Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:8563

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-07-2014
Datum publicatie
29-07-2014
Zaaknummer
C-09-444383 - HA ZA 13-652
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geschil over privegebruik zakelijke creditcard door bestuurder en terugbetaling van twee leningen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/444383 / HA ZA 13-652

Vonnis van 16 juli 2014

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

P&B DIENSTEN B.V.,

gevestigd te Apeldoorn,

eiseres,

advocaat mr. D.J.L.P. Oomens te Leiden,

tegen

1 [A],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. M.R. Maathuis te Amsterdam,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

GABION!BEHEER B.V.,

gevestigd te Wassenaar,

gedaagde sub 2,

niet verschenen,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

GABION!HOLDING B.V.,

gevestigd te Wassenaar,

gedaagde sub 3,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna P&B Diensten, [A], Gabion!Beheer en Gabion!Holding genoemd worden. Gedaagden hierna gezamenlijk worden aangeduid als [A] c.s.

1 Het verdere verloop van de procedure

1.1.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:

- de inleidende dagvaarding van 31 mei 2013, met producties,

- de incidentele conclusie tot verwijzing van de zijde van [A], met producties,

- de conclusie van antwoord in het incident tot verwijzing, met producties,

- het vonnis in incident van 2 oktober 2013,

- de incidentele conclusie van de zijde van [A],

- de akte overlegging producties van de zijde van [A],

- de conclusie van antwoord in het incident tot afgifte van bewijsmiddelen, met producties,

- het vonnis in incident van 8 januari 2014,

- de conclusie van antwoord,

- het tussenvonnis van 5 maart 2014, waarbij een comparitie van partijen is gelast,

- het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 15 april 2014 en de daarin genoemde stukken,

- de brief van mr. Oomens van 25 april 2014,

- de brief van mr. Maathuis van 14 mei 2014, en

- de rolbeslissing van 28 mei 2014 en de daarin genoemde e-mailcorrespondentie.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Mevrouw [B] (hierna: [B]) is enig aandeelhouder en bestuurder van Buja Holding B.V. (hierna: Buja Holding). Buja Holding is op haar beurt enig aandeelhouder en bestuurder van P&B Detachering Beheer B.V. (hierna: P&B Detachering), dat weer enig aandeelhouder en bestuurder is van onder meer de volgende vennootschappen:

1. P&B Groep B.V. (hierna: P&B Groep)

2. P&B Diensten B.V. (hierna: P&B Diensten)

3. P&B Call B.V. (hierna: P&B Call)

2.2.

De P&B-groep richt zich op call centra, waaronder het detacheren van werknemers voor call centra.

2.3.

[A] is bestuurder en enig aandeelhouder van Gabion!Holding. Gabion!Holding is bestuurder en enig aandeelhouder van Gabion!Beheer.

2.4.

[B] en [A] zijn in 2010 een samenwerking aangegaan. In het kader daarvan heeft [A] werkzaamheden verricht voor P&B Diensten. [A] is om die reden als (indirect) bestuurder aangesteld van P&B Diensten. In eerste instantie via direct bestuurder Gabon!Beheer en na de oprichting van Genija B.V. (hierna: Genija) per 6 december 2011, via Genija, waarvan hij eveneens bestuurder was. Tevens hield hij 99% van de aandelen in Genija en [B] de resterende 1%.

2.5.

Ten behoeve van zijn taakvervulling heeft P&B Diensten aan [A] een bedrijfscreditcard ter hand gesteld om zakelijke uitgaven te doen.

2.6.

In verband met de samenwerking hebben partijen op 10 februari 2011 een optieovereenkomst getekend waarbij [A] het recht had om 50% van de aandelen in P&B Detachering Beheer te kopen van Buja Holding vanaf de datum van ondertekening van de optieovereenkomst tot en met 31 december 2011. Die termijn is uiteindelijk verlengd tot 31 december 2012.

2.7.

Op 7 juli 2011 heeft P&B Call in het kader van een lening een bedrag betaald van €13.750 op de rekening derdengelden van advocatenkantoor Certa Legal onder vermelding: “VOLGENS AFSPRAAK MET DE HEER [A]”.

2.8.

Op 21 november 2011 is door P&B Diensten in het kader van een lening een bedrag van € 13.750 betaald op de rekening derdengelden van advocatenkantoor Certa Legal onder vermelding: “SLOTBETALING REGELING BOEDEL FBC-[A] TBV STICHTING BEHEER DERDENGELDE”.

2.9.

Op 30 november 2011 heeft [A] onder een bankafschrift met daarop de onder rov. 2.8. en 2.9. genoemde bedragen met de hand het volgende geschreven:

“De bovenstaande gelden zijn overgemaakt op verzoek van ondergetekende ten behoeve van Gabion Beheer B.V. en zullen uiterlijk begin 2013 terugbetaald worden aan P&B Groep B.V., cq haar dochterondernemingen. Tot die tijd zal de vordering geboekt worden in de rekening-courant van Gabion Beheer B.V. met P&B Groep, cq haar dochterondernemingen.”

Onder deze tekst staat de handtekening van [A] met daaronder “[A]”.

2.10.

Op 26 april 2012 heeft P&B Groep B.V. in het kader van een lening een bedrag van € 60.000 betaald aan “Pluis Participatie Groff1” onder vermelding: “VOLGENS AFSPRAAK MET [A] / GABION BEHEER BV”.

2.11.

Bij brief van 13 december 2012 heeft [B] [A] aangeschreven naar aanleiding van een voorgenomen ontslag van [A] als bestuurder.

2.12.

Bij aangetekend schrijven van 18 december 2012 heeft [B] [A] aangeschreven. Die brief luidt voor zover relevant als volgt:

“Exclusief de onttrekkingen staat er een RC saldo van € 89.807,64 open. (…) Hierbij wordt u gesommeerd om voornoemd bedrag vermeerderd met de rente voor 1 januari 2013 volledig in te lossen. (…)

Voorts wordt u hierbij gesommeerd om uiterlijk 24 december 2012 de privé onttrekkingen met de credit card in te lossen. Een bedrag van ten minste € 9.298,89 dient dan te zijn bijgeschreven op rekening (…) t.n.v. P&B Diensten B.V. Hierbij wordt vanaf voornoemde datum tevens aanspraak gemaakt op de wettelijke rente.”

2.13.

Op 28 december 2012 is [A] als bestuurder ontslagen.

2.14.

Bij akte van cessie van 29 januari 2013 heeft P&B Call B.V. haar vordering van € 13.750, genoemd in rov. 2.7., gecedeerd aan P&B Diensten. Bij akte van cessie van eveneens 29 januari 2013 heeft P&B Groep B.V. haar vordering van € 60.000, genoemd in rov. 2.10., gecedeerd aan P&B Diensten.

3 Het geschil

3.1.

P&B Diensten vordert – samengevat – dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

1. [A] veroordeelt om binnen 2 dagen na het in deze te betekenen vonnis aan P&B Diensten te betalen € 6.535,27, te vermeerderen met wettelijke handelsrente vanaf 24 december 2012 tot aan de dag der algehele voldoening;

2. [A] c.s. hoofdelijk veroordeelt om binnen 2 dagen na het in deze te betekenen vonnis

aan P&B Diensten te betalen € 13.750 te vermeerderen met wettelijke handelsrente vanaf 1 januari 2013 tot aan de dag der algehele voldoening;

3. [A] c.s. hoofdelijk veroordeelt om binnen 2 dagen na het in deze te betekenen vonnis

aan P&B Diensten te betalen € 13.750, te vermeerderen met wettelijke handelsrente vanaf 1 januari 2013 tot aan de dag der algehele voldoening;

4. [A] c.s. hoofdelijk veroordeelt om binnen 2 dagen na het in deze te betekenen vonnis

aan P&B Diensten te betalen € 60.000, te vermeerderen met wettelijke handelsrente vanaf 1 januari 2013 tot aan de dag der algehele voldoening;

5. [A] c.s. hoofdelijk veroordeelt om binnen 2 dagen na het in deze te betekenen vonnis

aan P&B Diensten te betalen € 1.715,35, te vermeerderen met wettelijke handelsrente vanaf de dag van betekening van de dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

6. [A] c.s. hoofdelijk veroordeelt in de kosten van dit geding.

3.2.

P&B Diensten legt aan haar vordering van € 6.535,27, ten grondslag dat [A] ten onrechte privébetalingen heeft verricht met de zakelijke creditcard die hem als bestuurder van P&B Diensten is verstrekt. Deze bedragen dient [A] aan P&B Diensten terug te betalen. Met betrekking tot de vorderingen van twee maal € 13.750 en eenmaal € 60.000 voert P&B Diensten aan dat deze bedragen geboekt zijn in de rekening-courantverhouding met Gabion!Beheer. De leningen zijn door [A] voorbereid en waren bedoeld om [A] persoonlijk te helpen met zijn financiële problemen. [A] c.s. zijn gehouden om de geleende bedragen terug te betalen.

3.3.

[A] voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

De creditcardvordering van € 6.535,27

4.1.

Met betrekking tot de vordering uit hoofde van de privébetalingen met de zakelijke creditcard heeft [A] als verweer gevoerd dat deze betalingen in de rekening-courantverhouding met Gabion!Beheer, de direct bestuurder van P&B Diensten, zijn geboekt. Nu – zo begrijpt de rechtbank – met [A] geen rekening courant verhouding bestond, kan P&B Diensten naar de mening van [A] in verband met de creditcardbetalingen geen vordering jegens hem geldend maken.

4.2.

Dit verweer faalt. [A] heeft ter zitting erkend dat het juist is dat hij in totaal een bedrag van € 8.041,27 aan privébetalingen met de zakelijke creditcard heeft gedaan, waarvan nog een bedrag van € 6.535,27 niet is terugbetaald. Nu voornoemd bedrag ten goede is gekomen aan [A] heeft P&B Diensten een rechtstreeks vorderingsrecht jegens hem in verband met dit bedrag. Gesteld noch gebleken is dat door de boeking in rekening courant schuldoverneming heeft plaatsgevonden. [A] is dan ook gehouden tot betaling van het gevorderde bedrag van € 6.535,27.

4.3.

[A] heeft echter als verweer gevoerd dat voornoemd bedrag reeds is verrekend. Hij heeft hiertoe een ongedateerd document overgelegd dat volgens hem afkomstig zou zijn van [C], voormalig CFO van P&B Diensten, waaruit de verrekening van de privébetalingen van de creditcard zou blijken. [A] beroept zich op de volgende zin:

“Dat van die bonnetjes had ik je al eens eerder gevraagd en die zou je voor het eind van het jaar uitzoeken en verrekenen, zodat we de boekhouding voor 2012 netjes kunnen afsluiten.”

4.4.

De rechtbank is van oordeel dat uit deze verklaring niet kan worden afgeleid dat ook de privéonttrekkingen door [A] onder de gestelde verrekening zouden vallen. Enige grondslag daarvoor is door [A] niet aangevoerd en ook niet gebleken. De rechtbank gaat dan ook aan het beroep van [A] op verrekening als onvoldoende onderbouwd voorbij. Aan bewijslevering wordt dan ook niet toegekomen.

4.5.

Dit leidt ertoe dat de rechtbank [A] zal veroordelen tot betaling aan P&B Diensten van een bedrag van € 6.535,27.

4.6.

P&B Diensten vordert tevens de wettelijke handelsrente over voornoemd bedrag. [A] heeft als verweer gevoerd dat geen sprake is van een handelsovereenkomst. De rechtbank is van oordeel dat de vordering van P&B Diensten kwalificeert als een vordering uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking, zodat slechts de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW verschuldigd is. Nu P&B Diensten [A] bij brief van 18 december 2012 heeft gesommeerd om uiterlijk op 24 december 2012 het verschuldigde bedrag terug te betalen, zal de rechtbank de wettelijke rente met ingang van voornoemde datum toewijzen.

De geleende bedragen van tweemaal € 13.750 en € 60.000

4.7.

[A] heeft met betrekking tot de drie geleende bedragen allereerst gesteld dat deze bedragen ook al een Amsterdamse procedure met zaak-/rolnummer C/13/544693 HA ZA 13-704 worden gevorderd. P&B Diensten stelt echter terecht dat de vorderingen in de Amsterdamse procedure zijn ingesteld tegen een andere partij dan [A] c.s., te weten Genija, zodat het de rechtbank vrij staat om over de ingestelde vorderingen te oordelen. Voor toewijzing van de vorderingen jegens [A] c.s. is niet van belang of er hoofdelijkheid bestaat met de vorderingen jegens de in de Amsterdamse procedure aangesproken partijen.

4.8.

[A] betwist voorts dat uit zijn handgeschreven aantekeningen op het bankafschrift (zie rov. 2.9.) blijkt dat de geleende bedragen ten gunste van hem zijn betaald. Bovendien voert hij aan dat op het door P&B Diensten in het geding gebrachte bankafschrift de vermelding “directeur” (van Gabion!Beheer) is weggevallen, daarmee stellende dat hij de aantekeningen (uitsluitend) als bestuurder namens Gabion!Beheer zou hebben geschreven.

4.9.

Tussen partijen is niet in geschil dat de leningen betrekking hebben op de afbetaling van schulden; volgens P&B Diensten schulden van [A] c.s., volgens [A] schulden van Gabion!Beheer. Pas wanneer de schulden waren afbetaald, zou de in de optieovereenkomst genoemde aandelenoverdracht kunnen plaatsvinden. Niet in geschil is dat in verband met de aandelenoverdracht [A] de helft van een borgstelling van € 500.000 diende over te nemen. Dit blijkt ook uit de brief van [B] aan [A] van 4 december 2013, die voor zover relevant luidt:

“Gezien mijn twijfel over jouw financiële gezondheid is het onzeker dat je na overdracht van de aandelen de borgstelling (de helft van € 500.000,00) kan overnemen. Ik verwijs naar de brief van ING waarin zij gegevens van je vragen om de overname van de borgstelling te kunnen beoordelen. Ik verzoek je contact met ING te leggen om dat te regelen. De kans is aanwezig dat ING daarvoor extra zekerheid verlangt. Als de borgstelling niet uiterlijk 1 januari 2013 is overgenomen of daarvoor andere zekerheid is afgegeven tot een bedrag van ten minste € 250.000,00 zal ik de aandelen niet leveren.”

4.10.

De rechtbank dient dan ook te beoordelen welke partij(en) als schuldenaar van de drie geleende bedragen kan/kunnen worden aangemerkt. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

4.11.

In verband met de twee geleende bedragen van € 13.750 heeft [A] gesteld dat deze leningen zijn aangegaan door Gabion!Beheer, waarvan hij bestuurder was. Niet in geschil is dat [A], middels zijn handgeschreven verklaring heeft toegezegd dat de beide bedragen uiterlijk begin 2013 zouden worden terugbetaald. De rechtbank is van oordeel dat die verklaring, in het bijzonder de zinsnede dat de bedragen “op verzoek van ondergetekende” aan derden worden betaald, zo moet worden begrepen dat [A] zelf als schuldenaar van de twee geleende bedragen dient te worden aangemerkt. Dit is ook in lijn met de bedoeling van partijen. De afbetaling van de schulden was immers bedoeld om het mogelijk te maken dat [A] de 50% van de aandelen in P&B Diensten zou kunnen overnemen. Artikel 2 van de optieovereenkomst, luidt in dat verband, voor zover relevant, als volgt:

Artikel 2 – Call Optie [A]

2.1

[A] heeft (…) het recht om binnen vanaf de datum van ondertekening van deze Overeenkomst tot en met 31 december 2011 (…) van de Bestaande Aandeelhouder (Buja Holding; rechtbank) zoveel Aandelen te verkrijgen als nodig is om haar een belang van 50% van het geplaatst kapitaal van de Vennootschap (P&B Detachering Beheer; rechtbank) te verschaffen(de “Call Optie”).”

4.12.

De rechtbank is van oordeel dat uit het voorgaande volgt dat [A] als (mede)schuldenaar van de leningen dient te worden aangemerkt. Dit wordt ook nog bevestigd door de verklaring van de heren [D] en [E], die [A] zelf in het geding heeft gebracht. [A] heeft deze verklaring overgelegd om aan te tonen dat hij de voor de aflossing van de schulden benodigde gelden in eerste instantie zelf bij bekenden had willen lenen, hetgeen uiteindelijk niet is doorgegaan omdat daar van de zijde van P&B Diensten niet mee werd ingestemd. Uit de verklaring blijkt echter dat (ook) de leningen die [A] zelf had geregeld aan hem in persoon zouden worden verstrekt:

“Toentertijd benaderde jij ons om je een lening te verstrekken van EUR 300.000,- om daarmee een regeling met je crediteuren te treffen waardoor jij in staat zou zijn de aandelen uit hoofde van je optieovereenkomst met [B] (of haar persoonlijke holding) onbezwaard te ontvangen.

Hierbij bevestigen wij dat wij toen in beginsel bereid waren dit te doen en jou een lening van EUR 300k te verlenen, af te lossen gedurende een periode van 3 jaar uit dividenden dan wel uit belening van de door jou verworden aandelen in P&B.”

4.13.

Uiteindelijk heeft [A] ter aflossing van zijn schuldeisers een bedrag van € 287.500 geleend, waar de voornoemde drie geleende bedragen deel van uitmaken. Uit de hiervoor aangehaalde verklaring volgt dat deze bedragen zijn aangewend ter aflossing van schulden van [A].

4.14.

Met betrekking tot het geleende bedrag van € 60.000 blijkt ook nog uit anderen hoofde dat dit bedrag daadwerkelijk is aangewend ter aflossing van een persoonlijke schuld van [A]. De geleende som is namelijk benut ter aflossing van crediteur “Pluis Participatie”, zoals blijkt uit de omschrijving bij de betaling van het bedrag van € 60.000 (zie rov. 2.10.). Uit het door P&B Diensten in het geding gebrachte kort geding vonnis van de rechtbank Den Haag van 29 december 2010 in de zaak van Pluis Participatie Groep B.V. (hierna: Pluis Participatie) tegen Gabion!Beheer en [A], volgt dat [A] is veroordeeld om (hoofdelijk naast Gabion!Beheer) een bedrag van € 100.000 aan Pluis Participatie te betalen. Hieruit volgt naar het oordeel van de voorzieningenrechter dat [A] zelf schuldenaar is van Pluis Participaties. Gesteld noch gebleken is dat voornoemd vonnis in appel is vernietigd. Nu [A] heeft nagelaten deugdelijk te onderbouwen dat het geleende bedrag van € 60.000 niet (mede) in verband met zijn voornoemde schuld van € 100.000 is betaald, moet de rechtbank het ervoor houden dat het geleende bedrag van € 60.000 is aangewend ter aflossing van zijn schuld van € 100.000.

4.15.

Uit het voorgaande blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat [A] als schuldenaar van alledrie de in het geding zijnde leningen dient te worden aangemerkt. Aan de blote betwisting daarvan door [A] gaat de rechtbank in het licht van al het voorgaande voorbij. Ook de stelling van [A] dat P&B Diensten deze procedure uitsluitend gebruikt om onder de optieovereenkomst uit te komen, doet niet ter zake, nu P&B Diensten de vorderingen naar het oordeel van de rechtbank terecht instelt en [A] de gevorderde bedragen opeisbaar verschuldigd is, ook met het oog op de optieovereenkomst. Ook het beroep op de tussen partijen overeengekomen verrekening, inhoudende dat de leningen door middel van de dividenduitkeringen na de aandelenoverdracht zouden worden terugbetaald faalt. Ten eerste heeft [A] dit beroep op verrekening, dat door P&B Diensten is bestreden, in het geheel niet onderbouwd en niet gebleken is dat partijen een degelijke verrekeningsafspraak hebben gemaakt. Voorts geldt dat [A] geen aandeelhouder is geworden, zodat hij geen aanspraak kan maken op dividenduitkeringen. Om die reden is het beroep op verrekening prematuur en kan het [A] niet baten. Wanneer het verweer van [A] moet worden opgevat als een beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid, inhoudende dat het niet redelijk is dat P&B Diensten vorderingen incasseert in verband waarmee een toekomstige verrekening is overeengekomen, strandt dit verweer nu gesteld noch gebleken is dat [A] gegeven zijn huidige financiële situatie daadwerkelijk in staat is om de aandelen over te nemen met inachtneming van de in verband daarmee gestelde voorwaarden, waaronder de overname van de borgstelling.

4.16.

In het licht van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat Gabion!Beheer en Gabion!Holding niet als schuldenaren van de geleende bedragen kunnen worden aangemerkt. Dat [A] met de door hem geleende bedragen mogelijk ook schulden van Gabion!Beheer en Gabion!Holding heeft afgelost staat hem vrij, maar brengt niet mee dat zij medeschuldenaar zijn geworden van de leningen. De vorderingen van P&B Diensten jegens Gabion!Beheer en Gabion!Holding komen de rechtbank dan ook ongegrond voor en zullen, nu tegen Gabion!Beheer en Gabion!Holding verstek is verleend, om die reden worden afgewezen.

4.17.

Dit leidt ertoe dat uitsluitend [A] zal worden veroordeeld tot terugbetaling aan P&B Diensten van de geleende bedragen van in totaal € 87.250.

4.18.

P&B Diensten vordert de wettelijke handelsrente over de geleende bedragen. Voor wat betreft de vordering jegens [A] heeft laatstgenoemde terecht aangevoerd dat de wettelijke handelsrente uitsluitend verschuldigd is voor zover een natuurlijk persoon heeft gehandeld in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf. Voor zover [A] de leningen in privé is aangegaan, is hij uitsluitend de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW verschuldigd. Nu [A] de ingangsdatum niet heeft bestreden, zal de rechtbank de wettelijke rente jegens [A] toewijzen met ingang van 1 januari 2013.

4.19.

De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten zal worden afgewezen. De P&B Diensten heeft weliswaar ter zitting aangevoerd dat voor haar rekening brieven en e-mails zijn geschreven door [B] en dat [B] twee keer tevergeefs op [A] heeft gewacht, maar deze kosten moeten worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling wordt geacht een vergoeding in te sluiten.

4.20.

[A] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partijen in de proceskosten worden veroordeeld. De proceskosten aan de zijde van P&B Diensten worden tot op heden begroot op:

- dagvaarding € 76,71

- griffierecht € 1.836

- salaris advocaat € 3.576 (4,0 punten × tarief € 894)

Totaal € 5.488,71

4.21.

P&B Diensten zal worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van Gabion!Beheer en Gabion!Holding, welke kosten zullen worden begroot op nihil.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt [A] om aan P&B Diensten te betalen een bedrag van € 6.535,27, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het toegewezen bedrag met ingang van 24 december 2012 tot de dag van volledige betaling,

5.2.

veroordeelt [A], om aan P&B Diensten te betalen een bedrag van € 87.250, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het toegewezen bedrag met ingang van 1 januari 2013 tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt [A] in de proceskosten, aan de zijde van P&B Diensten tot op heden begroot op € 5.488,71,

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.L.M. Luiten en in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2014.