Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:8166

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-06-2014
Datum publicatie
03-07-2014
Zaaknummer
C/09/468611/ KG RK 14-1286, UTL-I-2012058615, 14/428
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

wraking uitleveringskamer afgewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

WRAKINGSKAMER VAN DE RECHTBANK DEN HAAG

Meervoudige wrakingskamer

Wrakingnummer 2014/36

zaak-/rekestnummer: C/09/468611/ KG RK 14-1286

kenmerkt: UTL-I-2012058615

raadkamernummer: 14/428

datum beschikking: 26 juni 2014

BESLISSING

op het mondelinge verzoek tot wraking in de zaak van:

[verzoeker],

wonende te [plaats],

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting Almere,

verzoeker,

bijgestaan door mrs. R. Heemskerk te Den Haag, T. Felix te Amsterdam, en J. Flamme te Gent (België),

strekkende tot wraking van:

mr. M.T. Renckens,

mr. E.J. van As,

mr. M.M. Meessen

rechters in de rechtbank Den Haag.

Belanghebbenden: de officieren van justitie (mrs. T. Berger en E.M.A.F. Vos).

1 De voorgeschiedenis en het procesverloop

Verzoeker wordt verdacht van oorlogsmisdrijven in Rwanda. Tegen hem loopt een uitleveringsverzoek. Op 26 juni 2014 heeft een in het openbaar gehouden zitting van de uitleveringskamer plaatsgevonden. Geagendeerd stond de tweede termijn voor de officier van justitie en vervolgens de tweede termijn voor de verdediging. Tijdens deze zitting is de meervoudige kamer bij mondeling verzoek van de verdediging gewraakt.

2 De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek

Op 26 juni 2014 is het wrakingsverzoek ter zitting van de wrakingskamer behandeld. Verschenen zijn verzoeker, bijgestaan door mrs. Heemskerk en Felix, de leden van de uitleveringskamer en de officier van justitie mr. T. Berger. Mr. Felix heeft het wrakingsverzoek nader toegelicht. De uitleveringskamer heeft ter zitting mondeling gereageerd en de officier van justitie mr. Berger heeft zijn zienswijze mondeling toegelicht.

3 Het standpunt van verzoeker

3.1

Van de zitting waarbij de uitleveringskamer is gewraakt, is een proces-verbaal opgemaakt, waarin het volgende is opgenomen:

“(…) Na hervatting van het onderzoek deelt de voorzitter als beslissing van de rechtbank mede:

Het zittingsschema is reeds op 6 maart 2014 afgesproken met partijen, iedereen wist dus waar hij of zij aan toe was. De rechtbank wil de verdediging ter wille zijn in haar verzoek om meer tijd voor de voorbereiding van dupliek en heeft naast voortzetting vanmiddag om 14.00 uur of 14.30 uur als enige optie voortzetting morgenmiddag vanaf 13.30 uur. Andere opties zijn er niet.

(…)

Mr. Flamme geeft wederom aan dat hij onmogelijk in staat moet worden geacht om binnen deze korte termijn een reactie te geven op de repliek van het openbaar ministerie.

Mr. Felix verzoekt namens de verdediging om wraking van de leden van deze meervoudige kamer.

De raadsman doet desgevraagd opgave van de volgende feiten en omstandigheden die aanleiding geven tot het wrakingsverzoek:

De beslissing dat het zittingsschema van de rechtbank leidend is, vindt de verdediging onbegrijpelijk en daarmee is de objectieve schijn van partijdigheid van de meervoudige kamer in het geding. De verdediging heeft een bijzondere positie in deze zaak, onder meer omdat het een uitlevering terzake een verdenking van oorlogsmisdrijven betreft en daarbij heeft het openbaar ministerie ongeveer 42 uur de tijd gehad om op het pleidooi te reageren. Bovendien heeft de officier van justitie bij het openbaar ministerie reeds beschikbare informatie pas vandaag overgelegd. De verdediging wil naar aanleiding van die nieuwe informatie onderzoek doen en krijgt daar van uw rechtbank geen gelegenheid toe. De motivering van de afwijzing van het aanhoudingsverzoek is daarmee zodanig summier dat op zijn minst daarmee de schijn wordt gewekt dat het weerwoord van de verdediging in dupliek er niet meer toe doet. En daarmee is de schijn van vooringenomenheid gegeven. Dit is de reden voor de wraking (…).”

3.2

Mr. Felix heeft het wrakingsverzoek ter zitting nader toegelicht. Hij heeft, zakelijk weergegeven, gesteld dat door het openbaar ministerie in de tweede termijn nieuwe stukken zijn overgelegd en nieuwe informatie naar voren is gebracht. De verdediging heeft recht op en belang bij ‘adequate time’ om daarop te reageren en heeft een week nodig voor nader onderzoek en voorbereiding van haar reactie. De officier van justitie heeft 42 uren de tijd gehad om zijn reactie op het pleidooi voor te bereiden. Door de verdediging onvoldoende tijd te gunnen voor voorbereiding van haar tweede termijn is geen sprake van ‘equality of arms’. Eén en ander moet worden bezien in het licht van de aard en zwaarte van de zaak.

De summiere motivering van de beslissing van de rechtbank geeft er geen blijk van dat de rechtbank rekening heeft gehouden met de door de verdediging aangevoerde gronden voor het aanhoudingsverzoek en daardoor is de schijn ontstaan dat de tweede termijn van de verdediging er voor de rechtbank niet meer toe doet.

4 Het standpunt van de meervoudige kamer

De meervoudige kamer heeft niet in de wraking berust. Ter zitting heeft de voorzitter van de meervoudige kamer verwezen naar het oordeel van de rechtbank zoals weergegeven in het proces-verbaal.

5 De beoordeling

5.1

De wrakingskamer overweegt ambtshalve dat in artikel 29, eerste lid, van de Uitleveringswet art. 512 van het Wetboek van Strafvordering niet van overeenkomstige toepassing is verklaard. In strafrechtelijke, civielrechtelijke en bestuursrechtelijke geschillen kunnen echter de rechters die een zaak behandelen worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Naar het oordeel van de wrakingskamer is deze rechterlijke onpartijdigheid een zodanig fundamentele aangelegenheid dat deze voorziening op uitleveringszaken van overeenkomstige toepassing dient te worden verklaard.

5.2

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van art. 6, eerste lid, EVRM dient uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

5.3

Van een gebrek aan onpartijdigheid kan, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de betrokken rechter, ook sprake zijn indien bepaalde feiten of omstandigheden grond geven te vrezen dat het een rechter in die omstandigheden aan onpartijdigheid ontbreekt. Alsdan dient de rechter zich van een beslissing in de hoofdzaak te onthouden, want rechtzoekenden moeten in het rechterlijk apparaat vertrouwen kunnen stellen. Daarom valt onder omstandigheden ook rekening te houden met de uiterlijke schijn.

5.4

Door de rechtbank genomen beslissingen, ook als deze beslissingen in het nadeel van de verzoeker uitvallen en zelfs als die beslissingen als onjuist zouden moeten worden aangemerkt, vormen in het algemeen geen grond om te veronderstellen dat de betrokken rechter vooringenomenheid jegens de verzoeker koestert of dat de vrees voor vooringenomenheid objectief gerechtvaardigd is. Wraking kan niet fungeren als rechtsmiddel tegen onwelgevallige processuele beslissingen. Vrees voor vooringenomenheid kan slechts objectief gerechtvaardigd zijn als de rechter een beslissing heeft genomen die in het licht van de feiten en omstandigheden van het geval zo onbegrijpelijk is, dat daarvoor redelijkerwijze geen andere verklaring is te geven dan dat deze door vooringenomenheid van de rechter is ingegeven.

5.5

De wrakingskamer stelt voorop dat de beslissing van de rechtbank die aanleiding heeft gegeven tot het wrakingsverzoek een processuele beslissing is. De motivering van deze beslissing is weliswaar summier, maar deze moet naar het oordeel van de wrakingskamer worden gelezen in het licht van het feit dat eerder, op de regiezitting van 6 maart 2014, door de rechtbank al een beslissing was genomen over de planning van de uitleveringszaak, in het bijzonder ten aanzien van het voeren van de tweede termijn door het openbaar ministerie en vervolgens op dezelfde dag door de verdediging. Blijkens het proces-verbaal van die zitting hebben partijen zich destijds over dit voorstel kunnen uitlaten en is hiertegen door de verdediging geen bezwaar gemaakt. Bij deze zitting zijn ook de eventueel te hanteren termijnen voor het overleggen van stukken en de gevolgen daarvan voor de procesvoering besproken.

Bovendien houdt de beslissing van de rechtbank in dat aan de verdediging – op haar verzoek – ten opzichte van de eerder gemaakte afspraken uitstel wordt verleend en wel van 24 uur. In het licht van het feit dat de verdediging op de zitting van 26 juni 2014 kennelijk niet heeft onderbouwd welk onderzoek op grond van de door de officier van justitie in tweede termijn verstrekte informatie nodig is en hoeveel tijd daarmee is gemoeid, behoefde de rechtbank in haar beslissing niet te motiveren waarom zij een uitstel van 24 uur kennelijk voldoende achtte voor een adequate verdediging.

Ten slotte geldt dat er door de rechtbank nog geen definitieve beslissing is genomen over het tijdstip van sluiting van het onderzoek ter terechtzitting. De verdediging heeft ook in haar tweede termijn nog de gelegenheid alles wat zij dienaangaande van belang acht, naar voren te brengen.

Gelet op het bovenstaande is de motivering van de beslissing die aanleiding heeft gevormd voor de wraking dan ook niet zo onbegrijpelijk dat deze de objectief gerechtvaardigde schijn van vooringenomenheid met zich brengt.

5.6

De slotsom is dat er onvoldoende grond is om aan te nemen dat sprake is van een objectief gerechtvaardigde grond voor vooringenomenheid.

6 De beslissing

De wrakingskamer:

- wijst het verzoek tot wraking af;

- bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;

- beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde in artikel 515, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegezonden aan:

 verzoeker p/a van zijn raadslieden (mrs. R. Heemskerk, T. Felix en J. Flamme);

 de rechters mrs. M.T. Renckens, E.J. van As en M.M. Meessen;

 de officieren van justitie mrs. T. Berger en E.M.A.F. Vos.

Deze beslissing is gegeven door mrs. E. Rabbie, voorzitter, I.D. Bellaart en I. Brand, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. Tijs als griffier en in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2014.