Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:8409

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-07-2014
Datum publicatie
10-07-2014
Zaaknummer
C/09/466419 / KG ZA 14-607
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

De Staat moet meewerken aan onbegeleid verlof van de man die in 1984 tot levenslang werd veroordeeld wegens een schietpartij in café ’t Koetsiertje in Delft, waarbij zes doden vielen. De Staat heeft in 2001 in het geval van deze tot levenslang veroordeelde man zelf verzocht om tbs-behandeling, waarbij onbegeleid verlof een gebruikelijke stap is als de behandeling positief verloopt. De voorzieningenrechter vindt dat de Staatssecretaris bij zijn laatste weigering van onbegeleid verlof (van 20 mei 2014) geen (goede) belangenafweging heeft gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Ars Aequi AA20150312 met annotatie van G. de Jonge
NJFS 2014/226

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team Handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/466419 / KG ZA 14-607

Vonnis in kort geding van 10 juli 2014

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. R.J. Wybenga te Rotterdam,

tegen:

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

(ministerie van Veiligheid en Justitie),

zetelend te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. C.M. Bitter te Den Haag.

Partijen zullen hierna worden aangeduid als '[eiser]' en 'de Staat'.

1 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 1 juli 2014 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1.

Bij op 1 juli 1985 onherroepelijk geworden arrest van het gerechtshof Den Haag van 14 oktober 1984 is [eiser] veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf wegens een schietpartij in café "Het Koetsiertje" in Delft op 5 april 1983, waarbij zes doden vielen en enkele gewonden. [eiser] is sinds 7 april 1983 gedetineerd.

1.2.

Een op 11 maart 1998 ingediend gratieverzoek is aanleiding geweest voor een onderzoek naar [eiser] en een advies hem te laten opnemen in een tbs-kliniek. Overleg tussen de toenmalige minister van justitie (hierna 'de Minister') en het Forensisch Psychiatrisch Centrum Dr. Henri van der Hoevenkliniek (hierna 'de kliniek') heeft geleid tot een memo van de Staat van 9 juli 2001. Voor zover hier van belang vermeldt het memo:

"De(...) kliniek is bereid tot opname, mits er op voorhand duidelijkheid wordt geboden over de haalbaarheid van een resocialisatietraject in relatie met het omzetten van de levenslange gevangenisstraf in een eindige gevangenisstraf middels gratie.

(...)

Het gegeven dat betrokkene levenslang gestraft is, mag niet leiden tot een aparte status binnen de kliniek. Betrokkene zal worden beschouwd als een patiënt die recht heeft op het behandelingsbeleid dat in de kliniek geldt voor TBS-patiënten. Dat kan op termijn betekenen dat er een verlofbeleid op gang komt. De heer Martini (voorzieningenrechter: de - toenmalige - directeur sectordirectie TBS) zal deze optie in de lijn toetsen: voorkomen dient te worden dat rond het moment dat vanuit de behandelingsoptiek een verlofbeleid verantwoord wordt geacht, dit beleid wordt afgeremd vanuit bestuurlijke en / of politieke redenen.

Afspraken rond beëindiging van de behandeling

Algemene behandelingsstrategie van de kliniek is behandeling met het oog op verantwoorde terugkeer in de samenleving. De kliniek heeft geen "bewaarfunctie".

Wanneer mocht blijken dat behandeling - om wat voor redenen dan ook - onvoldoende doel treft, zal terugplaatsing naar het gevangeniswezen onvermijdelijk zijn.

(...)

Horizonbepaling gratieprocedure

Uitgaande van de optie dat behandeling succesvol verloopt en er sprake is van een gunstige prognose voor wat de terugkeer in de samenleving betreft, is tijdige indiening van een gratieverzoek een belangrijk punt van aandacht."

1.3.

Op 20 juli 2001 heeft de Minister aan [eiser] bericht dat [eiser] op basis van artikel 13 van het Wetboek van Strafrecht ('Sr'), juncto artikel 41 van de Penitentiaire maatregel, wordt geplaatst in een tbs-inrichting. Bij deze mededeling is gevoegd een afschrift van de brief van eveneens 20 juli 2001 van de Minister aan de kliniek, waarin om plaatsing in de kliniek wordt verzocht op basis van "de afspraken" in het memo van 2001. Vervolgens is [eiser] op 31 augustus 2001 opgenomen in de kliniek.

1.4.

Op 13 september 2002 is voor [eiser] een machtiging begeleid verlof afgegeven.

1.5.

In april 2005 is het 'verlofbeleid' van de Staat gewijzigd. In het hernieuwde toetsingskader wordt - anders dan in het voordien geldende beleid - als uitgangspunt gehanteerd dat in geval van levenslange detentievormen geen verlofmachtiging wordt verstrekt, tenzij gratieverlening wordt overwogen.

1.6.

In juni 2006 heeft de kliniek ten behoeve van [eiser] (voor het eerst) een machtiging onbegeleid verlof aangevraagd bij de Minister. Deze heeft besloten daarmee niet akkoord te gaan, hetgeen is verwoord in een brief aan de kliniek van 2 oktober 2006.

1.7.

In 2007 is het 'verlofbeleid' andermaal aangescherpt. Sindsdien wordt als uitgangspunt gehanteerd dat in gevallen van levenslange detentie verlof niet mogelijk is, behoudens incidentele afwezigheid op humanitaire gronden.

1.8.

In een nota van 13 februari 2007 heeft de Minister kenbaar gemaakt dat hij in verband met het aangescherpte verlofbeleid voornemens is [eiser] terug te plaatsen naar het gevangeniswezen.

1.9.

Bij brief van 24 augustus 2007 heeft de staatssecretaris van Justitie (hierna 'de Staatssecretaris', waarmee in het navolgende ook een latere staatssecretaris wordt aangeduid, alsmede de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie) aan de kliniek medegedeeld dat de kliniek op dat moment niet gemachtigd was [eiser] (begeleid) verlof te verlenen. De Staatssecretaris heeft daarbij aangegeven dat, indien er sprake mocht zijn van een machtiging tot begeleid verlof, deze machtiging per direct wordt ingetrokken. Tegen deze beslissing heeft [eiser] beroep ingesteld bij de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (hierna 'RSJ'). Bij uitspraak van 31 maart 2008 heeft de RSJ het beroep van [eiser] gegrond verklaard. Daartoe heeft de RSJ overwogen:

"In het verlofbeleid dat gold tot de inwerkingtreding op 1 juli 2007 van het huidige verloftoetsingskader, bestond de mogelijkheid om levenslanggestraften waarbij gratieverlening wordt overwogen, resocialisatieverlof te verlenen.

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting komt de beroepscommissie tot het oordeel dat de bestreden beslissing uitsluitend is gebaseerd op veranderde inzichten ten aanzien van het verlofbeleid in het algemeen en niet op de bijzonderheden van het onderhavige individuele geval. Bij deze beslissing is niet betrokken dat klagers begeleide verloven al een aantal jaren zonder problemen zijn verlopen. Uit de verklaringen van de Staatssecretaris, noch uit die van klager komt naar voren dat er door toedoen van klager zelf enige aanleiding is ontstaan om de machtiging in te trekken. Dit alles klemt des te meer nu in het Memo van 2001, waarin uitdrukkelijk is vastgelegd dat voorkomen dient te worden dat het verlofbeleid ten aanzien van klager wordt afgeremd vanuit bestuurlijke en/of politieke redenen, verwachtingen zijn gewekt voor een resocialisatie traject.

Het hiervoor overwogene in aanmerking genomen moet tot de slotsom leiden dat de beslissing tot intrekking van de machtiging tot begeleid verlof als onredelijk en onbillijk moet worden aangemerkt."

1.10.

Intussen had [eiser] een kort geding aanhangig gemaakt tegen de Staat, waarin hij vorderde om een machtiging onbegeleid verlof te verlenen, dan wel hem te behandelen als ware zo'n machtiging verleend. Bij vonnis van 2 oktober 2007 heeft de voorzieningenrechter [eiser] niet ontvankelijk verklaard in die vorderingen. Tegen dat vonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld.

1.11.

Op 16 oktober 2009 is ter zake van de onder 1.1 vermelde delicten een rapport uitgebracht naar aanleiding van een slachtofferonderzoek, uitgevoerd door de Dienst Justitiële Inrichtingen.

1.12.

Op 27 november 2009 heeft de Staatssecretaris de machtiging tot het verlenen van begeleid verlof van 13 september 2002 ingetrokken. Bij uitspraak van 12 juli 2010 heeft de RSJ het tegen die beslissing door [eiser] ingestelde beroep gegrond verklaard. Daarbij heeft de RSJ, voor zover relevant, het volgende overwogen:

"Ter beantwoording van de vraag of de intrekking van de verlofmachtiging als onredelijk of onbillijk is aan te merken, zal de beroepscommissie moeten beoordelen of de resultaten van het in 2009 gehouden slachtofferonderzoek kunnen worden beschouwd als feiten of omstandigheden waardoor, indien deze ten tijde van het verlenen van de machtiging bekend waren geweest, de machtiging niet of niet in deze vorm zou zijn verleend.

(...)

Hier lijkt zich de situatie zich voor te doen waar alle betrokken partijen, inclusief het ministerie van Justitie, zich blijkens het verslag van 9 juli 2001 uitdrukkelijk van bewust moeten zijn geweest en die voor de Minister van Justitie desondanks geen beletsel vormde voor zowel de beslissing van 20 juli 2001 tot overplaatsing van klager naar de (...) kliniek als de machtiging voor diens begeleid verlof van 13 september 2002.

Voor zover al de huidige bevindingen van het slachtofferonderzoek qua toon ernstiger zouden lijken dan de Minister van Justitie destijds voor ogen stond, kan dat gelet op alle in 2001 gemaakte afspraken, het al zeven jaar lang goed verlopen van de begeleide verloven en de afwezigheid van incidenten of ongewenste confrontaties met slachtoffers/nabestaanden in redelijkheid en billijkheid niet leiden tot het intrekken van de machtiging tot begeleid verlof."

1.13.

Bij arrest van 23 november 2010 heeft het gerechtshof Den Haag het hiervoor onder 1.10 vermelde vonnis van de voorzieningenrechter van 2 oktober 2007 vernietigd. Het Hof heeft de Staat, bij wijze van passende voorziening, veroordeeld om binnen veertien dagen na de betekening van het arrest advies te vragen aan het Adviescollege Verloftoetsing TBS (hierna 'AVT') inzake de door de kliniek ten aanzien van [eiser] ingediende verzoeken om machtiging onbegeleid verlof, alsmede om na advisering door dit adviescollege binnen drie maanden op de verzoeken een beslissing te (doen) nemen. Voor zover hier van belang overweegt het gerechtshof het volgende:

"3.7. Terecht wordt de stap naar onbegeleid verlof gezien als een nieuwe stap in het verloftraject, die zorgvuldige afweging vergt. De Staat heeft erop gewezen dat bij een nieuwe stap in het verloftraject een informatieplicht geldt ten opzichte van slachtoffers en nabestaanden. Het hof onderschrijft dit standpunt van de Staat. Het hof hecht er echter ook aan op te merken dat het feit dat het slachtofferonderzoek pas eind 2008 en in 2009 zijn beslag heeft gekregen en de positie van de slachtoffers en nabestaanden eerst toen goed in beeld is kunnen komen, niet een omstandigheid is waaraan niet ook de Staat mede debet is, omdat het verrichten van dit onderzoek ofwel niet eerder in 2001, bijvoorbeeld in het kader van het opstellen van de memo voorafgaand aan de plaatsing in de kliniek, aan de orde is geweest, ofwel, zoals de kliniek heeft aangegeven, ondanks de intentie om dit aspect in de behandeling te betrekken, zulks mede door omstandigheden gelegen aan de zijde van de Staat wat betreft de beschikbaarheid van gedingstukken (zie uitspraak RSJ van 12 juli 2010), niet eerder mogelijk is geweest.

(…)

3.9.

Het hof overweegt te dien aanzien dat uit de in 2001 gemaakte afspraken volgt, dat ten aanzien van [eiser] een tbs-behandeling zou plaatsvinden, waarin een verlofbeleid op gang zou komen. Er is geen enkele aanwijzing dat toen niet de weg is ingeslagen dat alle te onderscheiden vormen van verlof, neergelegd in artikel 53 van het Reglement verpleging ter beschikking gestelden, op enig moment tot de mogelijkheden behoorden als de behandeling daartoe aanleiding zou (kunnen) geven. (...) Dat bij gunstig verloop van de behandeling een verzoek tot machtiging onbegeleid verlof zou kunnen worden gedaan is een situatie waar alle partijen bij het overleg over de tbs-behandeling van [eiser] en de minister bij de plaatsing van [eiser] in de kliniek, zich uitdrukkelijk van bewust moeten zijn geweest en dit vormde daarvoor geen beletsel.

3.10. (…)

De opvatting van de Staat dat er geen enkele ruimte is voor onbegeleid verlof en dat mitsdien de Avt over het verzoek van het hoofd van de kliniek niet behoeft te adviseren, acht het hof in het licht van het hiervoor overwogene onrechtmatig, aangezien niet blijkt dat de belangen van [eiser] en de eerder bij hem gewekte verwachtingen in de afweging zijn betrokken. (...)

Het hof neemt nog in aanmerking dat ook voorwaarden te stellen zijn waaronder onbegeleid verlof kan plaatsvinden en waarin het respect voor de slachtoffers en nabestaanden tot uitdrukking kan worden gebracht, en dat toezicht op het naleven van dergelijke voorwaarden wel degelijk mogelijk is. De Avt kan dit aspect in de advisering betrekken. Het hof acht anders dan de Staat de overwegingen van de RSJ wel relevant en acht de door de Staat aangehaalde overweging niet van de beperkte betekenis die de Staat daaraan toekent. Bovendien wijst het hof op de door de RSJ relevant geachte aspecten van het al zeven jaren goed verlopen van de begeleide verloven en de afwezigheid van incidenten of ongewenste confrontaties met slachtoffers/nabestaanden, die ook naar het oordeel van het hof op de juiste waarde geschat moeten worden, als onderdeel van alle mee te wegen belangen."

Tegen dat arrest heeft de Staat cassatieberoep ingesteld.

1.14.

Naar aanleiding van een op 14 september 2010 door de kliniek ingediende aanvraag machtiging onbegeleid verlof ten behoeve van [eiser], heeft het AVT op 16 februari 2011 een positief advies gegeven. Dit advies vermeldt, voor zover relevant, het volgende:

"(...) het adviescollege [komt] tot de conclusie dat het gevraagde onbegeleide verlof uit veiligheidsoogpunt aanvaardbaar is, mits er een meer uitgewerkt verlofplan voorhanden is. Het adviescollege slaat daarbij acht op het feit dat begeleide verloven al jarenlang goed verlopen zijn, dat zich daarbij geen incidenten hebben voorgedaan, dat het recidivegevaar als laag wordt ingeschat en dat het vluchtgevaar afwezig is. Het risico op confrontatie met nabestaanden is gering. Tijdens de verloven zal betrokkene zich niet naar Delft begeven. Hij zal de nabestaanden van slachtoffers uit de weg gaan en hen zeker niet opzoeken. Het adviescollege is van oordeel dat dit laatste expliciet in de voorwaarden van het te verlenen verlof moet worden opgenomen. Voorts zullen overeenkomstig de slotparagraaf in het Rapport van bevindingen inzake het slachtofferonderzoek de slachtoffers en nabestaanden, voor zover zij dat wensen, blijvend geïnformeerd moeten worden over het verdere verloop van de tenuitvoerlegging van de aan betrokkene opgelegde straf en zijn behandeling in de kliniek."

1.15.

Bij brief van 13 mei 2011 heeft de Staatssecretaris aan de kliniek meegedeeld dat hij niet akkoord gaat met het verlenen van een machtiging onbegeleid verlof ten aanzien van [eiser]. De brief vermeldt - onder meer - het volgende:

"Het onbegeleid verlof zou in dit stadium zijn gericht op resocialisatie. De heer [eiser] is veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf. Veroordeelden tot een levenslange gevangenisstraf kunnen in aanmerking komen voor gratie op voorwaarde dat aan de gronden voor gratieverlening wordt voldaan. (...)

Sinds 2005 houdt het Verloftoetsingskader in dat met betrekking tot levenslang gestraften ten aanzien van wie geen gratie wordt overwogen ook geen machtiging tot verlof wordt verleend. In 2007 is dit beleid aldus opnieuw geformuleerd dat levenslang gestraften alleen nog verlof krijgen op humanitaire gronden.

Op grond van dit beleid komt betrokkene niet in aanmerking voor onbegeleid verlof, omdat de reden voor dit verlof, resocialisatie, zich in zijn geval niet voordoet. Bijkomende redenen om geen onbegeleid verlof te verlenen zijn de maatschappelijke onrust die het verlof veroorzaakt en de gevoelens van de slachtoffers en nabestaanden, zoals die onder meer zijn gebleken uit het slachtofferonderzoek van eind 2009. Er bleek kort gezegd bij nabestaanden en slachtoffers nog vrijwel geen enkele verwerking op gang te zijn gekomen. Dat zijn op zichzelf valide redenen om een machtiging voor verlof te weigeren. Daarbij betrek ik dat onbegeleid verlof betekent dat betrokkene zich geheel vrij door de samenleving kan bewegen. Het vormt een vergaande stap naar invrijheidstelling.

Naar mijn oordeel maakt het memo van 9 juli 2001 dit niet anders. Daarin lees ik geen toezegging ten aanzien van verlof en zelfs gratie (....).

(...)

Daartegenover staat het belang van betrokkene bij uitbreiding van zijn lopende begeleid verloftraject en de wens die hij als levenslang gestrafte niettemin heeft tot resocialisatie.

Ik concludeer dat gelet op het maatschappelijk belang bij de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf van betrokkene, het belang van de slachtoffers en nabestaanden, de nog steeds bestaande maatschappelijke geschoktheid en de mogelijke verstrekkende gevolgen van een eventuele verlening van een verlofmachtiging tot onbegeleid verlof zwaarder dienen te wegen dan het belang van betrokkene bij verlening van een machtiging tot onbegeleid verlof.

Ik neem daarbij in aanmerking dat betrokkene in het kader van zijn behandeling in de (...) kliniek in staat is zich onder begeleiding in de samenleving te bewegen en ook buiten de inrichting contact te onderhouden met zijn gezin.

Door de aanwezigheid van begeleiding kan ervoor worden zorg gedragen dat een confrontatie met slachtoffers wordt vermeden."

1.16.

Bij kortgedingvonnis van 9 september 2011 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank de vordering van [eiser], strekkende tot - kort gezegd - het in aanmerking komen voor onbegeleid verlof, afgewezen. [eiser] heeft daartegen hoger beroep ingesteld.

1.17.

Op 14 oktober 2011 heeft de Hoge Raad het cassatieberoep van de Staat tegen het onder 1.13 vermelde arrest verworpen. In zijn arrest overweegt de Hoge Raad onder andere het volgende:

"Terecht heeft het hof geoordeeld dat ook in het geval van deze levenslanggestrafte de (normale) weg van art. 4 en 7 van het Besluit Adviescollege Verloftoetsing tbs gevolgd dient te worden, waarbij de minister, indien hij wil afwijken van een positief advies van het Avt, dat slechts gemotiveerd - hetgeen in dit geval wil zeggen: op een wijze die inzichtelijk maakt hoe daarbij rekening is gehouden met de door het hof bedoelde belangen en verwachtingen van [eiser] - zal kunnen doen."

1.18.

Bij arrest van 13 december 2011 heeft het gerechtshof Den Haag het hiervoor onder 1.16 vermelde kortgedingvonnis van 9 september 2011 bekrachtigd. Voor zover hier van belang overweegt het Hof in zijn arrest:

"3.2. Anders dan [eiser] is het hof van oordeel dat het memo van 9 juli 2001 niet kan worden aangemerkt als civielrechtelijke overeenkomst tussen de Staat, de kliniek en [eiser] dan wel als een, in een civielrechtelijke overeenkomst tussen de Staat en de kliniek opgenomen, civielrechtelijk derdenbeding ten gunste van [eiser], ook niet als de correspondentie rondom dat memo in aanmerking wordt genomen. Noch de vormgeving noch de inhoud en totstandkoming van het memo wijzen erop dat sprake was van een aanvaarding door [eiser] van een door de Staat en/of de kliniek gedaan aanbod als bedoeld in artikel 6:217 BW dan wel van een door [eiser] aanvaard derdenbeding als bedoeld in artikel 6:253 BW. Grief 2 faalt dus. Het belang van deze vaststelling dient echter te worden gerelativeerd nu het voorgaande niet wegneemt dat de Staat in bedoelde stukken (memo en correspondentie) zijn beleid met betrekking tot de detentie en verpleging van [eiser] heeft weergegeven en daardoor bepaalde verwachtingen bij [eiser] heeft gewekt, waaraan hij in beginsel is gebonden. Verwezen zij in dat verband naar overweging 3.9. van het arrest van 23 november 2010 van dit hof (….), waarin is overwogen, kort samengevat, dat destijds is gekozen voor een traject waarin alle onderscheiden vormen van verlof, dus inclusief onbegeleid verlof, op enig moment tot de mogelijkheden behoorden als de behandeling daartoe aanleiding zou (kunnen) geven. Conform deze verwachtingen zijn in 2002 voor het eerst begeleide verloven toegestaan, welke verloven gedurende enige jaren zonder problemen zijn verlopen. De kliniek ziet onbegeleid verlof thans als een passende vervolgstap in de behandeling en de AVT heeft te dier zake positief geadviseerd. Dit alles pleit uitdrukkelijk in het voordeel van [eiser].

3.3.

Vanwege voormelde gewekte verwachtingen kon de machtiging tot verlening van onbegeleid verlof niet zonder meer geweigerd worden op grond van uitsluitend het gewijzigde beleid en de daarop gebaseerde opvatting dat het feit dat [eiser] een levenslange gevangenisstraf is opgelegd, de mogelijkheid van onbegeleid verlof uitsluit. Anderzijds volgt het hof [eiser] niet in zijn stelling dat hij uit het memo van 9 juli 2001 en de begeleidende correspondentie mocht afleiden dat een machtiging tot het verlenen van onbegeleid verlof verleend zou móeten worden, indien én zodra de kliniek zou menen dat dit geïndiceerd was in het kader van de behandeling. Grief 1 slaagt dan ook niet. Een dergelijke vergaande uitleg is niet in overeenstemming met de inhoud van het memo (ook niet indien dit memo wordt gelezen in samenhang met de bijbehorende correspondentie). Integendeel: met de voorzieningenrechter is het hof van oordeel dat uit de zin "datzelfde (voorzieningenrechter: te weten terugplaatsing naar een gevangenis) geldt indien het door de kliniek gevoerde verlofbeleid dat een wezenlijk onderdeel zal gaan vormen van de behandeling (conditio sine qua non), wordt tegengehouden" (…) volgt dat voor de beslissing van de minister of onbegeleid verlof zal worden verleend niet (alleen) doorslaggevend is wat de kliniek als gewenste behandeling van [eiser] ziet. [eiser] kan zich wèl beroepen op de bij hem gewekte verwachting dat hij in beginsel behandeld wordt, inclusief het door de kliniek gehanteerde verlofbeleid, maar níet dat de Staat bij zijn beslissing wanneer dat verlof wordt verleend geen andere belangen (zoals de belangen van slachtoffers en het belang van het nog steeds bestaande gevaar voor maatschappelijke onrust) zal betrekken. Dit betekent dat ook grief 3 faalt.

3.4.

In het besluit van 13 mei 2011 is niet alleen verwezen naar het gewijzigde beleid, maar zijn tevens als zwaarwegend aangemerkt de maatschappelijke onrust die het mogelijk maken van onbegeleid verlof zou veroorzaken en de gevoelens van de slachtoffers en de nabestaanden. De staatssecretaris achtte onder meer van belang dat uit het slachtofferonderzoek uit 2009 bleek dat er vrijwel nog geen enkele verwerking op gang was gekomen. Op zich is juist (grief 7) dat de Staat ook in 2001 moet hebben beseft dat resocialisatie van een levenslang gestrafte een bron van onrust kan zijn en dat deze zaak als gevoelig te karakteriseren valt. Dat laat echter onverlet dat men in 2001 nog niet wist hoe gevoelig de zaak zo veel jaren later nog zou liggen. Inzicht in de werkelijke situatie van de slachtoffers had men toen nog niet.

Onbegeleid verlof gaat voorts wezenlijk verder dan begeleid verlof; dat zal in elk geval in het algemeen zo "gevoeld" worden door de maatschappij en zeker door slachtoffers en nabestaanden. Het hof acht dan ook juist de overweging van de voorzieningenrechter dat een nieuwe afweging mogelijk is en volgt [eiser] niet in zijn stelling dat deze afweging hoe dan ook niet kan leiden tot een weigering. De belangen van slachtoffers en maatschappij kunnen niet alleen een rol spelen bij de modaliteit van het te verlenen verlof, maar ook bij de beslissing om al dan niet onbegeleid verlof mogelijk te maken. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat [eiser] daarmee in redelijkheid geen rekening hoefde te houden; ook in het memo van 9 juli 2001 wordt een dergelijke aanleiding niet gevonden. Grieven 4 tot en met 7 slagen evenmin.

3.5.

De conclusie luidt dat naar voorlopig oordeel van het hof de beslissing van 13 mei 2011 niet in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Het moge zo zijn dat de inhoud van die beslissing in overeenstemming is met de uitkomst die de Staat ook al vóór de verwerping van zijn onder 1.14. bedoelde cassatieberoep voorstond, maar dat betekent nog niet dat reeds daarom moet worden aangenomen dat de beslissing onrechtmatig is wegens het ontbreken van een belangenafweging (grief 8). Evenmin kan in het kader van dit kort geding geconstateerd worden dat de genomen beslissing betekent dat de weigering een machtiging te verlenen op onrechtmatige wijze de mogelijkheid van gratie voor [eiser] frustreert (grief 11), respectievelijk dat de aan [eiser] opgelegde levenslange gevangenisstraf "irreducible" is en daarmee in strijd komt met artikel 3 EVRM (eerste deel van grief 10). Juist is - en het Hof hecht eraan dit ook in dit arrest te benadrukken - dat er enig perspectief voor [eiser] moet blijven bestaan dat zijn straf niet daadwerkelijk levenslang zal zijn (vergelijk EHRM 12 februari 2008, EHRC 2008, 52 (Kafkaris/Cyprus) en HR 16 juni 2009, NJ 2009, 602, LJN: BF3741). In dat verband is van belang dat de Staat inmiddels accepteert dat, met name gelet op de bij [eiser] gewekte verwachtingen, een machtiging onbegeleid verlof niet reeds kan worden geweigerd op grond van louter een verwijzing naar het gewijzigd beleid. De Staat heeft ten pleidooie nog eens nadrukkelijk herhaald dat gratie en (dus) onbegeleid verlof nú niet aan de orde zijn, maar dat dit in de toekomst anders kan liggen. De Staat heeft daarbij als voorbeeld genoemd de mogelijke situatie dat de in 2009 gestarte begeleiding van slachtofferhulp (welke begeleiding in de jaren '80 helaas nog niet automatisch werd aangeboden en, kennelijk mede omdat een slachtofferonderzoek eerst vanaf 2005 of 2007 verplicht is gesteld, helaas ook niet eerder dan in 2009 op gang is gekomen) tot andere resultaten van een nieuw slachtofferonderzoek zal leiden. Het hof gaat ervan uit dat het de Staat ernst is en dat bij een in de toekomst herhaald verzoek om een machtiging onbegeleid verlof, een nieuwe zorgvuldige en serieuze belangenafweging zal plaatsvinden, waarbij in ogenschouw zal worden genomen dat de bij [eiser] in 2001 gewekte verwachtingen een zwaarwegende factor zijn."

1.19.

Op 3 juni 2013 heeft [eiser] een gratieverzoek ingediend, dat hij op 5 augustus 2013 en 16 juni 2014 heeft aangevuld.

1.20.

Op 4 oktober 2013 heeft de kliniek bij de Staat andermaal een verzoek ingediend voor een machtiging onbegeleid verlof ten behoeve van [eiser].

1.21.

Overeenkomstig de Verlofregeling TBS heeft de Staat voormelde aanvraag van de kliniek ter advisering voorgelegd aan het AVT. Vervolgens heeft het AVT op 11 november 2013 geadviseerd de door de kliniek gewenste machtiging te verlenen.

1.22.

Op 14 november 2013 heeft de advocaat-generaal bij het ressortsparket te Den Haag geadviseerd het onder 1.19 vermelde gratieverzoek van [eiser] niet in te willigen.

1.23.

Naar aanleiding van het gratieverzoek van [eiser] heeft het gerechtshof Den Haag - als het gerecht dat [eiser] de levenslange gevangenisstraf heeft opgelegd - op 19 maart 2014 een (voorlopig) advies uitgebracht. Dit advies vermeldt onder andere:

"Deze omstandigheden, in samenhang bezien, hebben het hof, niettegenstaande de uitzonderlijke ernst van de indertijd door verzoeker gepleegde delicten voor de vraag gesteld of tegen de achtergrond van de heersende jurisprudentie, met name gelet op de beginselen van artikel 3 EVRM, het negatieve advies van de procureur-generaal daarmee niet in strijd is. Het hof overweegt daarom positief op het gratieverzoek te adviseren, mits terugkeer in de maatschappij op verantwoorde wijze is voorbereid.

Het hof is evenwel (nog) niet in staat om -zoals artikel 3 van het EVRM eist- op betekenisvolle wijze te toetsten "of bij de veroordeelde sprake is van dermate significante veranderingen en een zodanige vooruitgang richting reclassering gedurende de detentie, dat voortduring daarvan niet langer kan worden gerechtvaardigd door strafdoelen".

Immers, de Minister en de Staatsecretaris hebben sinds 2006 geweigerd een machtiging tot onbegeleid verlof te verlenen. Zodoende staan zij verzoekers voortgang richting resocialisatie -en daarmee ook een bevestigend antwoord op voormelde vraag- welbewust in de weg. Het hof acht dit ten eerste in strijd met de door de Minister in 2001 zelf gemaakte afspraken, welke mede inhielden dat verzoekers behandeling zou zijn gericht op terugkeer in de samenleving. Het is naar 's hofs oordeel daarnaast in strijd met de onder A en C aangehaalde jurisprudentie. Als gevolg van de weigering een machtiging tot onbegeleid verlof te verlenen, dreigt verzoekers behandeling in een impasse te geraken, of is zij dat wellicht al geraakt. Het hof wil niet onvermeld laten dat het deze gang van zaken jegens verzoeker niet behoorlijk acht.

Ook het feit dat het hof niet beschikt over een actuele rapportage van een psychiater en/of een psycholoog over de onder B.9 en B.10 vermelde kwesties, maakt het onmogelijk de bedoelde toets thans te verrichten. Het hof ziet in het vorenstaande aanleiding om op dit moment een positief, noch negatief gratieadvies te geven.

D. Voorlopig advies

Gelet op het vorenstaande luidt het voorlopige advies van het hof aan Uwe Majesteit:

- dat de beslissing op het onderhavige gratieverzoek voor de duur van zes maanden wordt aangehouden;

- dat zo spoedig mogelijk zal worden voortgegaan met activiteiten gericht op resocialisatie, waaronder onbegeleid verlof. Het Adviescollege Verloftoetsing TBS heeft hiertoe reeds op 16 februari 2011 positief geadviseerd. Het hof roept de Staatssecretaris op dit advies ter harte te nemen;

- dat het Ressortsparket Den Haag en het hof over maximaal zes maanden -middels daarover op te maken rapportages- zullen worden geïnformeerd over:

● de voortgang van verzoekers behandeling;

● het resocialisatietraject van verzoeker en de eventuele vorderingen die hij daarbij heeft gemaakt

● de actuele psychische toestand van verzoeker;

● het risico op nieuwe (gewelds)delicten in geval van gratieverlening;

● de impact van mogelijke gratieverlening op de slachtoffers, nabestaanden en de samenleving.

Het hof acht een relatief korte termijn van zes maanden op zijn plaats, gelet op de onzekerheid waarin verzoeker reeds lange tijd verkeert.

Het hof zal, mede naar aanleiding van de alsdan te verstrekken informatie, zo spoedig mogelijk een definitief advies uitbrengen."

1.24.

Op 28 maart 2014 heeft de Staatssecretaris naar aanleiding van de op 4 oktober 2013 gevraagde machtiging onbegeleid verlof ten behoeve van [eiser] het volgende bericht aan de kliniek:

"Gezien het arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 13 december 2011 zal ik opnieuw een slachtofferonderzoek laten uitvoeren. Dat onderzoek zal de komende weken worden uitgevoerd. De resultaten ervan zullen worden betrokken in de besluitvorming."

"

1.25.

Op 15 april 2014 heeft de Staatssecretaris het volgende bericht aan [eiser] naar aanleiding van diens gratieverzoek:

"Gelet op het advies van het gerechtshof te Den Haag van 19 maart 2014 heb ik besloten de beslissing op het gratieverzoek voor zes maanden aan te houden. Gedurende deze periode zal ik de Van der Hoeven kliniek en het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP) verzoeken de door het gerechtshof gevraagde rapportages te maken.

Naar aanleiding van de aanvraag van de Van der Hoevenkliniek om een machtiging onbegeleid verlof ten behoeve van de heer [eiser] heb ik reeds besloten opnieuw een slachtofferonderzoek te laten uitvoeren. Dit is u bij brief van 28 maart 2014 medegedeeld. Het resultaat van dit onderzoek alsmede de op te maken rapportages zullen nadat deze voltooid zijn door mij worden doorgezonden naar het ressortsparket alsmede naar het gerechtshof Den Haag met het verzoek definitief te adviseren."

1.26.

Bij kortgedingvonnis van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 28 april 2014 is de Staat - op straffe van verbeurte van een dwangsom - bevolen om uiterlijk op 20 mei 2014 een beslissing te nemen op de aanvraag van de kliniek voor een machtiging onbegeleid verlof ten behoeve van [eiser].

1.27.

Bij brief van 20 mei 2014 heeft de Staatssecretaris aan de kliniek bericht dat geen machtiging tot onbegeleid verlof voor [eiser] wordt verleend. Deze beslissing licht hij als volgt toe:

"Het Avt adviseert over de veiligheidsaspecten van verlofverlening en over de vraag of verlof in de behandeling past. Vanuit mijn verantwoordelijkheid voor de tenuitvoerlegging van straffen en maatregelen betrek ik bij mijn beslissing op een aanvraag om een verlofmachtiging echter meer in de beoordeling dan het veiligheidsaspect. Ik betrek daarin ook de belangen van slachtoffers en nabestaanden en de maatschappelijke onrust die met verlofverlening gepaard kan gaan. In zijn arrest van 13 december 2011 heeft het Hof Den Haag dat onderschreven. In mijn beslissing van 13 mei 2011 om geen machtiging onbegeleid verlof te verlenen heb ik de maatschappelijke onrust die het onbegeleid verlof zal veroorzaken en de gevoelens van de slachtoffers en de nabestaanden bij wie nog vrijwel geen verwerking op gang was gekomen, zwaar laten wegen en zwaarder dan het belang van betrokkene bij onbegeleid verlof. Het hof heeft overwogen dat ik die beslissing in redelijkheid kon nemen.

De belangen van de slachtoffers en nabestaanden zijn eerder verwoord in het slachtofferonderzoek uit 2009. Gelet op het tijdsverloop heb ik besloten een nieuw slachtofferonderzoek te verrichten om een actueel beeld te verkrijgen van de gevolgen van onbegeleid verlof voor de slachtoffers en de nabestaanden.

Daaruit blijkt dat een aantal slachtoffers/nabestaanden vergeleken met 2009 genuanceerder is geworden in hun uitlatingen over de situatie van betrokkene. Niettemin hebben alle slachtoffers/nabestaanden nog gevoelens van verontwaardiging, woede, frustratie, teleurstelling en verdriet over het begeleide verlof en de huidige situatie van betrokkene. Dit heeft tot gevolg dat alle slachtoffers/nabestaanden negatief staan tegenover het verlenen van een machtiging onbegeleid verlof of het verlenen van gratie. Het verlenen van onbegeleid verlof en het verlenen van gratie zou als een groot onrecht worden ervaren en in de beleving van de slachtoffers en nabestaanden geen recht doen aan de levenslange gevangenisstraf die door de rechter is opgelegd. Enkele slachtoffers/nabestaanden zijn vanwege de enorme impact van het misdrijf bovendien nog niet in staat een begin te maken met de verwerking ervan. Andere slachtoffers/nabestaanden geven aan niet meer te geloven dat gespecialiseerde hulpverlening nog kan helpen bij het verwerken van het misdrijf. Hierdoor zijn het misdrijf en het strafverloop van [eiser] nog steeds van bovenmatige invloed op het dagelijks leven en het welzijn van de slachtoffers/nabestaanden. Een aantal slachtoffers/nabestaanden heeft na het slachtofferonderzoek uit 2009 gespecialiseerde hulpverlening gehad. In het kader van het onderhavige onderzoek heeft een enkel slachtoffer aangegeven na eerdere pogingen sinds 2009 opnieuw hulp te willen zoeken.

Ik constateer dat thans een breekbaar evenwicht lijkt te bestaan, waarin de omstandigheid dat betrokkene begeleid verlof geniet een plaats begint te krijgen, zij het moeizaam. Het nu verlenen van onbegeleid verlof zou dit kwetsbare evenwicht naar verwachting weer verstoren. Bij alle slachtoffers/nabestaanden zou onbegeleid verlof heel hard aankomen. Bij een aantal slachtoffers is de inschatting reëel dat verlening van onbegeleid verlof aan betrokkene op dit moment een zeer zware impact zal hebben, waarvan het de vraag is hoe zij daarmee om zullen kunnen gaan, bijvoorbeeld vanwege de inmiddels hoge leeftijd of vanwege pas recent gezette nieuwe stappen in de richting van hulpverlening.

Daarnaast constateer ik dat het enkel aan bod komen van de mogelijkheid van onbegeleid verlof van betrokkene nog steeds een ruime mate van media-aandacht genereert in kranten, internet en op televisie. De maatschappelijke gevoeligheid van de zaak is nog steeds erg hoog.

Gelet op de hierboven omschreven belangen van de slachtoffers, nabestaanden en maatschappij en de aannemelijkheid dat verlening van de verzochte verlofmachtiging - voor onbegeleid verlof, wat een veel verdergaande stap betekent dan begeleid verlof - nog een forse negatieve impact op deze groep zal hebben, dient het belang van betrokkene hier naar mijn beoordeling te wijken voor dat van de slachtoffers en nabestaanden."

1.28.

[eiser] is in hoger beroep gagegaan van het kortgedingvonnis van 28 april 2014. Daartoe heeft hij de Staat gedagvaard om op 2 september 2014 te verschijnen ter terechtzitting van het gerechtshof Den Haag.

2 Het geschil

2.1.

[eiser] vordert, zakelijk weergegeven:

primair

- te bepalen dat de Staat - op straffe van verbeurte van een dwangsom - binnen acht dagen na de betekening van het te wijzen vonnis een machtiging tot onbegeleid verlof voor onbepaalde duur, althans voor de duur van één jaar, ten aanzien van [eiser] dient te verlenen;

subsidiair

- in goede justitie een beslissing te nemen;

een en ander met veroordeling van de Staat in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente, en de nakosten.

2.2.

Samengevat voert [eiser] daartoe het volgende aan.

[eiser] is destijds op uitdrukkelijk verzoek van de Staat opgenomen in de kliniek. Doel daarvan was de resocialisatie van [eiser], onder meer door middel van verloven met een oplopende graad van vrijheid (begeleid verlof - onbegeleid verlof - transmuraal verlof). Al vrij snel na de opname in de kliniek heeft de Staat ten behoeve van [eiser] een machtiging begeleid verlof verstrekt. Dat verlof is altijd goed verlopen. [eiser] komt - al geruime tijd - in aanmerking voor onbegeleid verlof. De Staat doet er echter alles aan om dat te voorkomen. Hierdoor raakt de (verdere) resocialisatie van [eiser] in een impasse. In verband hiermee heeft [eiser] al diverse procedures tegen de Staat gevoerd. Uit de daarin gegeven beslissingen volgt dat de Staat de voortgang van de resocialisatie, waaronder begrepen het toestaan van onbegeleid verlof, niet (langer) mag blokkeren. De Staat trekt zich daarvan echter niets aan. Naar aanleiding van de op 4 oktober 2013 door de kliniek aangevraagde machtiging tot onbegeleid verlof voor [eiser] - ten aanzien waarvan het AVT positief heeft geadviseerd - heeft de Staat een (herhaald) slachtofferonderzoek laten uitvoeren. Vervolgens heeft de Staatssecretaris het machtigingsverzoek van de kliniek afgewezen, waarbij hij zich uitsluitend baseert op de uitkomsten van het slachtofferonderzoek. In redelijkheid heeft de Staatssecretaris niet die tot die beslissing kunnen komen. Daarmee schendt hij immers de afspraken zoals vastgelegd in het onder 1.2 vermelde memo van 9 juli 2001. Bovendien is de beslissing in strijd met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens ('EVRM'), het Verdrag inzake de rechten van het kind, de tussen partijen uitgesproken rechterlijke beslissingen en de jurisprudentie van de RSJ. Daar komt bij dat het slachtofferonderzoek een manipulatief karakter heeft, waardoor de geïnterviewde slachtoffers en nabestaanden op het verkeerde been zijn gezet. Het enkele doel van het onderzoek was/is om het onbegeleide verlof van [eiser] te frustreren en het door [eiser] ingediende gratieverzoek te kunnen afwijzen.

2.3.

De Staat heeft de vorderingen van [eiser] gemotiveerd bestreden. Voor zover nodig zal zijn verweer hierna worden besproken.

3 De beoordeling van het geschil

3.1.

Nu [eiser] zijn vorderingen (in het bijzonder) grondt op onrechtmatig handelen van de Staat, is in zoverre de bevoegdheid van de civiele rechter - in dit spoedeisende geval de voorzieningenrechter in kort geding - gegeven. [eiser] is ook ontvankelijk in zijn vorderingen, aangezien voor hem geen andere - met voldoende waarborgen omklede - rechtsgang openstaat om het door hem beoogde doel te bereiken.

3.2.

In de onderhavige procedure staat ter discussie of de Staatssecretaris de aanvraag van de kliniek betreffende de machtiging onbegeleid verlof ten behoeve van [eiser] in redelijkheid heeft kunnen/mogen afwijzen.

3.3.

Bij de beantwoording van die vraag wordt vooropgesteld dat uit het arrest van de Hoge Raad van 14 oktober 2011 (zie r.o. 1.17) volgt dat de Staatssecretaris, indien hij - zoals hier aan de orde - wil afwijken van een positief advies van het AVT, dat slechts gemotiveerd zal kunnen doen, in die zin dat hij inzichtelijk maakt hoe daarbij rekening is gehouden met de belangen van [eiser] en de door de Staat bij hem gewekte verwachtingen, zoals bedoeld in het arrest van het gerechtshof Den Haag van 23 november 2010, waaronder het goed verlopen van de begeleide verloven en de afwezigheid van incidenten of ongewenste confrontaties met slachtoffers en/of nabestaanden van de gebeurtenissen op 5 april 1983 (zie r.o. 1.13). Ingevolge het - onherroepelijke - arrest van het gerechtshof Den Haag van 13 december 2011 (zie r.o. 1.18) moeten de bij [eiser] gewekte verwachtingen zelfs een zwaarwegende factor vormen bij die belangenafweging. Voorts kunnen - op grond van het laatstgenoemde arrest - de belangen van de slachtoffers en de nabestaanden en de maatschappelijke onrust ook een rol spelen bij de beantwoording van de vraag of aan [eiser] onbegeleid verlof moet worden toegekend en niet slechts bij de bepaling van de modaliteit van zo'n verlof, zoals [eiser] stelt.

3.4.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter dient bij de afweging van de belangen van [eiser] in het kader van de beslissing op de aanvraag van de kliniek - in ieder geval - rekening te worden gehouden met de navolgende feiten en/of omstandigheden:

( i) Uit de tussen partijen en de kliniek gemaakte afspraken, zoals neergelegd in het memo van 9 juli 2001, volgt dat ten aanzien van [eiser] - met het oog op diens resocialisatie ("terugkeer in de samenleving") - een TBS-behandeling zal plaatsvinden, waarin een verlofbeleid op gang komt. Aangenomen moet worden dat de betrokkenen bij die afspraken ervan zijn uitgegaan dat alle mogelijke vormen van verlof op enig moment tot de mogelijkheden behoren als de behandeling daarvoor aanleiding geeft. Van de mogelijkheid dat [eiser], bij een gunstig verloop van de behandeling, in aanmerking komt voor onbegeleid verlof moeten de betrokkenen zich dan ook uitdrukkelijk bewust zijn geweest. Klaarblijkelijk vormde dat geen beletsel voor de Staat om er bij de kliniek op aan te dringen om [eiser] op te nemen en hem een TBS-behandeling te laten ondergaan. Daarmee heeft de Staat bij [eiser] de verwachting gewekt dat hem - voor zover geïndiceerd - onbegeleid verlof wordt toegestaan, waaraan de Staat in beginsel is gebonden (zie o.a. arrest gerechtshof Den Haag van 23 november 2010, r.o. 3.9 en 3.10).

( ii) In het kader van de TBS-behandeling heeft de Staat op 13 september 2002 een machtiging begeleid verlof afgegeven ten behoeve van [eiser]. Vaststaat dat de begeleide verloven sindsdien - dus al meer dan tien jaar - goed en zonder incidenten zijn verlopen en dat zich geen ongewenste confrontaties met slachtoffers en/of nabestaanden hebben voorgedaan. [eiser] heeft zich steeds nauwgezet aan de afspraken en voorwaarden gehouden.

( iii) Al sedert juni 2006 stelt de kliniek zich op het standpunt dat [eiser] in aanmerking komt voor onbegeleid verlof. Bezien in het licht van het voorgaande moet worden aangenomen dat de weigering van de Staat om daaraan mee te werken, leidt tot een impasse voor wat betreft de resocialisatie van [eiser] (het beoogde doel van diens opname in de kliniek).

( iv) Als gevolg van het voornemen van de Staat om [eiser] terug te plaatsen in het gevangeniswezen en de intrekking van de machtiging tot begeleid verlof, heeft het begeleide verlof van [eiser] gedurende de periode van augustus 2007 tot 31 maart 2008 stilgelegen. In de naar aanleiding daarvan door [eiser] aanhangig gemaakte procedures is komen vast te staan dat de Staat in dat opzicht onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser] (zie o.a. arrest gerechtshof Den Haag van 23 november 2010, r.o. 3.10).

( v) Het gegeven dat de Staat zich voor het eerst eind 2008 en in 2009 - dus ruim na de plaatsing in de kliniek en de verstrekking van de machtiging tot begeleid verlof - de belangen van de slachtoffers en nabestaanden heeft aangetrokken en dat hun positie toen pas goed in beeld is kunnen komen, kan en mag niet ten nadele van de resocialisatie van [eiser] werken. Zoals reeds overwogen in het arrest van het gerechtshof Den Haag van 23 november 2010, is de Staat daar namelijk (mede) debet aan. De enkele omstandigheid dat in de eerste jaren van deze eeuw nog geen, althans (beduidend) minder, rekening werd gehouden met de positie van de slachtoffers en nabestaanden in strafzaken, behoefde er niet aan in de weg te staan dat hun positie vóór de plaatsing van [eiser] in de kliniek en/of de machtiging begeleid verlof in kaart werd gebracht. Dit is te meer het geval nu [eiser] zich schuldig had gemaakt aan een zeer ernstig delict, waardoor veel onrust was ontstaan, in het bijzonder bij de slachtoffers en nabestaanden. In het kader van het gratieverzoek dat heeft geleid tot de opname van [eiser] in de kliniek heeft het gerechtshof Den Haag daarop ook uitdrukkelijk gewezen (dagv., prod. II). Verder wordt in dit verband verwezen naar de memorie van toelichting inzake de wijziging van het Wetboek van Strafvordering ter versterking van de positie van het slachtoffer in het strafproces (Kamerstukken II, 2004/05, 30 143, nr. 3). Daarin wordt - op pagina 20 - melding gemaakt van een sedert 2000 bestaande informatieplicht van de Staat jegens slachtoffers ter zake van de bewegingsvrijheid van veroordeelden aan wie een TBS-maatregel is opgelegd, waaraan [eiser] - door opname in de kliniek - gelijk moet worden gesteld. In de onderhavige zaak staat vast dat de slachtoffers en nabestaanden pas geruime tijd nadat aan [eiser] begeleid verlof was toegestaan, daarvan op de hoogte raakten.

( vi) Het recidivegevaar ten aanzien van [eiser] moet als laag worden ingeschat, terwijl geen sprake is van vluchtgevaar (zie o.a. arrest Hof van 23 november 2010). Voorts weerspreekt de Staatssecretaris in zijn beslissing van 20 mei 2014 niet het standpunt van het AVT dat onbegeleid verlof van [eiser] (i) de veiligheid niet in gevaar brengt en (ii) past in de behandeling van [eiser].

( vii) Uit het voorlopige advies van het gerechtshof Den Haag van 19 maart 2014 (zie 1.23) volgt dat de weigering om de gevraagde machtiging te verstrekken op gespannen voet zou kunnen staan met de bescherming die [eiser] geniet op grond van artikel 3 EVRM, alsmede dat zulks in de weg kan staan aan toewijzing van het - thans lopende - gratieverzoek van [eiser].

( viii) Aan het respect voor de slachtoffers en nabestaanden kan ook invulling worden gegeven door het stellen van voorwaarden waaronder onbegeleid verlof kan plaatsvinden (zie arrest gerechtshof Den Haag van 23 november 2011).

3.5.

Geconstateerd moet worden dat de Staatssecretaris zijn beslissing van 20 mei 2014 in feite uitsluitend baseert op de uitkomsten van het (laatste) slachtofferonderzoek. Daarin weegt hij enkel de belangen van de slachtoffers en de nabestaanden. Weliswaar wijst hij ook nog op de maatschappelijke gevoeligheid van de zaak, maar hij heeft - zowel in de beslissing als op de zitting - nagelaten te onderbouwen dat na het verstrekken van de onderhavige machtiging sprake zal zijn van een zodanige maatschappelijke onrust dat de - met volledige instemming van de Staat gestarte - resocialisatie van [eiser] (door het toestaan van onbegeleid verlof) zou moeten worden afgebroken. Daarmee zal dan ook geen rekening worden gehouden. In de beslissing wordt voorts op geen enkele wijze inzichtelijk gemaakt dat en hoe rekening is gehouden met de hiervoor (onder 3.4) vermelde belangen van [eiser] en de bij hem opgewekte verwachtingen, laat staan dat deze een zwaarwegende factor hebben gevormd. Zoals eerder overwogen, was de Staatssecretaris daartoe wel verplicht na het positieve advies van het AVT. Daar komt bij dat de Staat ook op de zitting niet aannemelijk heeft gemaakt dat aan de zijde van [eiser] de hier bedoelde belangen zijn meegewogen.

3.6.

In die situatie kan de beslissing van de Staatssecretaris redelijkerwijs geen stand houden. Bezien in het licht van al het voorgaande kan de Staat het - door de kliniek geïndiceerd geachte - onbegeleide verlof van [eiser] niet (langer) tegenhouden. Alles afwegende had de Staatssecretaris de door de kliniek verzochte machtiging dan ook moeten verlenen. Dit is te meer het geval nu blijkens de inhoud van het verzoek aan het onbegeleid verlof zodanige voorwaarden worden gesteld dat de belangen van de slachtoffers en nabestaande (in voldoende mate) zijn gewaarborgd. In feite komt het erop neer dat de Staatssecretaris zijn beslissing in de onderhavige kwestie (vrijwel) geheel afhankelijk maakt van het gevoelen van de slachtoffers en nabestaanden, die daarmee in feite de verantwoordelijkheid krijgen voor deze beslissing. Deze rol of invloed strookt niet met de - in de laatste jaren substantieel vergrote - rol van het slachtoffer in het strafproces als procesdeelnemer. Dat doet niets af aan de gevoelens van de slachtoffers en nabestaanden, zoals indringend beschreven in het laatste slachtofferonderzoek. Deze zijn alleszins reëel. Het honoreren van die gevoelens - hoe begrijpelijk deze ook zijn - zou echter een uitzichtloze impasse meebrengen aan de zijde van [eiser] die, mede gelet op de hiervoor besproken belangen, niet verenigbaar is met het door de Staat zelf geïnitieerde traject dat tot nu toe door [eiser] met goed gevolg is doorlopen.

3.7.

Een en ander betekent dat de primaire vordering van [eiser] zal worden toegewezen, in die zin dat de Staat zal worden veroordeeld om ten behoeve van [eiser] een machtiging onbegeleid verlof voor onbepaalde duur te verstrekken aan de kliniek, met dien verstande dat aan het verlof de voorwaarden moeten worden gesteld zoals opgenomen in het verzoek van de kliniek van 4 oktober 2013. De voorzieningenrechter gaat voorbij aan het verweer van de Staat dat een dergelijke veroordeling te ver strekt. De Staat is namelijk bevoegd om, zo nodig, op grond van later gebleken omstandigheden een eenmaal verleende machtiging in te trekken. Tegen een dergelijke beslissing kan [eiser] vervolgens opkomen bij de gespecialiseerde detentierechter.

3.8.

De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om aan de veroordeling een dwangsom te verbinden. De Staat heeft op de zitting aangegeven een veroordelend vonnis te zullen respecteren. Er bestaat vooralsnog geen aanleiding om te veronderstellen dat de Staat die toezegging niet zal nakomen. In die omstandigheid heeft [eiser] geen belang bij een dwangsom.

3.9.

De Staat zal - als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij - worden veroordeeld in de proces- en nakosten.

4 De beslissing

De voorzieningenrechter:

- veroordeelt de Staat om binnen acht dagen na de betekening van dit vonnis ten behoeve van [eiser] een machtiging onbegeleid verlof voor onbepaalde duur te verstrekken aan de kliniek, met dien verstande dat aan dat verlof de voorwaarden dienen te worden gesteld zoals opgenomen in het verzoek van de kliniek van 4 oktober 2013;

- veroordeelt de Staat in de proceskosten, tot op dit vonnis aan de zijde van [eiser] begroot op € 986,80 en veroordeelt de Staat om te voldoen:

a. aan de griffier van deze rechtbank, na ontvangst van een nota:

€ 93,80 voor kosten inleidende dagvaarding;

b. aan [eiser]:

€ 77,-- aan griffierecht;

€ 816,-- aan salaris advocaat;

- veroordeelt de Staat om voormelde proceskosten binnen veertien dagen na het uitspreken van dit vonnis te voldoen, bij gebreke waarvan hij daarover de wettelijke rente verschuldigd is;

- veroordeelt de Staat tevens in de nakosten, forfaitair begroot op € 131,-- aan salaris advocaat, te vermeerderen met € 68,-- aan salaris en met de explootkosten gemaakt voor de betekening van dit vonnis indien tot betekening wordt overgegaan;

- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.H.I.J. Hage en in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2014.

jvl