Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:8482

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-07-2014
Datum publicatie
11-07-2014
Zaaknummer
14-809
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kinderpardon

Overgangsregeling langdurig in Nederland verblijvende kinderen

Peildatum overgangsregeling en eis van vijf jaar verblijf in Nederland

Herhaalde asielaanvraag na terugkeer in Nederland

Aantoonbaar verlaten EU

Terugkeer naar land van herkomst

4:84 Algemene wet bestuursrecht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 14/809

V-nummers: [nummers]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 10 juli 2014 in de zaak tussen

1. [naam 1], eiser,

2. [naam 2], eiser,

3. [naam 3], eiseres,

4. [naam 4], eiseres,

gezamenlijk: eisers

gemachtigde: mr. G.H.P. van Buren,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie (en diens rechtsvoorgangers), verweerder,

gemachtigde: mr. J.C.O. Stiphout.

Procesverloop

Eisers hebben op 10 januari 2014 beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 17 december 2013 (het bestreden besluit).

De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 24 april 2014. Eiser sub 1, eiseres sub 3 en eiseres sub 4 zijn ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig F. Farid, tolk in de Azeri taal. Ter zitting is het onderzoek gesloten. De rechtbank heeft de termijn voor het doen van de uitspraak eenmaal verlengd.

Overwegingen

1.

Eisers stellen te zijn geboren op respectievelijk [geboortedag 1] 1995, [geboortedag 2] 1950, [geboortedag 3]1964 en [geboortedag 4] 1993 en de Azerbeidzjaanse nationaliteit te bezitten.

2.

Eisers hebben op 1 september 1998 asielaanvragen ingediend. De op 28 november 2001 gedateerde afwijzing van deze aanvragen is in rechte komen vast te staan met de uitspraak van deze rechtbank, zittinghoudende te Utrecht, van 6 mei 2003 (AWB 02/2704). Eisers zijn vervolgens op 5 oktober 2004 vrijwillig teruggekeerd naar Azerbeidzjan via het vertrekprogramma van de Internationale Organisatie voor Migratie (hierna: IOM).

2.1.

Eisers hebben op 23 juli 2009 (opnieuw) asielaanvragen ingediend. Deze aanvragen zijn bij besluiten van 12 maart 2010 afgewezen. Het hiertegen ingestelde beroep is door deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem, bij uitspraak van 20 mei 2011 (AWB 10/13684, AWB 10/13685 en AWB 10/13687) ongegrond verklaard. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) heeft bij uitspraak van 25 april 2012 (201106692/1/V1) het daartegen ingestelde hoger beroep kennelijk ongegrond verklaard.

2.2.

Op 25 oktober 2011 hebben eisers opnieuw asielaanvragen ingediend. Deze aanvragen zijn bij besluiten van 25 mei 2012 afgewezen. Het hiertegen ingestelde beroep is door deze rechtbank en zittingsplaats bij uitspraak van 24 april 2014 (AWB 12/17500, 12/17502, 12/17504 en 12/17507) ongegrond verklaard. Hiertegen is hoger beroep ingesteld bij de Afdeling.

2.3.

Bij aanvullende besluiten van respectievelijk 10 oktober 2013 en 25 november 2013 is op grond van de medische situatie van eiser sub 2 aan het hele gezin uitstel van vertrek verleend op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) van 24 september 2013 tot en met 24 september 2014.

3.

Op 16 april 2013 hebben eisers een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in het kader van de ‘overgangsregeling langdurig in Nederland verblijvende kinderen’ (hierna: de overgangsregeling). Verweerder heeft eiser sub 1 als hoofdpersoon aangemerkt. Deze aanvraag is op 17 juli 2013 afgewezen omdat eiser sub 1 niet voldoet aan de voorwaarden, niet in het bezit is van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en niet in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste.

4.

Bij het bestreden besluit is het bezwaar van eisers daartegen ongegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder overwogen dat, omdat eisers uitstel van vertrek hebben gekregen op grond van artikel 64 van de Vw 2000, de aanvraag wordt afgewezen op grond van artikel 16, eerste lid, onder g, van de Vw 2000. Eisers voldoen niet aan de beperking waarvoor zij willen verblijven. Eisers hebben na hun eerste asielaanvraag de Europese Unie op 5 oktober 2004 aantoonbaar verlaten en hebben, vier jaar en acht maanden later, op 23 juli 2009 een nieuwe asielaanvraag ingediend. Verweerder is daarom bij de toetsing aan de overgangsregeling uitgegaan van de tweede asielaanvraag. Eiser sub 1 voldoet niet aan de voorwaarde onder b dat hij op de startdatum van de peilperiode - 29 oktober 2012 - tenminste vijf jaar voor het bereiken van de leeftijd van 18 jaar een asielaanvraag heeft ingediend en na die aanvraag tenminste vijf jaar in Nederland heeft verbleven, aldus verweerder. Er bestaat geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). De weigering om aan eisers verblijf hier te lande toe te staan betekent geen schending van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM).

5.

Eisers hebben gesteld dat het feit dat zij bijna vijf jaar in Azerbeidzjan hebben verbleven niet afdoet aan feit dat vast staat dat zij in het totaal gedurende meer dan negen jaar in Nederland hebben verbleven. Eisers zijn van mening dat zij tot de doelgroep behoren waarvoor de overgangsregeling geldt. Daarnaast beroepen eisers zich op artikel 4:84 van de Awb. Volgens eisers dient verweerder in dit geval af te wijken van de peilperiode omdat eiser 1 voldoet aan de “achtergrondgedachte” van de overgangsregeling. Eisers hebben zich verder beroepen op artikel 8 van het EVRM.

6.

Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het bestreden besluit rechtens juist is.

De rechtbank overweegt als volgt.

7.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw 2000 kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd worden afgewezen indien de vreemdeling niet voldoet aan de beperking, verband houdend met het doel waarvoor hij wil verblijven.

Volgens paragraaf 3.1 van Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire (WBV) 2013/1, de zogeheten “overgangsregeling langdurig in Nederland verblijvende kinderen”, verleent verweerder een vergunning aan de vreemdeling die in het kader van de regeling als hoofdpersoon kan worden beschouwd:

a. die jonger is dan 21 jaar op de startdatum van de peilperiode (29 oktober 2012);

b. die zelf, dan wel ten behoeve van wie, op de startdatum van de peilperiode tenminste vijf jaar voor het bereiken van de leeftijd van 18 jaar een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft, dan wel is, ingediend bij de IND en na die aanvraag tenminste vijf jaar in Nederland heeft verbleven;

c. die zich gedurende de periode van verblijf in Nederland niet langer dan een aaneengesloten periode van drie maanden heeft onttrokken aan het toezicht van IND, DT&V, COA of de Vreemdelingenpolitie (in het kader van de meldplicht), of in het geval van alleenstaande minderjarige vreemdelingen, van voogdij-instelling Nidos; én

d. die, voor zover van toepassing, vooraf schriftelijk heeft aangegeven dat hij zijn lopende procedures onvoorwaardelijk intrekt bij verblijfsverlening op grond van de regeling

Volgens paragraaf 3.2 van WBV 2013/1 verleent de IND de vergunning niet als bij de hoofdpersoon of een gezinslid sprake is van de volgende contra-indicaties, zoals die ten tijde van de beoordeling van de aanvraag geconstateerd worden:

(...)

e. de vreemdeling heeft de Europese Unie aantoonbaar verlaten.

De IND beschouwt in het kader van deze regeling de landen Zwitserland, Noorwegen, IJsland en Liechtenstein als landen die deel uitmaken van de Europese Unie.

Aantoonbaar vertrek buiten de Europese Unie wordt altijd tegengeworpen, ook als dit plaatsvond voor 27 juli 2010. De duur van het verblijf buiten de Europese Unie is hierbij niet van belang. Uitsluitend in het geval dat de vreemdeling in het bezit van een terugkeervisum is vertrokken, wordt deze contra-indicatie niet tegengeworpen.

Indien de gezinsband is verbroken, beschouwt de IND dit niet als een contra-indicatie ten aanzien van overige gezinsleden.

In de toelichting bij het beleid, neergelegd in WBV 2013/1, is het volgende opgenomen over het doel en de achtergrond van de regeling:

“Er zijn kinderen die al vele jaren in Nederland verblijven, zonder uitzicht op een verblijfsvergunning. De lange duur van het verblijf is te wijten aan procedures die in het verleden soms lang duurden, het niet meewerken aan het vertrek en het stapelen van procedures door ouders, of een combinatie van deze factoren. Om te voorkomen dat deze jongeren hiervan de dupe worden, is door het kabinet besloten een definitieve regeling en een overgangsregeling te treffen op grond waarvan deze jongeren, onder bepaalde voorwaarden, alsnog in aanmerking kunnen komen voor een verblijfsvergunning.

De overgangsregeling biedt duidelijkheid aan kinderen met een asielachtergrond, die reeds langdurig in Nederland verblijven.”

8.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder heeft mogen uitgaan van de tweede asielaanvraag. Verweerder heeft in het bestreden besluit en ter zitting uiteengezet dat indien na aantoonbaar vertrek en terugkeer naar het land van herkomst opnieuw een asielaanvraag wordt gedaan ‘de teller opnieuw begint te lopen’. De rechtbank komt deze uitleg van het beleid niet onredelijk voor. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder bij de toetsing aan voorwaarde b heeft mogen uitgaan van de asielaanvraag die is ingediend na terugkeer naar Nederland. Niet in geschil is dat eiser sub 1 in dat geval niet voldoet aan de overgangsregeling.

9.

Voor zover eiser sub 1 heeft willen opkomen tegen het besluit van verweerder om geen toepassing te geven aan artikel 4:84 van de Awb overweegt de rechtbank als volgt.

Met de overgangsregeling is beleid vastgesteld dat slechts op een beperkte categorie vreemdelingen van toepassing is verklaard. Daarbij geldt dat verweerder bij het vaststellen van dergelijk beleid een grote mate van vrijheid toekomt ten aanzien van de bepaling welke (groepen van) personen daaronder vallen en welke toelatingseisen op hen van toepassing zijn. Inherent aan het ontwikkelen en uitvoeren van beleid is dat er gevallen zijn die niet aan de voorwaarden voldoen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder op goede gronden geen aanleiding heeft gezien om gebruik te maken van de inherente afwijkingsbevoegdheid. Deze bevoegdheid is immers bedoeld om af te wijken in situaties die de beleidsmaker niet heeft (kunnen) voorzien bij de vaststelling van zijn beleid. Dat de situatie van eiser sub 1 niet is voorzien in het beleid, is de rechtbank niet gebleken. Bovendien verschilt de situatie van eiser sub 1 niet van die van andere jonge vreemdelingen die net als hij reeds enige jaren in Nederland verblijven, naar school gaan en niet in het bezit zijn van een asielvergunning. Verder vallen de medische problemen van eiser sub 2 buiten het bereik van de overgangsregeling. Gelet hierop heeft verweerder kunnen afzien van het toepassen van artikel 4:84 van de Awb.

10.

Met betrekking tot het beroep op het privéleven zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM is de rechtbank van oordeel dat verweerder, anders dan in beroep is gesteld, van belang heeft mogen achten dat eisers nimmer rechtmatig verblijf hebben gehad op grond van artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, van de Vw 2000. In dit licht heeft verweerder de omstandigheid dat eisers hier sinds lange tijd verblijven en banden hebben opgebouwd, mede in het licht van het arrest Nnyanzi tegen het Verenigd Koninkrijk van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 8 april 2008 (ECLI:NL:XX:2008:BD2066), onvoldoende mogen achten om te concluderen dat het weigeren van de gevraagde verblijfsvergunning in strijd is met artikel 8 van het EVRM.

11.

Voor zover eisers zich hebben beroepen op het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM, slaagt deze grond evenmin. Er is familie- en gezinsleven maar van inmenging in het recht op eerbiediging daarvan is geen sprake, omdat eisers nimmer rechtmatig verblijf hebben gehad op grond van artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, van de Vw 2000. Verder is niet gebleken van een objectieve belemmering om het gezinsleven in Azerbeidzjan uit te oefenen. De ouders hebben een groot deel van hun leven in het land van herkomst doorgebracht en de kinderen hebben ook een deel van hun jeugd in Azerbeidzjan doorgebracht, zodat zij in staat moeten worden geacht om zich aan het leven in Azerbeidzjan aan te passen. Daarbij komt dat alle asielaanvragen van eisers zijn afgewezen.

12.

Het beroep is ongegrond.

13.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Ente, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J.A.B. Koens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2014.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.