Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:8183

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
02-07-2014
Datum publicatie
24-07-2014
Zaaknummer
C-09-442334 - HA ZA 13-502
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Overeenkomst tussen makelaar/og-adviseur en belegger, door rechtbank aangeduid als bemiddelingsovereenkomst, 7:425 BW. Makelaar heeft contact tot stand gebracht tussen de projectontwikkelaar en de belegger, in 2005. In 2009 zendt bemiddelaar nog een e-mail waarin hij herinnert aan de afspraak en voorts enige informatie. In 2012 komt de koop tussen de belegger en de ontwikkelaar tot stand. Overeengekomen loon verschuldigd? Moet er causaal verband bestaan tussen de inspanningen van de bemiddelaar en de totstandkoming van de overeenkomst? Is de overeenkomst ‘uitgewerkt’?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RVR 2014/108

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/442334 / HA ZA 13-502

Vonnis van 2 juli 2014

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[Q] PARTNERS B.V.,

gevestigd te Voorschoten,

eiseres,

advocaat mr. E.J. Heijnen te Rotterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MN SERVICES N.V.,

gevestigd te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. D.A.W. van Dijk te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [Q] en MN Services genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 3 april 2014 met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord met producties;

  • -

    het tussenvonnis van 5 maart 2014 waarin een comparitie van partijen is bepaald;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 19 mei 2014.

1.2.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[Q] houdt zich onder meer bezig met het adviseren en begeleiden van derden bij en over aan- en verkoop van onroerend goed. De hoofdactiviteit van MN Services bestaat uit het adviseren en begeleiden van diverse partijen over hun vermogensbeheer. MN Services staat onder meer de Stichting Pensioenfonds Metaal en Techniek (BPMT) bij.

2.2.

De statutair-directeur van [Q], [Q], is in het verleden werkzaam geweest als directeur Beleggingen voor MN Services en voor BPMT.

2.3.

In 2005 was [Q] als adviseur van Wageningen University and Research Centre (WUR) betrokken bij het project “Nieuw Kortenoord”. Dat project betrof de ontwikkeling van grond (weilanden) in de gemeente Wageningen die in 2005 in eigendom was van het WUR, en de bouw van woningen op die gronden. Om die bouw mogelijk te maken diende de bestemming gewijzigd te worden.

2.4.

Bouwfonds Ontwikkeling BV of een aan haar gelieerde vennootschap (verder: Bouwfonds) kreeg van het WUR toestemming de woningen te ontwikkelen en te bouwen op de grond. Bouwfonds heeft vervolgens (delen van) de grond gekocht van het WUR.

2.5.

[Q] heeft MN Services in 2005 benaderd over het project Nieuw Kortenoord en meegedeeld dat de bestemming van de grond aanpassing behoefde voordat de woningen gebouwd zouden kunnen worden en dat de gemeente positief gestemd was over de ontwikkeling van woningen. Hij heeft uiteengezet dat Bouwfonds nog een ‘masterplan’ zou moeten maken en studies naar de ontwikkeling zou moeten verrichten. [Q] heeft er op gewezen dat het voor MN Services (als vermogensbeheerder) althans BPMT interessant zou zijn om in een vroeg stadium met de ontwikkelaar, Bouwfonds, in contact te komen, om bij de ontwikkeling van het project betrokken te kunnen worden zodat met haar wensen rekening gehouden zou kunnen worden. [Q] heeft MN Services medegedeeld dat hij de directeur van Bouwfonds ([C]) kende en hij zorg zou kunnen dragen voor de totstandkoming van een gesprek met Bouwfonds en haar directeur om – kort gezegd – het ertoe te doen leiden dat MN Services (althans BPMT) betrokken zou worden bij de ontwikkeling van de woningen en de koop van (een deel van) de woningen, als beleggingsobject.

2.6.

Op 25 juli 2005 zond [Q] aan de heer [A] ([A]) van MN Services een e-mail, met de volgende inhoud:

“Wageningen Project Kortenoord

[B],

Zoals wij hedenochtend bespraken zou ik dit even per e-mail uitleggen, mede omdat jij over

enige dagen op vakantie gaat en omdat dit alles onder [A] valt (ik zou graag met

hem kennismaken).

-Ik ben betrokken bij dit project als Adviseur Vastgoed van Wageningen Universiteit en

Research Center (WTJR). Ik begeleid het hele verkoopproces en het juridisch/fiscale met

Loyens&Loeff.

-Het betreft ca 750 koop- en huurwoningen op ca 56 ha eigen grond van WUR, gelegen

naast het oude centrum van het stadje Wageningen. Bestemmingsplan wordt gewijzigd naar

Woningbouw. De Gemeente en GS zijn enthousiast.

-Bouwfonds heeft vorige week de beauty contest gewonnen en is reeds akkoord met de

Letter of Intent. Ondertekening gebeurt volgende week. Daarna wordt opgestoomd naar de

Koopovereenkomst, waarbij de grond door B. zal worden afgenomen in trances of

desgewenst ineens.

-B. gaat het Masterplan maken en alle nodige studies; WUR keurt dat allemaal goed,

teneinde zeker te zijn dat het Masterplan is ge-optimaliseerd voor een maximale

grondopbrengst voor WUR. Het Masterplan is rond Januari klaar. De Koopovereenkomst

reeds begin December.

-Het is uiterst belangrijk voor een woningbelegger dat hij er zo snel mogelijk bij betrokken

is. Er zijn veel kapers op de kust en B. is natuurlijk nog helemaal niet geïnteresseerd in een
woningbelegger. Het is voor hem in het geheel niet opportuun en eigenlijk voor B alleen

maar lastig, al die pottekijkers Als het plan klaar is, is het tijd genoeg om met de beleggers

te gaan praten. Echter dit is niet de goede situatie voor de belegger zelf, want voor hem is

het dan mogelijk al te laat. Woningen worden zelden aangeboden; daar moetje helemaal in

het begin bij zijn..

-Ik ken de hierbij betrokken directeur van B. en ik kan zeer waarschijnlijk wel een opening

maken voor een gesprek waaruit dan een “claim moet volgen om te komen tot een afspraak

van een LoI, uiteindelijk leidend tot een Koop-aannemingsovereenkomst voor stel 25-100

woningen.

Ik besprak met jou het volgende honorarium voor [Q] Partners BV

- Een gemitigeerd 0.75% (i.p.v. de normale 1%), excl. BTW van de (turn key) koopsom,

excl. BTW voor mijn blijvende en volledige inzet.

- Betaling: 50% bij ondertekening van een Lol en 50% bij de ondertekening van een Koop

aannemingsovereenkomst.

- De afspraken blijven gelden als de rechten worden doorgegeven aan een andere belegger.

- Indien de besprekingen leiden tot een volledig andere samenwerking van U met

Bouwfonds zal een redelijke fee met [Q] Partners worden overeengekomen.

Gezien de vakanties ontvang ik gaarne , mogelijk per omgaande, uw akkoord per e-mail,

zodat ik er terstond aan kan werken. Hoe sneller hoe beter.“

2.7.

Op deze e-mail reageerde [A] op 28 juli 2005 als volgt:

“Goedemorgen [Q] ([Q], rb.),
Naar aanleiding van de prettige ontmoeting op de Rijswijkse Golf, bevestig ik hierbij de gemaakte afspraak dat we conform onderstaande e-mail bericht gaan werken aan het “Wageningen” project. (…)”

Met de “onderstaande” e-mail doelde [A] op de in 2.6. geciteerde e-mail.

2.8.

[Q] heeft aan [C] van Bouwfonds door middel van een e-mail van 25 juli 2005 kenbaar gemaakt dat MN Services/BPMT geïnteresseerd was in het project Nieuw Kortenoord en verzocht om een gesprek teneinde MN Services de gelegenheid te bieden, met voorrang op andere potentiële kopers, een pakket (turn-key) woningen van Bouwfonds te kopen.
Dat gesprek is tot stand gekomen: op 13 september 2005 hebben [C], namens Bouwfonds, en [A] en [D] ([D]), namens MN Services, in aanwezigheid van [Q] , elkaar gesproken over het project tijdens een lunch in de brasserie van Karel V te Utrecht. Dat gesprek in Utrecht was vooraf gegaan door een (op initiatief van [Q] tot stand gekomen) voorbereidend gesprek tussen [Q], [A] en [D] in hotel De Wereld te Wageningen.

2.9.

Kort na het gesprek met [C] hebben de heren [D] en [A] een e-mail opgesteld die zij hebben verzonden aan Bouwfonds. De tekst van de e-mail hebben [D] en [A] eerst in concept voorgelegd aan [Q] in een e-mail van 14 september 2005. De tekst van die e-mail luidt als volgt:


“Geachte heer [C], beste [C],

Het was ons een groot genoegen 13 september in Utrecht kennis te maken. Het gesprek, waarbij ook de heer [Q] aanwezig was, verliep in een zeer prettige sfeer. Hartelijk dank dus voor de uitmuntende ontvangst.

We hebben uitgebreid kennis kunnen nemen van de bedrijfsactiviteiten van Bouwfonds MAB

Ontwikkeling regio Midden-Oost. Hopelijk hebben wij ook een goed beeld over kunnen brengen van Mn Services Onroerend Goed Nederland.

Concrete aanleiding voor het gesprek is de gebiedsontwikkeling “Kortenoord” in Wageningen. Bouwfonds heeft in dit gebied de mogelijkheid in samenwerking met de gemeente Wageningen plannen te ontwikkelen voor woningen. U gaf aan dat de eerste stap die gezet zal worden het maken van een Masterplan zal zijn.

Over het te doorlopen tijdspad tot aan realisatie zijn nog geen afspraken vastgelegd. Wel is duidelijk dat het om een middenlange termijn ontwikkeling gaat.

Wij hebben bij u neergelegd dat Mn Services voor het Pensioenfonds Metaal en Techniek woningen aankoopt voor de verhuur. Onze eerste indruk van “Kortenoord” is dat er zich ook in dit gebied kansen zullen voordoen voor woningen in de huursector. Dit kunnen zowel grondgebonden woningen als appartementen zijn.

Afsluitend zijn we in het gesprek tot de volgende conclusie gekomen. Bouwfonds MAB en Mn Services zien mogelijkheden voor afspraken in een vroeg stadium over “Kortenoord”. Beide partijen onderschrijven dat het proces van gebiedsontwikkellng zich nog in het meest prille stadium bevindt, maar dat dit geen belemmering vormt om elkaar over de mogelijkheden te blijven informeren en tot afstemming te komen. De aanwezige

expertise bij Bouwfonds MAB en Mn Services kan een krachtige impuls zijn voor realisatie van “Kortenoord”. Wij stellen het daarom zeer op prijs op korte termijn te zijn uitgenodigd bij u op kantoor voor een nadere kennismaking.

Graag verneem ik van u of u zich kunt vinden in de globale weergave van onze bespreking en de aanzet voor het vervolg.

Met belangstelling wachten wij uw reactie af

Met vriendelijke groet,

[A] drs. [D]”


[Q] heeft dezelfde dag op die e-mail als volgt gereageerd:

“[D],

Bij thuiskomst zie ik jouw e-mail reeds.

Ik heb nauwelijks een opmerking, wel een suggestie voor twee toevoegingen.

‘Wij hebben bij u Pmt (het derde pens.f. van Nederland met € 23 miljard) woningen aankoop voor de verhuur.

[D]; weinig mensen bij Bouwfonds weten iets van de pensioenwereld, dat geeft dus enige indruk voor een ‘grote” relatie voor de toekomst.

-“…blijven informeren en tot afstemming te komen. Wij spraken over het feit dat MnS ( een van de eerste) de eerste belegger voor huurwoningen in Kortenoord zou kunnen zijn, welke woningen Bouwfonds dan turnkey zou kunnen opleveren.

Hartelijke groet

[Q]”

2.10.

Op 27 september 2005 heeft [Q] het navolgende geschreven aan [A] van MN Services:

“Hallo,
Hebben jullie al schriftelijk antwoord gehad van [C] van Bouwfonds mbt jullie e-m inzake ons gesprek in Utrecht?; anders ga ik daar achteraan.”

2.11.

Na geruime tijd ‘radiostilte’ zond [Q] [A] op 9 december 2009 een e-mail met de navolgende tekst:

“Hallo [A],

Ik heb meerdere keren getracht iets aan jou door te mailen. Het kwam altijd terug

Hierbij zend ik je dit , hetgeen via Richard hopelijk ook wel bij jou komt, voor het geval het weer niet lukt.

Je zult zeker geïnteresseerd zijn hoe het gaat met Kortenoord. In het kort; WUR heeft het formeel aan Bouwfonds verkocht, maar houdt contractueel de goedkeuringen voor levering in handen. B. heefteen doorbraak gemaakt en een plan ingediend met

1000 woningen, waarvan er ca 40% in de lagere koop sector en huursector zitten. Men ontwikkelt nu de eerste fase om goedkeuring te krijgen. Mogelijk is er een bouwvergunning 3e kw2010 voor de eerste fase.

Ik zend je dit, zoals je weet, mede gezien onze afspraak mbt Kortenoord , waarbij jullie , desgewenst als eerste bij B (zoals zij hebben toegezegd) aan tafel kunnen zitten voor het organiseren/kopen van huurwoningen.

Ik hoop je morgen te zien op de borrel van CB Richard Ellis in het Amstelhotel

Groet

[Q]“


[A] reageerde op deze e-mail als volgt op 10 december 2009:

“Dank voor het onderstaande mailbericht. Opmerkelijk dat de berichten retour naar je kwamen. Ik heb dit niet eerder van een andere afzender gehoord.”

2.12.

Nadat [Q] vernomen had dat MN Services in naam of ten behoeve van BPMT in november 2012 34 woningen in het project Nieuw Kortenoord had gekocht, heeft zij, eerst mondeling later schriftelijk, verzocht het verschuldigde loon aan haar te voldoen.

2.13.

In de op 20 september 2012 gesloten koopovereenkomst tussen Bouwfonds en MN Services gesloten koopovereenkomst is in artikel 1 het navolgende vermeld:

“Partijen verklaren uitdrukkelijk dat de heer [Q] op geen enkele wijze

door Partijen is ingeschakeld voor bemiddeling of het verlenen van diensten

anderszins. Koper heeft Verkoper zelfstandig benaderd voor de koop van 34

eengezinswoningen (zijnde het Verkochte) in het Project.“

3 Het geschil

3.1.

[Q] vordert ‘incidenteel’ op grond van artikel 843a Rv. inzage afschrift of uittreksel van bescheiden waaruit kan worden opgemaakt welk exact bedrag aan loon MN Services aan [Q] verschuldigd is. Verder vordert zij de veroordeling van MN Services tot betaling van het verschuldigde loon, althans € 53.150,69, vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf de datum van verzuim, tot betaling van € 1.293,55 wegens buitengerechtelijke incassokosten, alsmede in de gedingkosten, daaronder de nakosten begrepen, dit alles bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

3.2.

MN Services voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van [Q] en het verweer van MN Services wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

MN Services heeft bij conclusie van antwoord de koopovereenkomst tussen Bouwfonds Ontwikkeling BV en MN Services (handelend voor BPMT) van 20 september 2012 in kopie overgelegd. Uit die koopovereenkomst blijkt ook op welke datum tussen koper en verkoper een letter of intent gesloten is, namelijk 22 juni 2012. Nu deze informatie is ingebracht heeft [Q] BV geen belang meer bij haar op artikel 843a Rv gebaseerde ‘incidentele’ vordering, zodat deze vordering zal worden afgewezen.

4.2.

Naar het oordeel van de rechtbank moet de rechtsrelatie tussen [Q] en MN Services worden bestempeld als een bemiddelingsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:425 BW. [Q] heeft immers op zich genomen werkzaamheden, gericht op de totstandkoming van een overeenkomst tussen [Q] en Bouwfonds ter zake de koop van woningen in het project Nieuwe Kortenoord, te verrichten. Daarbij zijn [Q] en MN Services een loon overeengekomen dat in twee tranches tot uitkering zou moeten komen: 50% bij de ondertekening van een letter of intent en 50% bij de ondertekening van de koopovereenkomst. [Q] heeft zich, behoudens de totstandbrenging van het contact tussen MN Services en Bouwfonds, verplicht tot de “blijvende en volledige inzet” van [Q].

4.3.

De rechtbank stelt vast dat de bemoeienissen van [Q] zich in wezen beperkt hebben tot het in contact brengen van MN Services met de projectontwikkelaar, Bouwfonds, en de aanwezigheid van [Q] bij het kennismakingsgesprek in september 2005, waarbij is gesproken over het project Nieuw Kortenoord. [Q] heeft nog ‘meegekeken’ naar het verslag van het gesprek, dat MN Services nadien aan Bouwfonds heeft gezonden. Na het onder 2.10. geciteerde aanbod van [Q] “daar achteraan” te gaan, heeft – zo begrijpt de rechtbank – alleen nog contact per e-mail plaatsgevonden op 9 en 10 december 2009; de e-mail van 9 december 2010 van [Q] is onder 2.11. geciteerd.

4.4.

Het standpunt van [Q] is dat, nu de ten tijde van het aangaan van de bemiddelingsovereenkomst tussen [Q] en MN Services voor ogen staande transactie waarbij [Q] bemiddelde, tot stand is gekomen, het overeengekomen loon verschuldigd is.

4.5.

MN Services neemt het standpunt in dat geen loon verschuldigd is, omdat geen verband bestaat tussen de werkzaamheden van [Q] en de totstandkoming van de koopovereenkomst tussen MN Services en Bouwfonds. MN Services wijst erop dat er ongeveer zeven jaar gelegen is tussen het sluiten van de overeenkomst tussen [Q] en MN Services en de totstandkoming van de koopovereenkomst met Bouwfonds. Bovendien waren, zo voert MN Services aan, andere personen bij de totstandkoming van de koopovereenkomst tussen MN Services en Bouwfonds betrokken dan de personen die namens MN Services respectievelijk Bouwfonds in 2005 contact hadden over het project Nieuw Kortenoord. En verder, zo benadrukt MN Services, heeft [Q] geen werkzaamheden verricht die (mede) hebben bewerkstelligd dat de koopovereenkomst met Bouwfonds tot stand is gekomen, terwijl [Q] niet heeft gedaan wat van hem als bemiddelaar verwacht mocht worden, namelijk het als ‘libero’ trachten in overleg met de ontwikkelaar (Bouwfonds) een plan te creëren dat commercieel en programmatisch aansluit bij de wensen van MN Services.

4.6.

De rechtbank overweegt allereerst dat een verloop van zeven jaar tussen de bemiddelingsactiviteiten die in 2005 hebben plaatsgevonden (het leggen van contact met Bouwfonds en het voeren van een gesprek samen met MN Services en Bouwfonds over het project Nieuw Kortenoord) en het sluiten van de koopovereenkomst, op zichzelf niet dwingt tot de conclusie dat het verband met de bemiddelingsrol die [Q] heeft vervuld voor MN Services is ‘verwaterd’, zodat [Q] geen aanspraak kan maken op het overeengekomen loon. De rechtbank stelt vast dat partijen geen looptijd voor de bemiddelingsovereenkomst zijn overeengekomen, terwijl bovendien niet of onvoldoende weersproken is de stelling van [Q] dat een project als het onderhavige, waarbij in een pril stadium contact is gelegd met de beoogde projectontwikkelaar, nog geruime tijd – te verstaan als: een aantal jaren – zou (kunnen) vergen. Daarbij acht de rechtbank van belang dat gesteld noch gebleken is dat de bemiddelingsovereenkomst door MN Services is opgezegd terwijl evenmin uit de gestelde feiten en omstandigheden te destilleren valt dat partijen zich na verloop van tijd na het aangaan van de bemiddelingsovereenkomst niet meer aan hun afspraken gebonden achtten. Sterker, uit de e-mail van [Q] van 9 december 2009 – ruim vier jaar na het aangaan van de bemiddelingsovereenkomst én na het laatste contact tussen partijen – valt duidelijk op te maken dat [Q] partijen nog aan de overeenkomst gebonden achtte, terwijl de reactie van MN Services van 10 december 2009 tot de conclusie dwingt dat zulks voor MN Services kennelijk ook gold, nu MN Services geen enkel bezwaar heeft geuit tegen de verwijzing van [Q] in zijn e-mail van 9 december 2009 naar de onverminderd bestaande afspraak over het project Nieuw Kortenoord.
Ten aanzien van het verweer van MN Services dat de bemiddelingsovereenkomst met [Q] (in ieder geval) in 2012 was ‘uitgewerkt’ geldt dat voor de aanvaarding van dat standpunt, tegen de achtergrond van het voorgaande, onvoldoende aanknopingspunten zijn aangedragen. In dat verband moet nog in aanmerking worden genomen dat gesteld noch gebleken is dat het te ontwikkelen project met het oog waarop [Q] en MN Services de bemiddelingsovereenkomst zijn aangegaan, een ander karakter heeft gekregen. Niet gezegd kan worden dat de uiteindelijk gesloten overeenkomst niet meer aansloot op het doel waarvoor de bemiddeling van [Q] is ingeroepen.

4.7.

De enkele omstandigheid dat in 2005 door namens MN Services door [A] en [D] en namens Bouwfonds door [C] is gesproken over (de interesse van MN Services voor) het project Nieuw Kortenoord, terwijl – naar MN Services aanvoert – bij de totstandkoming van de overeenkomst de zojuist genoemde personen uiteindelijk niet betrokken zijn geweest, werpt onvoldoende gewicht in de schaal om [Q] een recht op loon te ontzeggen. In dat verband moet in ogenschouw worden genomen dat doorgaans ook andere factoren dan uitsluitend de bemoeienissen van een bemiddelaar een rol kunnen spelen bij de (al of niet) totstandkoming van de beoogde overeenkomst. Welk aspect of wiens inbreng daarbij een doorslaggevende of belangrijke rol heeft gespeeld zal niet zelden moeilijk vastgesteld kunnen worden. Om te voorkomen dat bij bemiddelingsovereenkomsten telkens de vraag beantwoord zal moeten worden of en in hoeverre de bemiddelaar werkelijk een (doorslaggevende) bijdrage heeft geleverd aan de totstandkoming van de overeenkomst geldt daarom – bij gebreke van een andersluidende afspraak met de bemiddelaar – als regel dat het overeengekomen loon zonder meer verschuldigd is indien de beoogde overeenkomst tot stand komt. Bij een bemiddelingsovereenkomst zal dan ook niet in het algemeen als voorwaarde gesteld kunnen worden dat er een duidelijk causaal verband vastgesteld moet worden tussen de bemoeienissen van de bemiddelaar en de totstandkoming van de beoogde overeenkomst. Van bijzondere omstandigheden die dwingen tot afwijking van die regel is in dit geval niet gebleken.

4.8.

Dat [Q], zoals MN Services aanvoert, geen bemiddelingsactiviteiten heeft ontplooid nadat door tussenkomst van [Q] in september 2005 contact was gelegd tussen MN Services en Bouwfonds, levert in ieder geval niet een dergelijke bijzondere omstandigheid op. MN Services heeft er, blijkens de e-mail die MN Services na het gesprek dat op 13 september 2005 met Bouwfonds had plaatsgevonden, kennelijk voor gekozen zelf verder contact te onderhouden met Bouwfonds. Om die reden lag het niet voor de hand dat [Q], in ieder geval niet zonder afstemming met MN Services, nadere initiatieven zou ontplooien. Gesteld noch gebleken is dat MN Services van [Q] heeft verlangd dat hij verdere stappen zou zetten na de introductie van MN Services bij Bouwfonds. Zelfs in december 2009 heeft MN Services, terwijl zij door [Q] was herinnerd aan de nog steeds bestaande overeenkomst, geen actie van [Q] verlangd. De enkele omstandigheid dat [Q] bij het aangaan van de bemiddelingsovereenkomst heeft toegezegd dat van zijn zijde sprake zou zijn van “blijvende en volledige inzet” kan er niet toe leiden dat [Q] geen recht heeft op het (gehele) loon: kennelijk heeft MN Services bij het aangaan van de overeenkomst geen aanleiding gezien te specificeren wat zij van [Q] verwachtte. De conclusie die de rechtbank daaruit trekt is dat het partijen bij deze bemiddelingsovereenkomst vooral ging om de introductie van MN Services bij Bouwfonds. Die introductie heeft [Q] verzorgd, terwijl de beoogde overeenkomst uiteindelijk, in 2012, tot stand is gekomen. Als MN Services van [Q] verwachtte dat deze een rol als ‘libero’ zou spelen in de aanloop naar het aangaan van een overeenkomst, dan had zij dat bij het aangaan van de overeenkomst specifiek moeten bedingen, althans nadien duidelijk moeten maken dat zij van [Q] verlangde dat hij de bij die rol behorende activiteiten zou verrichten. MN Services kon in redelijkheid niet pas na het aangaan van de overeenkomst met Bouwfonds met dit argument op de proppen komen.

4.9.

De slotsom is dat de rechtbank de geldvordering van [Q] (die, naar tussen partijen vast staat, iets lager is dan waarop [Q] op grond van de bemiddelingsovereenkomst aanspraak kan maken) toewijsbaar acht. De rechtbank zal, gezien de datum waarop de letter of intent is aangegaan door MN Services en Bouwfonds (22 juni 2012) de rente over 50% van de gevorderde som toewijzen vanaf 22 juni 2012. Over de andere 50% zal rente verschuldigd zijn vanaf de datum van het aangaan van de koopovereenkomst door MN Services en Bouwfonds (20 september 2012). Tegen de (hoogte van de) gevorderde buitengerechtelijke incassokosten is geen verweer gevoerd, terwijl het gevorderde berekend is volgens het Besluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten. Deze kosten (€ 1.293,55) zullen worden toegewezen.

4.10.

MN Services zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten, aan de zijde van [Q] begoot op € 1.836,- wegens griffierecht (mede voor het verzoekschrift tot verkrijging van verlof voor het leggen van conservatoir beslag), € 395,12 wegens exploitkosten (€ 318,51 voor beslagexploiten, € 76,61 voor de betekening van de dagvaarding) en € 2.682,- wegens salaris advocaat (3 punten á € 894,-, tarief III)

5 De beslissing

De rechtbank


5.1. veroordeelt MN Services aan [Q] te voldoen het bedrag van € 53.150,69, verhoogd met de wettelijke rente over € 26.575,35 vanaf 22 juni 2012 en met de wettelijke rente over € 26.575,35 vanaf 20 september 2012;

5.2.

veroordeelt MN Services in de proceskosten aan de zijde van [Q] tot aan deze uitspraak begroot op € 4.913,12 en in de nakosten, € 131,- zonder en € 199,- mét betekening van dit vonnis;

5.3.

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Vetter en in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2014.1

1 type: 2062 coll: