Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:8484

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
11-07-2014
Datum publicatie
11-07-2014
Zaaknummer
UTL-I-2012058615
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Uitleveringskamer. De rechtbank Den Haag heeft de uitlevering van een Rwandese man aan Rwanda gedeeltelijk toelaatbaar verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Uitleveringskamer

Kenmerk UTL-I-2012058615

Raadkamernummer 14/428

De rechtbank Den Haag, uitleveringskamer, doet de volgende uitspraak op een verzoek van Rwanda tot uitlevering van:

[opgeëiste persoon],

geboren op [geboortedag] 1959 te [geboorteplaats],

wonende te [adres],

thans gedetineerd in de [p.i.],

verder te noemen de opgeëiste persoon.

Overweging vooraf.

Zoals de rechtbank hierna zal overwegen is op het verzoek (onder meer) toepasselijk de Wet overlevering inzake oorlogsmisdrijven (hierna: WOO). De rechtbank zal om verwarring te voorkomen in deze uitspraak niet de term “overlevering” gebruiken doch “uitlevering”. De term overlevering is naar de huidige Nederlandse rechtsopvatting immers voorbehouden aan het rechtshulpverkeer tussen Nederland en internationale gerechten en het rechtshulpverkeer binnen de Europese Unie. Rechtshulpverkeer met landen buiten de Europese Unie waarbij verzocht wordt personen van de rechtsmacht van een staat naar de rechtsmacht van een andere staat te brengen, pleegt te worden aangeduid als uitlevering, zodat de rechtbank deze terminologie zal aanhouden.

1 Het verzoek tot uitlevering.

Bij brief van 22 november 2012 heeft het ministerie van buitenlandse zaken van Rwanda via de ambassade van het Koninkrijk der Nederlanden te Rwanda aan de Nederlandse autoriteiten verzocht om uitlevering van de opgeëiste persoon ter fine van strafvervolging.

2 De overgelegde stukken.

Met betrekking tot dit verzoek zijn de volgende stukken overgelegd:

een in de Engelse taal gestelde brief van het ministerie van buitenlandse zaken van Rwanda aan de ambassade van het Koninkrijk der Nederlanden te Kigali, Rwanda, gedateerd 22 november 2012, houdende het verzoek deze brief door te sturen aan de bevoegde autoriteiten in Nederland, waarbij is gevoegd:

A. een in de Engelse taal gesteld internationaal arrestatiebevel, file reference number RPGR 1074/GEN/NM/SJB, gedateerd 8 november 2012, houdende een verzoek tot aanhouding en uitlevering van de opgeëiste persoon met het oog op strafvervolging;

het internationaal arrestatiebevel bevat onder andere een inleiding, de historische context van de genocide in Rwanda, informatie over de territoriale en materiële jurisdictie ten aanzien van de beschuldigingen, identiteitsgegevens van de opgeëiste persoon, de beschuldigingen en een uiteenzetting van de feiten (in het arrestatiebevel de factual basis genoemd);

een in de Engelse taal gestelde beschuldiging (indictment) van 8 november 2012 betreffende de opgeëiste persoon met onder meer een overzicht van de misdrijven waarvan de opgeëiste persoon in Rwanda wordt verdacht, de mededeling dat de doodstraf in Rwanda is afgeschaft, garanties met betrekking tot mensenrechten en het recht op een eerlijk proces zoals het recht om (belastende) getuigen te ondervragen en het zwijgrecht, informatie betreffende onafhankelijke en onpartijdige rechtspraak in Rwanda, informatie over mogelijkheden tot hoger beroep, een opsomming van voorgaande uitleveringen aan Rwanda vanuit andere staten en overdracht van zaken aan Rwanda door het ICTR, garanties over detentieomstandigheden en rechtsbijstand;

een proces-verbaal van verhoor van de opgeëiste persoon, opgemaakt op ambtsbelofte op 23 januari 2014 door de officier van justitie mr. T. Berger;

een brief van het landelijk parket van het openbaar ministerie, met als bijlagen de in de Kinyarwanda, Engelse en Franse taal gestelde relevante Rwandese wetgeving, gedateerd 11 februari 2014;

een uittreksel justitiële documentatie betreffende de opgeëiste persoon, gedateerd 27 februari 2014;

een brief van het landelijk parket van het openbaar ministerie met als bijlagen zeven ordners uit het onderzoek Mandorla met opschrift ICTR, PV’s + index, IND ordners I t/m III, documenten afkomstig uit digitaal beslag ordners I en II en documenten afkomstig uit fysiek beslag ordner I gedateerd 3 juni 2014;

een brief van het ministerie van justitie van Rwanda, met bijlagen bevattende informatie betreffende een tweetal mandats d’amener, gedateerd 3 juni 2014;

een brief van mr. R. Heemskerk mede namens mrs. T. Felix en J. Flamme, waarin wordt aangekondigd dat documenten zullen worden aangebracht alsmede dat de opgeëiste persoon mede zal worden bijgestaan door mr. J. Flamme, advocaat te Gent, gedateerd 12 juni 2014;

een brief van mr. R. Heemskerk mede namens mrs. T. Felix en J. Flamme, met als bijlagen stukken met betrekking tot de situatie in Rwanda, een verwijzing naar een vijftal openbare bronnen alsmede een tiental getuigenverklaringen, gedateerd 16 juni 2014;

een brief van mr. R. Heemskerk mede namens mrs. T. Felix en J. Flamme, met als bijlagen vier getuigenverklaringen, [getuige], twee onderzoeksrapporten en een verwijzing naar twee openbare bronnen, gedateerd 20 juni 2014, overgelegd ter zitting van 24 juni 2014.

3 Overige stukken.

Ter zitting van de uitleveringskamer van 6 maart 2014 heeft de verdediging schriftelijke aantekeningen met acht bijlagen overgelegd. Van deze zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Ter zitting van de uitleveringskamer van 23 juni 2014 heeft het openbaar ministerie een schriftelijke samenvatting met een bijlage overgelegd, houdende de opvatting van het openbaar ministerie over de toelaatbaarheid van de uitlevering.

Ter zitting van de uitleveringskamer van 24 juni 2014 heeft de verdediging schriftelijke pleitaantekeningen met 29 bijlagen overgelegd, alsook de bijlagen die reeds bij brief van 20 juni 2014 waren verstuurd.

Ter zitting van de uitleveringskamer van 26 juni 2014 heeft het openbaar ministerie schriftelijke aantekeningen met bijlagen overgelegd, waaronder een reactie van de Metropolitan Police Service omtrent de veiligheidssituatie van [getuige].

Ter zitting van de uitleveringskamer van 27 juni 2014 heeft de verdediging schriftelijke aantekeningen met drie bijlagen overgelegd.

4 Omschrijving van het verzoek.

De rechtbank begrijpt het verzoek aldus dat uitlevering wordt verzocht voor de feiten vermeld in het internationaal arrestatiebevel, zoals hiervoor genoemd onder I.A. Daaruit volgt dat op de opgeëiste persoon de verdenking rust dat hij zich in de periode van 7 april tot 14 juli 1994 schuldig heeft gemaakt aan:

  • -

    Genocide;

  • -

    Complicity in genocide;

  • -

    Conspiracy to commit genocide;

  • -

    Murder as a crime against humanity;

  • -

    Extermination as a crime against humanity;

  • -

    Violation of article 3 common to the Geneva Conventions;

  • -

    Formation, membership, leadership and participation in an association of a criminal gang whose purpose and existence is to do harm to people or their property.

Aan deze verdenking worden door de verzoekende staat de volgende feiten ten grondslag gelegd. De opgeëiste persoon was secretaris-generaal van de Coalition pour la Défense de la République (de CDR-partij). Hij heeft tussen april en juli 1994 samen met andere personen, die al dan niet lid waren van zogenaamde Interahamwe milities, deelgenomen aan de planning, voorbereiding en uitvoering van het doden of zwaar verwonden van Tutsi’s in de commune Nyamirambo, de commune Nyarugenge, de secteur Nyakabanda, Kimisagara, Biryogo en andere delen van Kigali, met het oogmerk om die raciale of etnische groep geheel of gedeeltelijk als zodanig te vernietigen en heeft daarbij gemeenschappelijk artikel 3 van de Geneefse conventies geschonden. In het bijzonder wordt de opgeëiste persoon verdacht van de volgende strafbare feiten:

  • -

    I) Op 8 april 1994 heeft hij een bijeenkomst in zijn woning in de secteur Nyakabanda gehouden, bepaald welke wegversperringen moesten worden bemand en Interahamwe milities ertoe aangezet Tutsi’s op te sporen en te doden;

  • -

    II) Tijdens die bijeenkomst heeft hij met [betrokkene 1] een lijst van Tutsi’s gemaakt die in Nyakabanda woonden en deze aan de Interahamwe milities gegeven. Op deze lijst stonden de namen van onder anderen [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] (een chauffeur), [slachtoffer 3], [slachtoffer 4] en dr. [slachtoffer 5], allen Tutsi’s die door Interahamwe milities zijn opgespoord en gedood;

  • -

    III) Op die bijeenkomst hebben hij en [betrokkene 1] kolonel [betrokkene 2] om wapens gevraagd. Op 11 april 1994 zijn aan hem wapens verstrekt die hij aan Interahamwe milities heeft gegeven en die bij wegversperringen tegen vluchtende Tutsi’s zijn gebruikt;

  • -

    IV) Op 8 april 1994 heeft hij met [betrokkene 1] deelgenomen aan het doden van hun oud-collega [slachtoffer 3], een Tutsi die op hun instructie door [betrokkene 8] werd neergeschoten;

  • -

    V) Hij heeft deelgenomen aan vele aanvallen op Tutsi’s, bijvoorbeeld de aanval achter het kantoor van de secteur Nyakabanda, van waaruit hij een aanval leidde op het huis van [slachtoffer 6] vanwaar drie meisjes werden meegenomen en gedood. Ook is hij geïdentificeerd in een aanval waarbij veel Tutsi’s werden gedood in het huis van een zekere [betrokkene 3] in Nyakabanda II en in kantoren van het Rode Kruis in Nyakabanda;

  • -

    VI) Op 25 mei 1994 overviel hij met anderen gewapend het huis van [betrokkene 4], waarbij niemand werd gedood;

  • -

    VII) Ook heeft hij deelgenomen aan grootschalige moordpartijen in de commune Nyarugenge, de secteurs Nyamirambo, Kimisigara, Biryogo en Nyakabanda en andere delen van Kigali;

  • -

    VIII) Tijdens het regime van [betrokkene 5] en [betrokkene 6] verspreidde hij onder Hutu’s de genocidale ideologie dat Tutsi’s hun gemeenschappelijke vijand waren waardoor de massa tot genocide werd aangezet;

  • -

    IX) Tussen april en juli 1994 is hij doelbewust met de toenmalige politieke partijen, leiders van de Interahamwe en andere civiele en militaire autoriteiten blijven samenwerken, ondanks zijn wetenschap van de voorzienbare gevolgen.

5 Het onderzoek ter zitting.

Ter zitting van 6 maart, 23, 24, 26 en 27 juni 2014 heeft de voorzitter mededeling gedaan van het uitleveringsverzoek alsmede van de inhoud van de hiervoor onder 2. genoemde stukken.

De opgeëiste persoon is ter zitting verschenen en werd bijgestaan door zijn raadslieden

mr. R. Heemskerk, advocaat te ‘s-Gravenhage, mr. T. Felix, advocaat te Amsterdam en

J. Flamme, advocaat te Gent. Hij heeft verklaard dat hij degene is die in het uitleveringsverzoek wordt genoemd, dat hij uitsluitend de Rwandese nationaliteit bezit en dat hij zich tegen de gevraagde uitlevering verzet. Door en namens de opgeëiste persoon is ter zitting verweer gevoerd, waarop hieronder wordt ingegaan.

Het openbaar ministerie heeft in de samenvatting, onder 3. genoemd, als zijn standpunt te kennen gegeven dat de gevraagde uitlevering toelaatbaar is.

6 Beoordeling van de toelaatbaarheid van de gevraagde uitlevering.

6.1

Op het verzoek is toepasselijk:

  • -

    De Uitleveringswet;

  • -

    De WOO;

  • -

    Het Verdrag inzake de voorkoming en de bestraffing van genocide (Trb. 1960, 32) (verder: het Genocideverdrag).

6.2

Ten aanzien van de genoegzaamheid der stukken overweegt de rechtbank allereerst als volgt. Namens de opgeëiste persoon is gesteld dat de stukken met betrekking tot feit 4 -“murder as a crime against humanity” - ongenoegzaam zouden zijn nu niet duidelijk is waar en wanneer de aan de opgeëiste persoon verweten handelingen zouden hebben plaatsgevonden, zodat de rechtbank de uitlevering ten aanzien van dit feit reeds op die grond ontoelaatbaar dient te verklaren.

De rechtbank volgt dit verweer niet. Uit de omschrijving van feit 4 volgt dat het hier om hetzelfde materiële feitencomplex gaat als omschreven in de feiten 1 tot en met 3 alsmede 5 en 6, waarin wel is vermeld waar en wanneer deze feiten zouden zijn begaan. Gelet daarop kan en zal de rechtbank deze plaats- en tijdsbepalingen in het feitencomplex onder feit 4 inlezen, zodat de door de verzoekende partij overgelegde stukken ten aanzien van feit 4 voldoen aan de eisen vervat in artikel 18, derde lid onder b, van de Uitleveringswet.

6.3

Ook voor het overige voldoen de stukken aan artikel 18 van de Uitleveringswet, zij het dat het feitencomplex onder (IX) zodanig vaag is omschreven dat de rechtbank het uitsluitend kan kwalificeren als deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, zoals strafbaar gesteld bij artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht.

De summierheid van de feitelijke omschrijving heeft derhalve tot gevolg dat er geen verdragsbasis bestaat voor uitlevering ten aanzien van het feitencomplex onder (IX) en daarmee feit 7, te weten de “formation, membership, leadership and participation in an association of a criminal gang whose purpose and existence is to do harm to people or their property”. De ontbrekende verdragsbasis moet leiden tot de conclusie dat ten aanzien van dit onderdeel van de verdenking de uitlevering niet toelaatbaar kan worden verklaard. Ten overvloede kan worden opgemerkt dat dit feit in ieder geval naar Nederlands recht is verjaard.

6.4

Voor de overige feitencomplexen, zoals genoemd onder 4., biedt het Genocideverdrag de verdragsbasis nu zonder nader onderzoek duidelijk is dat deze in ieder geval vallen binnen de termen van de volgende in Nederland geldende strafbepalingen:

  • -

    (I tot en met V en VII tot en met VIII) Genocide, strafbaar gesteld bij artikel 3 van de Wet internationale misdrijven.

  • -

    (VI) Poging tot genocide, strafbaar gesteld bij artikel 3 van de Wet internationale misdrijven juncto artikel 45 van het Wetboek van Strafrecht.

6.5

Naar Rwandees recht zijn deze feiten strafbaar gesteld met een gevangenisstraf van meer dan een jaar. De feiten zijn volgens de Nederlandse wetsbepalingen eveneens strafbaar gesteld met een vrijheidsstraf van meer dan een jaar.

6.6

Ter zitting is namens de opgeëiste persoon het verweer gevoerd dat bij uitlevering voor genocide het legaliteitsbeginsel zal worden geschonden, omdat genocide in 1994 nog niet strafbaar was in Rwanda. De rechtbank verwerpt dit verweer. Volgens vaste jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens wordt dit beginsel niet geschonden als sprake is van bestraffing voor een misdrijf dat ten tijde van het plegen strafbaar was naar internationaal recht.1 Niet alleen is Rwanda op 16 april 1975 toegetreden tot het Genocideverdrag, maar genocide was reeds daaraan voorafgaand volgens vaste jurisprudentie strafbaar naar het internationaal gewoonterecht.2

6.7

Namens de opgeëiste persoon is voorts aangevoerd dat er geen geplande genocide en overigens in het geheel geen genocide in juridische zin heeft plaatsgevonden in Rwanda in 1994. In vaste rechtspraak van onder meer het ICTR, Nederlandse en buitenlandse rechterlijke colleges is bij herhaling – ook recent nog - vastgesteld dat zich in 1994 in Rwanda een genocide in feitelijke en juridische zin heeft voltrokken.3 Het betreft hier dan ook een feit van algemene bekendheid. Naar het oordeel van de rechtbank is de vraag of er sprake was van (het plannen van de) genocide voorafgaand aan 6 april 1994 niet relevant voor de beoordeling van het uitleveringsverzoek, nu dat ziet op gedragingen in de periode van 7 april 1994 tot en met 14 juli 1994, waarvan algemeen als vaststaand wordt aangenomen dat de genocide in ieder geval toen was aangevangen.

6.8

De verdediging heeft in aansluiting op het vorenstaande betoogd dat – nu er geen geplande genocide noch een genocide in juridische zin heeft plaatsgevonden – onverwijld is aangetoond dat de opgeëiste persoon onschuldig is. Nu de rechtbank de verdediging niet volgt in haar zienswijze met betrekking tot de genocide in Rwanda, kan dit verweer alleen maar worden verworpen.

6.9.1

Daarnaast is namens de opgeëiste persoon meer feitelijk gesteld dat zijn onschuld (ook) onverwijld blijkt uit het feit dat hij op het moment van de hem verweten misdrijven niet meer in zijn woning in Nyakabanda was, maar elders in Kigali dan wel Rwanda.

6.9.2

Vooropgesteld moet worden dat een onschuldbewering volgens vaste jurisprudentie alleen op gaat indien de rechtbank onverwijld - dat wil zeggen zonder diepgaand onderzoek vergelijkbaar met dat in het strafgeding zelf - tot de overtuiging komt dat er geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld. Dit houdt in dat de opgeëiste persoon moet aantonen dat de door de verzoekende Staat geformuleerde verdenking op een misslag berust. Een dergelijke bewering dient hij aanstonds te kunnen staven met bewijsmateriaal. Daarbij moet met name worden gedacht aan het verweer dat de opgeëiste persoon de feiten niet kán hebben begaan, omdat hij bijvoorbeeld een onbetwistbaar alibi heeft of sprake is van een aantoonbare persoonsverwisseling.

6.9.3

De door de opgeëiste persoon overgelegde getuigenverklaringen, voor zover inhoudende dat hij begin april 1994 al uit de wijk vertrokken was, waarbij zij opgemerkt dat de opgeëiste persoon daar zelf wisselend over heeft verklaard bij de IND, sluiten zijn betrokkenheid bij de hem verweten feiten echter niet zonder meer uit, reeds omdat hem mede deelneming aan en samenspanning tot genocide wordt verweten, waarvoor geen lijfelijke aanwezigheid is vereist. Nog daargelaten dat de bedoelde getuigenverklaringen, met inbegrip van het door [betrokkene 9] verrichte onderzoek, niet zonder meer uitsluiten dat de opgeëiste persoon de feiten waarvoor uitlevering is verzocht kan hebben gepleegd, een onderzoek naar de mogelijke betrouwbaarheid van die verklaringen overstijgt de taak van deze uitleveringskamer. Dit betekent dat de rechtbank tot de conclusie komt dat de opgeëiste persoon niet onverwijld heeft aangetoond dat hij onschuldig is aan hetgeen de verzoekende staat hem verwijt..

6.9.4

Voorzover de verdediging nog een voorwaardelijk verzoek tot aanhouding heeft gedaan om ter onderbouwing van de onschuld van de opgeëiste persoon nader inhoudelijk contact te kunnen hebben met [betrokkene 9], geldt het volgende. De rechtbank begrijpt dit verzoek aldus dat het is gedaan voor het geval de rechtbank de overgelegde stukken onvoldoende zou achten om tot de conclusie te kunnen komen dat de onverwijlde onschuld van de opgeëiste persoon is komen vast te staan. De rechtbank wijst dit voorwaardelijk gedane verzoek af, onder verwijzing naar hetgeen reeds hiervoor onder 6.9.2 is overwogen met betrekking tot de onschuldbewering in het kader van uitleveringszaken.

6.10.1

Namens de opgeëiste persoon is betoogd dat wegens het ontbreken van een bilateraal uitleveringsverdrag tussen Rwanda en Nederland en het ontbreken van de bescherming van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) niet mag worden uitgegaan van de gelding van het vertrouwensbeginsel in de onderhavige uitleveringsprocedure. Dit zou met zich meebrengen dat de rechtbank ten volle moet toetsen of de opgeëiste persoon in Rwanda een eerlijk proces zal krijgen.

6.10.2

De rechtbank wijst bij de beoordeling van het verweer allereerst op HR 17 juni 2014, ECLI:NL:2014:1441. De Hoge Raad heeft in die zaak kort gezegd bepaald dat, gelet op de in het door Rwanda gedane uitleveringsverzoek gegeven garanties – waarin de rechtbank een voldoende waarborg had gezien dat de opgeëiste persoon in Rwanda een eerlijk proces zal krijgen -, de enkele omstandigheid dat het recht op een eerlijk proces niet is vastgelegd in een uitleveringsverdrag het vertrouwensbeginsel niet zonder meer buiten werking stelt. Verder heeft de Hoge Raad in dat arrest herhaald dat de rechter op grond van zijn toetsing aan artikel 6 EVRM de uitlevering slechts ontoelaatbaar kan verklaren indien blijkt dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zou worden blootgesteld aan een zodanig risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge artikel 6 EVRM toekomend recht, dat de ingevolge artikel 1 EVRM op Nederland rustende verplichting om dat recht te verzekeren, in de weg staat aan de uit het toepasselijke verdrag voortvloeiende verplichting tot uitlevering. Het toepasselijke verdrag was in voornoemde zaak - gelijk in onderhavige zaak - het Genocideverdrag.

6.10.3

Op de onderhavige zaak is verder eveneens de Transfer Law van toepassing, die overgedragen zaken met de nodige waarborgen omkleedt. Ten gevolge van het vertrouwensbeginsel moet de rechtbank ervan uitgaan dat de verzoekende staat – Rwanda – de in het uitleveringsverzoek gegeven garanties die een eerlijk proces tegen de opgeëiste persoon moeten waarborgen, zal naleven. Die garanties, weergegeven in het uitleveringsverzoek onder “Fair Trial Guarantees”, zijn gelijkluidend aan de garanties gegeven in de zaak die heeft geleid tot voornoemd arrest van de Hoge Raad. Ook in de onderhavige zaak ziet de rechtbank in die garanties in zijn algemeenheid een voldoende waarborg voor een eerlijk proces.

6.11.1

Dit kan slechts anders komen te liggen indien er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat de verzoekende staat de op hem rustende verplichtingen in het onderhavige geval niet naar behoren zal nakomen. Een daarop gestoeld verweer moet voldoende concreet onderbouwd zijn. De verdediging heeft in dat kader aangevoerd dat de opgeëiste persoon - ondanks de door Rwanda gegeven garanties - door zijn uitlevering zal worden blootgesteld aan een flagrante inbreuk op de hem toekomende rechten uit artikel 6 EVRM. Dit risico is onderbouwd met de argumenten dat a) de algemene mensenrechtensituatie in Rwanda een eerlijk proces onmogelijk maakt, b) vervolging zou neerkomen op een politiek proces, c) er sprake is van een gefabriceerde verdenking tegen de opgeëiste persoon, d) het legaliteitsbeginsel zal worden geschonden en e) er geen mogelijkheid is voor de opgeëiste persoon om zich te laten bijstaan door een onafhankelijk raadsman.

6.11.2

Naar het oordeel van de rechtbank is namens de opgeëiste persoon echter onvoldoende onderbouwd op welke manier de algemene mensenrechtensituatie in Rwanda in deze specifieke zaak zal leiden tot een dreigende flagrante schending van artikel 6 EVRM. De rechtbank ziet daarbij niet in hoe bijvoorbeeld de gestelde bedreiging jegens [getuige] kan leiden tot de conclusie dat de opgeëiste persoon geen eerlijk proces zou kunnen krijgen, ook vanwege het feit dat zulke bedreigingen nooit zijn geuit aan zijn adres. Reeds daarom wijst de rechtbank het verzoek tot voorwaardelijke aanhouding, voor zover deze is verzocht om nader onderzoek te kunnen doen naar de bedreiging van [getuige], af.

6.11.3

De rechtbank ziet voorts geen aanleiding om te veronderstellen dat de opgeëiste persoon een politiek doelwit is en daarmee moet vrezen voor een politieke vervolging. In de IND verhoren, verklaringen van de opgeëiste persoon en diens activiteiten binnen FEDERMO, het verstrekken van nieuwe paspoorten door het Rwandese regime en het tijdstip van het uitleveringsverzoek ziet de rechtbank geen aanwijzingen voor een gefabriceerde verdenking tegen de opgeëiste persoon. Daar komt bij dat het uitleveringsverzoek niet ziet op politieke delicten, zodat de opgeëiste persoon daar ook niet voor zal worden uitgeleverd en kunnen worden vervolgd.

6.11.4

Nu de rechtbank hiervoor reeds heeft overwogen dat het legaliteitsbeginsel niet zal worden geschonden bij uitlevering van de opgeëiste persoon, biedt dit verweer geen grond om een dreigende flagrante schending van artikel 6 EVRM aan te kunnen nemen.

6.11.5

Hoewel de rechtbank het, gelijk de verdediging, aannemelijk acht dat binnen de Rwandese samenleving negatieve reacties voorkomen ten opzichte van advocaten die genocideverdachten verdedigen, ziet zij daarin nog geen reden om aan te nemen dat dit in deze concrete zaak zal leiden tot de onmogelijkheid voor de opgeëiste persoon om zich te laten verdedigen door een professionele advocaat. De Transfer Law biedt immuniteit voor de uitlatingen van raadslieden. De Special Enclosure zal zodanig worden verbouwd dat er ruimtes zullen komen voor het vertrouwelijke overleg tussen verdachten en hun raadslieden.

De rechtbank acht het proces in de zaken Uwinkindi en Munyagishari relevant voor de onderhavige zaak. De Transfer Law is in die zaken immers ook van toepassing en de verdenking betreft eveneens betrokkenheid bij de genocide in 1994. De rechtbank heeft in de waarnemingsrapporten van het Mechanism for International Criminal Tribunals voor de zaken Uwinkindi en Muyagishari gezien dat sprake is geweest van enkele obstakels voor het recht op een eerlijk proces, zoals het recht op gefinancierde rechtsbijstand. Hoewel de kostenvergoeding niet altijd adequaat wordt uitgekeerd, is naar het oordeel van de rechtbank niet op voorhand de conclusie gerechtvaardigd dat er in die zaken sprake is van een flagrante inbreuk op het recht op een eerlijk proces. Er is immers wel degelijk geld uitgekeerd aan de raadslieden en rechtsbijstand als zodanig is beschikbaar. Dit betekent dat het procesverloop in de zaken Uwinkindi en Munyagishari evenmin de conclusie wettigt dat in de onderhavige zaak sprake zou zijn van een ernstig risico op een dergelijke schending. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de onder a) tot en met e) genoemde argumenten noch op zichzelf, noch in samenhang bezien, leiden tot het oordeel dat er sprake is van een dreigende flagrante schending van artikel 6 EVRM.

6.12

Namens de opgeëiste persoon is ter zitting aangevoerd dat hij door zijn uitlevering zal worden blootgesteld aan het risico van foltering. De verzochte uitlevering zou daarom volgens de verdediging geweigerd moeten worden op grond van artikel 3 EVRM en artikel 3 van het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke en onterende behandeling of bestraffing. Het is aan de Minister van Veiligheid en Justitie en niet aan de rechtbank zich een oordeel te vormen over een eventueel dreigend risico van foltering. De rechtbank komt in dit kader slechts een oordeel toe omtrent de vraag of sprake is van een reeds voltooide schending van deze bepalingen in verband met de feiten waarvoor uitlevering is gevraagd. Dat daarvan in dit geval sprake zou zijn is niet aangevoerd.

6.13

Ook de verweren met betrekking tot schending van artikel 10 van de Uitleveringswet dan wel dreigende schending van artikel 6 EVRM en artikel 8 EVRM staan ter beoordeling aan de Minister van Veiligheid en Justitie.

6.14

Door of namens de opgeëiste persoon is ter zitting voor het overige niets van zodanige strekking naar voren gebracht, dat de rechtbank daarin een beletsel voor de toelaatbaarheid van de gevraagde uitlevering zou moeten zien, terwijl de rechtbank ook ambtshalve niet van zodanig beletsel is gebleken.

7 De toepasselijke verdrags- en wetsartikelen.

Behalve de reeds genoemde artikelen zijn van toepassing de artikelen:

  • -

    artikel 57 van het Wetboek van Strafrecht;

  • -

    artikel 12 van de Uitleveringswet;

  • -

    de artikelen 1 lid 2 sub a en 2 van de WOO;

  • -

    de artikelen II, III en VII van het Genocideverdrag.

Beslissing.

De rechtbank,

- verklaart ontoelaatbaar de uitlevering aan de Republiek Rwanda van [opgeëiste persoon] voornoemd ter fine van strafvervolging ter zake van het hiervoor onder 4. genoemde feitencomplex IX, zoals omschreven in de hiervoor onder 2. aangeduide documenten onder Count 7;

- verklaart toelaatbaar de uitlevering aan de Republiek Rwanda van [opgeëiste persoon] voornoemd ter fine van strafvervolging ter zake van de onder 4. genoemde feitencomplexen I tot en met VIII, zoals omschreven in de hiervoor onder 2. aangeduide documenten onder Count 1 tot en met 6.

Deze uitspraak is gewezen door

mr. Renckens, voorzitter,

mrs. Van As en Meessen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Van Zeeland, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 11 juli 2014.

1 ECHR, Šimšić v. Bosnia and Herzegovina, 10 April 2012, Application No. 51552/10 (para. 23)en ECHR, Maktouf and Damjanović v. Bosnia and Herzegovina, 18 July 2013, Application Nos.2312/08 and 34179/08 (para. 55)

2 ICJ, Reservations to the Convention on the Prevention and Punishment of Genocide, Advisory Opinion, 28 May 1951, 1951 ICJ Reports p. 23; ICTR, Prosecutor v. Kayishema and Ruzindana, Trial Chamber Judgement, 21 May 1999, Case No. ICTR-95-1-T (para. 88); ICTY, Prosecutor v. Jelisić, Trial Chamber Judgement, 14 December 1999, Case No. IT-95-10-T (para. 60); ICTY, Prosecutor v. Krstić, Trial Chamber Judgement, 2 August 2001, Case No. IT-98-33-T (para. 541)

3 ICTR, Prosecutor v. Akayesu, Trial Chamber Judgement, 2 September 1998, Case No. ICTR-96-4-T; ICTR, Prosecutor v. Bizimungu, Appeals Chamber Judgement, 30 June 2014, Case No. ICTR-00-56B-A