Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:8241

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
04-07-2014
Datum publicatie
17-07-2014
Zaaknummer
AWB-14_4860
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 juni 2014 heeft verweerder de aanvraag van verzoeker om toelating tot de maatschappelijke opvang in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wet maatschappelijke ondersteuning 2, geldigheid: 2014-07-04
Wet maatschappelijke ondersteuning 8, geldigheid: 2014-07-04
Algemene wet bestuursrecht 3:46, geldigheid: 2014-07-04
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2014/317

Uitspraak

VOORZIENINGENRECHTER VAN DE RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

Zaaknummer: SGR 14/4860

uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 juli 2014 op het verzoek om een voorlopige voorziening van

[verzoeker], te [plaats], verzoeker

(gemachtigde: mr. C.J. Forder),

tegen

het college van burgmeester en wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: mr. J. Schmal).

Procesverloop

Bij besluit van 6 juni 2014 heeft verweerder de aanvraag van verzoeker om toelating tot de maatschappelijke opvang in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) afgewezen.

Verzoeker heeft tegen dat besluit bij brief van 13 juni 2014 bezwaar gemaakt. Bij brief van gelijke datum heeft hij de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

De gemachtigde van verzoeker heeft bij brief van 20 juni 2014 nog een aantal nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 juli 2014. Verzoeker is ter zitting in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verder was aanwezig mr. J. Klaas, kantoorgenoot van zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voor zover deze toetsing meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter daaromtrent een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure.

2.

De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.


2.1. Verzoeker is afkomstig uit Algerije en verblijft al 21 jaar in Nederland, waarvan 13 jaar in Den Haag.

2.2.

In 2013 heeft verzoeker bij verweerder een aanvraag ingediend om toegelaten te worden tot de maatschappelijke opvang in het kader van de Wmo. Bij besluit van 20 december 2013 heeft verweerder de gevraagde opvang afgewezen op de grond dat verzoeker niet beschikt over een geldige verblijfstitel en dat niet is gebleken dat er ten aanzien van hem sprake is van een positieve verplichting op basis waarvan verweerder opvang zou moeten bieden.

2.3.

Op 21 maart 2014 heeft verzoeker wederom bij verweerder een aanvraag gedaan voor maatschappelijke opvang. Aanleiding voor die aanvraag is dat hij niet over opvang beschikt en last heeft van ernstige fysieke en psychische klachten. Verweerder heeft bij besluit van 6 juni 2014 de gevraagde opvang opnieuw afgewezen op de grond dat verzoeker niet rechtmatig in Nederland verblijft.

3.

Partijen hebben de volgende standpunten ingenomen.

3.1.

Verweerder heeft overwogen dat de verantwoordelijkheid van de opvang van vluchtelingen en ongedocumenteerde migranten bij het Rijk ligt. In het Bestuursakkoord van 2007, waarin Rijk en gemeenten afspraken hebben gemaakt over de taakverdeling inzake opvang van vluchtelingen, is neergelegd dat het Rijk verantwoordelijk is voor de opvang en uitzetting van vluchtelingen en ongedocumenteerde migranten. Eerdergenoemd Bestuursakkoord is nog steeds van kracht en de gemeente Den Haag ziet in het voorlopig standpunt van het Europees Comité voor sociale rechten voorshands geen aanleiding om daarvan af te wijken. Voorts heeft verweerder nog gewezen op het feit dat verzoeker door de GGD Haaglanden is toegeleid naar de Dienst Terugkeer & Vertrek (DT&V). Naar verweerder stelt heeft deze dienst opvang aangeboden in de vrijheid beperkende locatie (VBL) te Ter Apel. Dat aanbod heeft verzoeker afgewezen. Anders dan de gemachtigde van verzoeker is verweerder van mening dat plaatsing in VBL beschouwd moet worden als een voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 2 van de Wmo. Mede om die reden komt verzoeker niet in aanmerking voor opvang door de gemeente Den Haag, aldus verweerder.

3.2.

Volgens verzoeker behoort hij tot de groep kwetsbare personen en behoeft hij bescherming in het licht van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Hij leeft, als ernstig zieke man in erbarmelijke omstandigheden. Hij is dakloos en heeft niet te eten of drinken. Om medische redenen kan hij niet zonder opvang blijven. Uit de medische stukken blijkt dat zijn gezondheid wordt aangetast als hij op straat blijft. De gemeente ontkent niet dat hij recht heeft op opvang, alleen vindt zij dat hij bij iemand anders moet aankloppen. Dit heeft hij echter gedaan, alleen vooralsnog zonder succes. Anders dan verweerder meent kan hij niet naar de VBL in Ter Apel gaan. Ten eerste omdat VBL geen opvang is maar een vorm van vreemdelingendetentie. Ten tweede omdat hij eerder in detentie heeft gezeten en daaraan een trauma heeft overgehouden. Ten derde omdat vreemdelingendetentie alleen rechtmatig is indien het noodzakelijk is om de persoon het land uit te zetten. Verzoeker verwijst op dit punt naar artikel 5, eerste lid, onder f, van het EVRM. Aangezien hij al eerder in detentie is geweest en het niet is gelukt hem toen uit te zetten, ontbreekt een rechtvaardiging voor de vrijheidsbeneming. In de visie van verzoeker dient verweerder - nu hij niet over opvang beschikt - als vangnet te fungeren.

4.

De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Vaststaat dat verzoeker, gelet op zijn verblijfsstatus op grond van artikel 8, tweede lid, van de Wmo, in beginsel geen aanspraak kan maken op toelating tot de maatschappelijke opvang in de zin van de Wmo in de gemeente.

4.2.

Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), zie bijvoorbeeld de uitspraak van 2 mei 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BW5501), volgt onder bepaalde omstandigheden uit de doorwerking van artikel 8 van het EVRM in de nationale rechtsorde, dat niet in redelijkheid kan worden volgehouden dat de weigering van toelating tot maatschappelijke opvang in de vorm van het tijdelijk bieden van onderdak, blijk geeft van een ‘fair balance’ tussen de publieke belangen die betrokken zijn bij de weigering van die toegang en de particuliere belangen om wel toegelaten te worden. Daarbij is van belang dat bij de besteding van publieke middelen aan de Staat een extra ruime ‘margin of appreciation’ toekomt. Uit de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 4 juni 2014, (ECLI:NL:CRVB:2014:1995) volgt onder meer dat indien naar objectief medische maatstaf wordt vastgesteld dat de fysieke en psychische gezondheid van de vreemdeling substantieel wordt bedreigd wanneer hij verstoken blijft van opvang, hij behoort tot de categorie van kwetsbare personen die gezien artikel 8 van het EVRM in het bijzonder recht op bescherming van hun privé- en gezinsleven hebben. Onder bepaalde omstandigheden kan op grond daarvan ook aanspraak bestaan op maatschappelijke opvang op grond van de Wmo.

4.3.

Verweerder heeft niet betwist dat verzoeker kwetsbaar is in bovengenoemde betekenis. Daarbij merkt de voorzieningenrechter op dat verzoeker weliswaar psychisch en lichamelijk in slechte conditie verkeert, maar dat geen sprake is van zodanige omstandigheden dat sprake is van een acute medische noodsituatie in de zin van artikel 3 EVRM, waardoor hij gelet op de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 november 2013, (ECLI:NL:RVS:2013:2099), 10 januari 2014, (ECLI:NL:RVS:2014:86) en van 24 februari 2014, (ECLI:NL:RVS:2014:722) voor opvang op grond van de Rva 2005 door het COA in aanmerking kan komen.

4.4.

Uit het voorgaande volgt dat verzoeker in beginsel jegens verweerder aanspraak op opvang krachtens de Wmo kan maken. Ter zitting heeft verweerder dit beaamd.

4.5.

Ingevolge artikel 2 van de Wmo bestaat geen aanspraak op maatschappelijke ondersteuning voor zover met betrekking tot de problematiek die in het gegeven geval aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat. De afwijzing van de aanvraag berust op het volgens verweerder voorhanden zin van een voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 2 Wmo, namelijk de mogelijkheid opvang te krijgen in VBL. Verzoeker heeft het aanbod van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie (verder: de staatssecretaris) hiertoe verworpen. De voorzieningenrechter constateert dat dit geen voorziening betreft waarin het Rva 2005 voorziet, zodat geen sprake is van een wettelijk voorliggende voorziening. Een andere wettelijke grondslag is niet door verweerder aangeduid en de voorzieningenrechter is daar ook niet van gebleken. Daarbij is van belang dat, anders dan in de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 20 juni 2012 ECLI:NL:CRVB:2012:BW8957, in het geval van verzoeker geen sprake is van een maatregel van bewaring op grond van (artikel 56 van) de Vreemdelingenwet. De door de staatsecretaris aan verzoeker geboden mogelijkheid van opvang in VBL moet dan ook voor de toepassing van artikel 2 Wmo op één lijn worden gesteld met de mogelijkheden bedoeld door de Centrale Raad van Beroep in de uitspraak van 4 juni 2014, die niet als wettelijk voorliggende voorzieningen in de zin van deze bepaling hebben te gelden. Daarom kan deze mogelijkheid niet op grond van artikel 2 Wmo aan inwilliging van de aanvraag van verzoeker in de weg staan.

4.6.

Verweerder heeft ter zitting geen andere motivering gegeven waarom op grond van de Wmo de mogelijkheid van opvang in Ter Apel aan verzoeker zou kunnen worden tegengeworpen.

4.7.

Tenslotte betwijfelt de voorzieningenrechter gelet op de door verweerder in geding gebrachte e-mail van 14 april 2014 van DT&V of ten tijde van het bestreden besluit opvang in de VBL voor verzoeker beschikbaar was. Uit dit bericht blijkt vooral dat deze dienst pas bereid is hem opvang te verstrekken als meer informatie beschikbaar is gekomen op basis waarvan met verzoeker gesproken kan worden over opvang in de VBL. Pas daarna zal worden bezien of verzoeker in VBL terecht kan, zo blijkt verder uit dit bericht.

5.

Het bestreden besluit is daarom niet voorzien van een deugdelijke motivering en daarom in strijd met artikel 3:46 van de Awb. Daarom brengt de afweging van belangen als bedoeld in artikel 8:81 Awb mee dat verzoeker in afwachting van de beslissing op zijn bezwaar opvang geboden wordt, gelet op zijn lichamelijke en geestelijke conditie, waarbij de voorzieningenrechter verwijst naar de in het dossier aanwezige recente medische verklaringen. De voorzieningenrechter draagt verweerder bij wijze van voorlopige voorziening op verzoeker maatschappelijke opvang te verlenen tot zes weken nadat op het bezwaar zal zijn beslist.

6.

Er is aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 974,--, te weten € 487,-- voor het indienen van het verzoekschrift en € 487,-- voor het verschijnen ter zitting bij een zaak van gemiddeld gewicht.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe, in die zin dat verweerder wordt opgedragen ten behoeve van verzoeker per direct maatschappelijke opvang te realiseren tot zes weken na de datum van de verzending van de beslissing op bezwaar;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 974,--, welke kosten verweerder aan verzoeker moet vergoeden;

- bepaalt dat verweerder aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht, te weten € 45,--, vergoedt.

De uitspraak is gedaan door mr. J.L. Verbeek, rechter, in aanwezigheid van G.J. Buitendijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 juli 2014.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan geen hoger beroep worden ingesteld.