oktober 2008 gebruikelijk - [C] zelf of haar zaakwaarnemer [A].

4.14 Ten derde gaat het na eiswijziging om een bedrag van in totaal € 1.750,- dat [B] in 2010 kort voor haar dood van de bankrekening van zijn zuster heeft opgenomen. [B] heeft zo goed als nu nog redelijkerwijs mogelijk toegelicht (zie alinea 37 van zijn conclusie van 27 november 2013) dat zijn zuster hem dit bedrag per se wilde betalen als vergoeding van voorgeschoten bedragen door en gemaakte onkosten van [B] zoals een kilometervergoeding. [A] heeft dit daarna onvoldoende weersproken. De rechtbank zal dus ook deze derde deelvordering van [A] bij eindvonnis afwijzen.

4.15 Ten vierde gaat het om een hoofdsom van € 7.532,- plus contractuele rente, die [B] als executeur op 8 juni 2010 van de erfgenamenrekening heeft (terug)geboekt op een bankrekening van zijn dochter [H], nadat [H] datzelfde bedrag op 18 mei 2010 (de dag vóór de sterfdag van de erflaatster) had (terug)betaald op de bankrekening van de erflaatster als afbetaling van een geldlening met contractuele rente die [H] in het verleden had gekregen van haar tante [C]. Volgens [B] vond deze afbetaling op 18 mei 2010 slechts plaats omdat [H] toen in een echtscheidingsprocedure was verwikkeld waar dit “familiegeld” buiten moest blijven, en vond de terugbetaling door hem op 8 juni 2010 plaats omdat de erflaatster nog bij leven het saldo van deze geldlening mondeling had kwijtgescholden en/of had geschonken aan [H]. [A] heeft dat betoog gemotiveerd betwist. [B] had aanvankelijk bewijs aangeboden van de door hem gestelde mondelinge schenking aan [H] door en bij leven van de erflaatster, maar heeft na de gemotiveerde betwisting daarvan door [A] dat bewijsaanbod om praktische redenen “laten varen”. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt voorts niet in te zien waarom de erflaatster in haar laatste testament bij wijze van legaat wel de geldlening van € 90.000,- aan [B] heeft kwijtgescholden maar tegelijkertijd niet de geldlening van kennelijk € 7.532,- aan [H]. Geconcludeerd moet dus worden dat [B] als executeur op 8 juni 2010 ten onrechte € 7.532,- uit de nalatenschap aan [H] heeft betaald en aldus onrechtmatig heeft gehandeld. Die hoofdsom van € 7.532,- zal [B] dus aan de nalatenschap moeten terugbetalen of bij de eindafrekening met zijn erfdeel moeten verrekenen, zulks vermeerderd met (niet de gevorderde contractuele rente maar) de wettelijke rente met ingang van 8 juni 2010 tot aan de dag van terugbetaling of verrekening. Deze deelvordering van [A] op [B] zal de rechtbank aldus toewijzen.

4.16 Ten vijfde gaat het om meerdere relatief kleine bedragen, die [A] in zijn productie 20 rood heeft aangevinkt op de boedelbeschrijving met tussentijdse rekening en verantwoording die destijds is opgemaakt door of namens de executeur [B]. Naar het eindoordeel van de rechtbank mag [B] in de gegeven omstandigheden van dit geval deze kosten van het geschil over de marktconforme huurprijs die hij in zijn toenmalige boedelbeschrijving heeft opgenomen als “ARAG inzake huur” niet ten laste van de nalatenschap brengen (en dus voor 1/5de deel ten laste van [A]), en moet hij deze door ARAG kennelijk aan hem in rekening gebrachte kosten van het huurgeschil van partijen derhalve geheel zelf betalen. Deze nalatenschap heeft immers slechts twee erfgenamen, [B] voor 4/5de deel en [A] voor 1/5de deel, en het huurgeschil over de [adres 8] heeft slechts diezelfde twee direct belanghebbenden bij de uitkomst daarvan. Het zou naar het oordeel van de rechtbank onder deze specifieke omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn, indien [A] de kosten verbonden aan het huurgeschil geheel zelf zou moeten dragen en [B] niet.

4.17 Andere bedragen die [A] op zijn productie 20 ten zesde rood heeft aangevinkt en dus heeft bestreden betreffen uitgaven of inkomsten van [B] als executeur van € 800,- “ontruiming de greep”, € 3.000,- “storting”, € 61,98 “correctie”,
€ 398,65 “klein makelaardij”, € 446,13 “viavesta” en € 10.234,- “voldoening kosten”. [B] betoogt dat hij die door [A] betwiste bedragen voor zover nodig al heeft gecorrigeerd op latere tussentijdse boedelbeschrijvingen, maar levert daarvan geen achterliggend bewijsstuk met een begrijpelijke en controleerbare toelichting. [B] moet dat in zijn bij nadere conclusie na dit tussenvonnis te produceren nieuwe boedelbeschrijving met zoveel mogelijk eindafrekening alsnog naar behoren doen, waarna [A] daarop nog zal kunnen reageren voordat de rechtbank eindvonnis wijst.

4.18 Het spreekt ten zevende voor zich dat [B] als executeur de redelijke kosten van de waarnemend boedelnotaris [notaris] (en diens kantoorgenoten) en voor zover van toepassing ook van de opvolgend accountant [accountant 1] ten laste van de nalatenschap en dus voor 1/5de deel ten laste van [A] kan brengen, anders dan [A] in zijn productie 20 klaarblijkelijk nog betoogt ten aanzien van een door hem rood aangevinkte declaratie van € 8.000,- plus BTW van het notariskantoor. [B] zal die aan hem gedeclareerde kosten van de waarnemend boedelnotaris en zo nodig van de boekhouder [accountant 1] in zijn bij nadere conclusie na dit tussenvonnis te produceren nieuwe boedelbeschrijving met zoveel mogelijk eindafrekening moeten actualiseren en begroten met kopie van alle ter zake ingediende en betaalde declaraties met specificaties, waarna [A] daarop nog zal kunnen reageren voordat de rechtbank eindvonnis wijst.

4.19 Ten achtste presenteert [A] na zijn eiswijziging van 8 januari 2014 naar aanleiding van de in de loop van deze procedure ontdekte en bediscussieerde “bruine envelop met fl. 30.000,- (volgens [B] witgewassen) contant geld” (zie hierna alinea 4.24) nog een vordering van per saldo € 178,- per 1 augustus 2010 op de nalatenschap in verband met kort gezegd zijn afbetaling van twee geldleningen van de erflaatster en de verrekening van over en weer verschuldigde jaarhuren voor de [adres 1] en de [adres 8]. De rechtbank zal haar beslissing over dit geschilpunt van partijen hierna in de alinea’s 4.22 t/m 4.29 motiveren, maar vermeldt omwille van de overzichtelijk reeds hier en nu dat zij deze deelvordering van € 178,- van [A] op de nalatenschap bij eindvonnis zal toewijzen. [B] moet deze deelvordering van [A] dus ook opnemen in zijn bij nadere conclusie na dit tussenvonnis te produceren voornoemde nieuwe boedelbeschrijving met zoveel mogelijk eindafrekening.

De geldvorderingen van [B] op [A].

4.20 In reconventie speelt ten eerste het nog bij de kantonrechter te Gouda lopende geschil van partijen over de marktconforme huurprijs per 1 januari 2011 die [A] volgens [B] nog aan de nalatenschap en dus voor 4/5de deel aan [B] moet bijbetalen of die met het 1/5de erfdeel van [A] moet worden verrekend, zie daartoe de voorgaande alinea 4.8.

4.21 Ten tweede vordert [B] na eiswijzigingen in reconventie dat [A] wegens twee geldleningen uit 1997 en 2007 aan de nalatenschap moet (terug)betalen of met zijn 1/5de erfdeel moet verrekenen een bedrag van fl. 70.000,- (vermeerderd met 6% contractuele rente sinds 1997 en verminderd met deelbetalingen van in totaal fl. 6.500,-) en een bedrag van € 16.000,- (vermeerderd met wettelijke rente). De rechtbank zal die twee nauw samenhangende geschilpunten van partijen hierna gezamenlijk beoordelen.

4.22 [A] heeft blijkens de procestukken als zaakwaarnemer en aangetrouwde achterneef van [C] in de periode van 1976 tot 2007 meerdere geldbedragen van [C] geleend en/of betaald gekregen, zonder dat die geldleningen en/of de redenen voor die betalingen behoorlijk schriftelijk zijn vastgelegd. Ook hebben [A] en [C] de in die jaren en naderhand met kennelijk onderling goedvinden toegepaste jaarlijkse verrekeningen van over en weer verschuldigde huurpenningen en de daarbij toegepaste aflossingen op de geldleningen van [A] destijds niet met handtekeningen voor akkoord van beide zijden schriftelijk vastgelegd. Deze werkwijze verdient niet de spreekwoordelijke schoonheidsprijs, maar is wel een voldongen feit en is voorts niet geheel ongebruikelijk tussen familieleden met een goede vertrouwensband. [B] en de rechtbank zullen het dus uit de aard der zaak moeten doen met een relatief oppervlakkige controle op de reconstructies van het jaarlijkse rekening-courant saldo, zoals die tijdens deze procedure door [A] met hulp van zijn zus [I] zijn geproduceerd. Die reconstructies komen volgens de meest recente producties 69 t/m 79 van [A] neer op het hiervoor in alinea 4.19 genoemde eindsaldo van € 178,- per 1 augustus 2010 ten gunste van [A] en ten laste van de nalatenschap.

4.23 Volgens [A] heeft de weduwe [C] op haar eigen initiatief en om haar moverende redenen (zoals in deze procedure naar behoren toegelicht door [A]) haar grondperceel [perceel 3] te [plaatsnaam] in 1976 voor fl. 180.000,- verkocht aan [A], waarvan fl. 100.000,- direct is betaald en het restant van fl. 80.000,- is omgezet in een volgens [A] al lang geleden door hem aan [C] afbetaalde geldlening van fl. 80.000,-. Op dat grondperceel [perceel 3] lagen en liggen de door [C] bewoonde woning met tuin aan de [adres 1] te [plaatsnaam] en voorts het parkeerterrein, de toegangsweg en het recreatieterrein met zwemsteiger die zijn bestemd voor gezamenlijk gebruik met en door de eigenaren/huurders van de achtergelegen en naastgelegen zeven percelen recreatiegrond met daarop zeven zomerhuisjes aan de [adres 1 t/m adres 8] te [plaatsnaam] op een fraai gelegen landtong aan de [Plassen]. Sinds die eigendomsoverdracht in 1976 huurde [C] vervolgens enerzijds haar woning met tuin aan de [adres 1] levenslang van [A] voor een vriendenprijs. Anderzijds huurde [A] sinds 1992 van [C] voor een vriendenprijs de strook recreatiegrond aan de [adres 8] (zie daartoe de voorgaande alinea’s 4.7 t/m 4.10), en werd sindsdien met wederzijds goedvinden een vooral mondelinge verrekening met de aan [A] toekomende huurprijs voor de [adres 1] toegepast.

4.24 In de loop der jaren heeft [C] met hulp van [A] voorts de tot dan aan haar in eigendom toebehorende voornoemde zeven recreatiepercelen aan de [adres 1 t/m adres 8] met de daarop staande zomerhuisjes verkocht aan tot dan haar zeven huurders wegens diezelfde voornoemde haar moverende redenen. Bij en door die leveringen kreeg zij voldoende geldmiddelen beschikbaar om [A] telkens een door haar bepaald deel van de verkoopopbrengst te betalen als dank voor alle door hem aan haar in de loop der jaren voor het overige kosteloos bewezen administratieve en zakelijke diensten. In 1997 heeft [C] aldus aan haar toenmalige huurster mevrouw [J] grondperceel [perceel 4] met daarop het zomerhuisje aan de [adres 5] verkocht voor fl. 100.000,-, waarvan fl. 70.000,- wit via de notaris en fl. 30.000,- zwart en contant in een bruine envelop, die [A] op haar verzoek in zijn kluis heeft bewaard en waarvan hij op haar verzoek voor [C] de in zijn productie 74 genoemde betalingen heeft gedaan, waarvan fl. 5.000,- in contanten aan [A] zelf voor de voornoemde bewezen diensten. De voornoemde fl. 70.000,- is in 1997 door de notaris uitbetaald aan [A] zelf en omgezet in een mondelinge geldlening van [C] aan [A] tegen 6% rente op jaarbasis, zulks wegens de toenmalige echtscheidingsperikelen van [A] met bijbehorende financiële problemen.

4.25 In april 2007 heeft [C] per bank aan [A] voorts € 16.000,- betaald, waarvan volgens [A] € 10.000,- bestond uit een door hem met [C] mondeling overeengekomen renteloze geldlening van € 10.000,- voor een door [A] te betalen nieuwe keuken in “zijn” voornoemde plashuisje aan de [adres 8], plus vooruitbetalingen van € 5.000,- en € 1.000,- voor bewezen en nog te bewijzen diensten omdat in de nabije toekomst door [C] de grondpercelen aan de Platteweg [adres 3] en [adres 2] zouden worden verkocht en geleverd aan haar toenmalige huurders [K] (zomerhuisje [adres 3]) en [B] (zomerhuisje [adres 2]).

4.26 In zijn producties 69 t/m 79 heeft [A] vervolgens samen met [I] een zo goed als nu redelijkerwijs nog mogelijke reconstructie gegeven van het verloop van het jaarlijkse rekening-courant saldo door de jaarlijkse wederzijdse huurverrekeningen vanaf 1992 en de daarmee gepaard gaande jaarlijkse aflossingen van de twee voornoemde geldleningen van fl. 70.000,- uit 1997 en € 10.000,- uit 2007, resulterend in de conclusie dat [A] zijn voornoemde twee geldleningen per 1 augustus 2010 aan de erflaatster geheel had afbetaald en per saldo en na eisvermindering nog een vordering heeft van € 178,- op haar nalatenschap. [B] heeft die reconstructie in algemene termen betwist omdat samengevat verifieerbare schriftelijke bewijsstukken uit onafhankelijke bron ontbreken, maar ziet bij dat verweer over het hoofd dat hij en de rechtbank het met een relatief oppervlakkige controle op deze reconstructie zullen moeten doen omdat verifieerbare bewijsstukken zoals door [C] voor akkoord ondertekende overzichten van het saldo uit de aard der zaak nu eenmaal ontbreken (zie ook de voorgaande alinea 4.22).

4.27 Het aldus gereconstrueerde jaarlijkse rekening-courant saldo strookt voorts ook in voldoende mate met de door [A] geproduceerde belastingaangiften van de erflaatster, waaruit volgt dat [C] en haar vroegere accountant [accountant 2] kennelijk akkoord waren met de door [A] aan accountant [accountant 2] aangeleverde jaarlijkse afname van het saldo van de aan de belastingdienst opgegeven geldlening van fl. 70.000,- uit 1997 van de erflaatster aan [A]. Dat [C] aan [A] per saldo aldus door verrekening een hogere jaarlijkse huurprijs voor de [adres 1] betaalde dan [A] aan [C] betaalde voor de recreatiegrond aan de [adres 8], is minder opmerkelijk dan [B] stelt. Hij ziet daarbij immers over het hoofd dat de [adres 1] met tuin bestemd was en gebruikt werd voor permanente bewoning maar de recreatiegrond aan de [adres 8] slechts voor zomerrecreatie. Voorts is het gereconstrueerde prijsverschil naar het oordeel van de rechtbank niet buitensporig hoog.

4.28 De door [A] gestelde maar door [B] betwiste vooruitbetaling in 2007 van € 6.000,- voor dienstverlening past voorts in het patroon van dergelijke betalingen die de erflaatster nu eenmaal aan haar zaakwaarnemer [A] pleegde te doen bij de verkoop van recreatiegronden aan haar toenmalige huurders (zie alinea 4.24). Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, kan de rechtbank mede daarom niet uitgaan van de door [A] gemotiveerd betwiste stelling van [B] dat deze € 6.000,- uit 2007 naast de voornoemde € 10.000,- ook een dor [A] nog niet afbetaalde geldlening betrof.

4.29 Al het voorgaande brengt de rechtbank tot de slotconclusie dat [A] in deze civiele bodemprocedure voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij zijn omstreden twee geldleningen van fl. 70.000,- met 6% rente uit 1997,- plus € 10.000,- renteloos (in plaats van € 16.000,-) uit 2007 geheel aan [C] heeft afbetaald. De andersluidende twee vorderingen van executeur [B] in reconventie tegen [A] uit hoofde van die twee geldleningen zal de rechtbank dus bij eindvonnis afwijzen. In conventie resteert daarentegen nog de voornoemde vordering van € 178,- per 1 augustus 2010 van [A] op de nalatenschap. Het in dit specifieke geval niet eenvoudig te beoordelen beroep van [A] op verjaring van deze geldvorderingen van [B] op [A] uit hoofde van deze twee relatief oude en slechts mondeling gesloten geldleningen van de erflaatster kan en zal de rechtbank bij deze stand van zaken buiten beoordeling laten.

4.30 Naar de rechtbank begrijpt heeft [B] zijn overige vanaf augustus 2010 gepretendeerde geldvorderingen als executeur op zijn mede-erfgenaam [A] voor of tijdens de loop van deze procedure prijsgegeven en/of ingetrokken, waaronder vooral de aanvankelijke geldvorderingen van [B] terzake van de eerder bediscussieerde bedragen van afgerond € 3.132,-, € 4.452,-, € 5.575,- en € 5.979,-. Indien de rechtbank dat onjuist zou zien, moet [B] in zijn nadere conclusie na dit tussenvonnis die eventuele geldvorderingen op [A] alsnog zo goed mogelijk toegelicht en voorzien van alle mogelijke bewijsstukken instellen en in zijn nieuwe boedelbeschrijving met zo veel mogelijk eindafrekening opnemen, waarna [A] daarop nog zal kunnen reageren voordat de rechtbank eindvonnis wijst. Datzelfde geldt voor de in alinea 2 van zijn conclusie van 5 maart 2014 nog door [B] als executeur “voorbehouden” eventuele al dan niet verjaarde vorderingen uit de geldleningen van fl. 80.000,- uit 1976 (zie ook alinea 4.23) en van fl. 30.000,- omstreeks 1995, welke laatste geldlening [A] volgens zijn productie 34 “bij de uitkoop uit het assurantiebedrijf” van zijn broer [L] zou hebben overgenomen maar ook allang aan [C] zou hebben afgelost.

Het verdere procesverloop na dit tussenvonnis en de proceskosten bij eindvonnis.

4.31 De rechtbank zal deze procedure verwijzen naar de rolzitting van woensdag 17 september 2014 voor een nadere conclusie na dit tussenvonnis door de executeur [B], waarin hij een nieuwe boedelbeschrijving met verdelingsvoorstel en met een voorstel voor een praktische, deugdelijke en begrijpelijke eindafrekening en afwikkeling van de nalatenschap moet produceren, zo nodig met hulp van het kantoor van waarnemend boedelnotaris [notaris] en/of accountant [accountant 1]. Dit alles met inachtneming van alle hiervoor door de rechtbank in dit tussenvonnis genomen eindbeslissingen en gegeven nadere instructies over de resterende geschilpunten van partijen, en voorts onder productie van de voormelde nadere gegevens waaronder in ieder geval het in de voorgaande alinea’s 4.8 t/m 4.10 genoemde eindvonnis van de kantonrechter te Gouda, het in die procedure door de benoemde deskundige uitgebrachte taxatierapport en de voornoemde bewijsstukken van de WOZ-waarden van de [adres 8] in de kalenderjaren 2011 t/m 2014. Een uitstel zal als hoofdregel op 17 september 2014 niet meer worden verleend, tenzij er alsdan sprake zou zijn van gemotiveerd aan te voeren overmacht of (andere) klemmende redenen.

4.32 Daarna zal op een termijn van in beginsel zes weken [A] bij nadere conclusie na dit tussenvonnis inhoudelijk kunnen reageren op de voornoemde nadere conclusie met nieuwe boedelbeschrijving, verdelingsvoorstel en afwikkelingsvoorstel van executeur [B], waarna beide advocaten zich op een termijn van twee weken kunnen uitlaten op de voet van artikel 2.11 van het landelijk procesreglement over de door ieder gewenste voortgang van de procedure (in beginsel zal dat zijn een datum vragen voor ofwel eindvonnis ofwel een tweede comparitie van partijen met pleitmogelijkheid).

4.33 De rechtbank zal de proceskosten tussen partijen bij eindvonnis compenseren, omdat beide partijen blijkens al het voorgaande over en weer op geschilpunten van niet ondergeschikte betekenis in het ongelijk zijn en/of zullen worden gesteld. Indien na en door alle eindbeslissingen in dit tussenvonnis alsnog een schikking tussen beide partijen via hun advocaten zou kunnen worden getroffen waardoor de procedure zou kunnen worden doorgehaald, moeten beide advocaten dat vanzelfsprekend ter rolzitting van 17 september 2014 ook aan de rechtbank berichten. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan.

De beslissingen van de rechtbank

5.1 verwijst de procedure naar de rolzitting van woensdag 17 september 2014 voor een nadere conclusie na dit tussenvonnis door de executeur [B] zoals in de voorgaande alinea 4.31 door de rechtbank is samengevat, dan wel voor doorhaling van de procedure wegens alsnog een schikking in dit erfrechtconflict zoals hiervoor in alinea 4.33 is vermeld, alles met als hoofdregel geen nader uitstel op 17 september 2014;

5.2 bepaalt het (eventuele) verdere procesverloop op de wijze zoals hiervoor door de rechtbank in alinea 4.32 is vermeld en bepaald;

5.3 houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. Wien en in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2014.