Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:8031

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
29-04-2014
Datum publicatie
01-07-2014
Zaaknummer
AWB 13/15912 & 13/15913
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

herhaalde aanvraag; artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag; Somalië; terugkeerbesluit/inreisverbod

Eiser heeft eerder aanvragen ingediend om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. In de eerste procedure is artikel 1F op eiser van toepassing geacht.

Eiser voert aan dat het opleggen van een inreisverbod, terwijl artikel 3 EVRM zich tegen uitzetting verzet, innerlijk tegenstrijdig en derhalve onrechtmatig is. Artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, richtlijn 2008/115/EG verzet zich tegen verwijdering van een vreemdeling wanneer die verwijdering zal leiden tot een schending van het beginsel van non-refoulement.

De rechtbank volgt eiser niet in zijn beroepsgrond. Een terugkeerbesluit betreft de vaststelling dat het verblijf van eiser in Nederland onrechtmatig is en dat een terugkeerverplichting bestaat voor eiser. Dit betekent allereerst dat eiser gehouden is Nederland vrijwillig te verlaten. In het geval van eiser heeft verweerder vastgesteld dat uitzetting naar het land van herkomst in strijd is met het verbod van non-refoulement. Verweerder zal daarom niet overgaan tot fysieke verwijdering van eiser uit Nederland, conform het gestelde in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, richtlijn. Noch de tekst, noch de systematiek van de richtlijn verzet zich er vervolgens tegen dat op eiser een terugkeerverplichting blijft rusten.

Eiser stelt zich op het standpunt dat hem, indien hij dient te voldoen aan zijn vertrekplicht, slechts de mogelijkheid rest naar een derde land te gaan, waar hij ook wordt toegelaten. Eiser heeft echter geen banden met een derde land, zodat er ook geen aanknopingspunten voor een ander land zijn waarnaar eiser kan terugkeren. Uit artikel 3, aanhef en onder drie, richtlijn volgt dat het aan de vreemdeling is om aannemelijk te maken dat hij niet kan voldoen aan de op hem rustende terugkeerverplichting, al dan niet door te vertrekken naar een ander land dan zijn land van herkomst, en niet aan verweerder om te onderzoeken of de vreemdeling al dan niet aan zijn terugkeerverplichting kan voldoen. Derhalve is het niet aan verweerder om te onderzoeken of eiser kan voldoen aan de op hem rustende terugkeerverplichting, maar aan eiser om aannemelijk te maken dat hij hieraan niet kan voldoen.

Eiser doet tenslotte een beroep op artikel 41 en artikel 47 Handvest. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat zijn recht op behoorlijk bestuur, als bedoeld in dat artikel, is geschonden. Het enkele feit dat eisers aanvraag niet heeft geleid tot verlening van de gevraagde verblijfsvergunning, vormt in ieder geval onvoldoende grond voor het oordeel dat zijn zaak niet op onpartijdige of billijke wijze of binnen een redelijke termijn is behandeld. Daarbij is eiser in de onderhavige procedure is gehoord, in de gelegenheid gesteld de door hem van belang geachte feiten en omstandigheden naar voren te brengen middels een zienswijze, heeft hij inzage gehad in zijn dossier en heeft verweerder zijn beslissing afdoende gemotiveerd. Ook eisers beroep op artikel 47 van het Handvest slaagt niet. Immers, eiser heeft een rechtsmiddel kunnen instellen tegen het besluit tot oplegging van het inreisverbod. Dat dit beroep niet de uitkomst heeft die eiser had gewenst, maakt niet dat het ingestelde rechtsmiddel niet kan worden aangemerkt als een doeltreffende voorziening in rechte bij een onpartijdig gerecht.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht, geldigheid: 2014-07-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 13 / 15912 (beroep)

AWB 13 / 15913 (voorlopige voorziening)

uitspraak van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 29 april 2014 in de zaak tussen

[verzoeker],

geboren op [geboortedatum], van Somalische nationaliteit,

eiser, verzoeker

hierna te noemen eiser,

(gemachtigde: mr. E. van Kempen, advocaat te Amsterdam),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

verweerder,

(gemachtigde: mr. H.D. Streef, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst).

Procesverloop

Bij besluit van 13 juni 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen. Verder is eiser een termijn voor vrijwillig vertrek onthouden en wordt aan hem een inreisverbod voor de duur van tien jaar opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Eiser heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Hij verzoekt verweerder te verbieden hem uit te zetten tot vier weken nadat de rechtbank op het beroep heeft beslist.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 december 2013. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

De rechtbank betrekt bij de beoordeling de volgende feiten. Eiser heeft op 8 maart 2001 een aanvraag ingediend om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Deze aanvraag is bij besluit van 16 september 2003 afgewezen, omdat artikel 1(F) Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (Vluchtelingenverdrag) op eiser van toepassing is geacht. Het hiertegen ingestelde beroep is bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, van 24 januari 2006 (AWB 03/54208) ongegrond verklaard. Het hiertegen door eiser ingestelde hoger beroep is bij uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 10 april 2006 (200601355/1) niet-ontvankelijk verklaard.

Op 28 juni 2006 heeft eiser opnieuw een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Bij besluit van 4 juli 2006 is deze aanvraag afgewezen. Het hiertegen ingestelde beroep is bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Assen, van 21 juli 2006 (AWB 06/32326) ongegrond verklaard. Het hiertegen ingestelde hoger beroep is bij uitspraak van de Afdeling van 14 augustus 2006 (200605531/1) ongegrond verklaard.

Op 8 mei 2009 heeft eiser wederom een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Deze aanvraag is bij besluit van 14 mei 2009 afgewezen. Het hiertegen ingestelde beroep is bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 29 december 2009 (AWB 09/17547) ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 4 juni 2010 (201000148/1/V2) heeft de Afdeling het hiertegen ingestelde hoger beroep ongegrond verklaard.

Bij besluit van 20 augustus 2010 is de aanvraag van eiser van 9 maart 2010 om toepassing van artikel 64 Vreemdelingenwet 2000 (Vw) afgewezen. Het hiertegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 25 januari 2011 ongegrond verklaard. Het tegen dit besluit ingestelde beroep is bij uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 27 juni 2011 (AWB 11 / 3173) ongegrond verklaard, onder gelijktijdige afwijzing van het ingediende verzoek om een voorlopige voorziening (AWB 11 / 3174).

Op 25 augustus 2011 is een voornemen tot het ongewenst verklaren van eiser kenbaar gemaakt. Eiser heeft op 6 oktober 2011 zijn zienswijze hierop kenbaar gemaakt.

Bij brief van 30 maart 2012 heeft verweerder eiser ervan in kennis gesteld dat aannemelijk wordt geacht dat hij bij terugkeer naar Somalië een reëel risico loopt op een behandeling die in strijd is met het gestelde in artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Op 7 mei 2012 heeft eiser onderhavige aanvraag ingediend. Op 20 september 2012 is aan eiser schriftelijk kenbaar gemaakt dat verweerder voornemens is de aanvraag af te wijzen en voornemens is hem een inreisverbod op te leggen voor de duur van tien jaar. Eiser heeft op 1 november 2012 zijn zienswijze kenbaar gemaakt. Op 3 juni 2013 is eiser door verweerder gehoord in verband met het voornemen aan hem een inreisverbod op te leggen.

2.

Eiser heeft ter onderbouwing van zijn aanvraag het volgende aangevoerd. Eiser stelt dat artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag niet aan hem tegengeworpen kan worden. Er is geen bewijs. Eiser heeft een slechte gezondheid. Eiser kan niet terug naar Somalië, omdat er nog steeds oorlog is en de mannen waarvoor hij is gevlucht daar nog steeds de macht hebben. Eiser vreest dat hij bij terugkeer zal worden vermoord.

3.

Verweerder heeft op de volgende grondende de aanvraag van eiser afgewezen en hem een vrijwillige vertrektermijn onthouden en een inreisverbod van 10 jaar opgelegd.
Bij besluit van 16 september 2003 is geconcludeerd dat artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag op eiser van toepassing is. Dit besluit is in rechte vast komen te staan. Eiser heeft geen feiten en omstandigheden naar voren gebracht die voor wat betreft de toepasselijkheid van artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag tot een ander oordeel leiden. De toepasselijkheid van artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag leidt tot het oordeel dat eiser een gevaar vormt voor de openbare orde en heeft het gevolg dat eiser niet in aanmerking komt voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op één van de gronden van artikel 29, eerste lid, Vw. Bij brief van 30 maart 2012 is eiser meegedeeld dat aannemelijk wordt geacht dat eiser bij terugkeer een reëel risico loopt op een behandeling die in strijd is met het gestelde in artikel 3 EVRM. Dit oordeel is gebaseerd op het algemene ambtsbericht van het ministerie van Buitenlandse Zaken van 17 mei 2011 over de situatie in Somalië en het arrest van het Europees Hof voor de rechten van de mens (EHRM) van 28 juni 2011 (Sufi en Elmi v. Verenigd Koninkrijk, application no. 8319/07 en 1149/07; http://hudoc.echr.coe.int.). Als peildatum voor het bepalen of artikel 3 EVRM zich duurzaam verzet tegen uitzetting van eiser naar Somalië wordt 17 mei 2011 genomen. Eiser bevindt zich daarom nog niet tien jaar in een situatie dat hij wegens schending van artikel 3 EVRM niet kan worden uitgezet. In hetgeen door of namens eiser is aangevoerd is geen reden gelegen om te oordelen dat artikel 3 EVRM zich met ingang van een eerdere datum verzet tegen uitzetting van eiser naar Somalië. De omstandigheid dat eiser een gevaar vormt voor de openbare orde vormt aanleiding om te bepalen dat eiser Nederland onmiddellijk dient te verlaten. Dit houdt op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, Vw tevens de verplichting in om aan eiser een inreisverbod op te leggen. Het inreisverbod wordt gelet op artikel 66a, vierde lid, Vw juncto artikel 6.5a, vijfde lid, aanhef en onder c, Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) opgelegd voor de duur van tien jaar. Het opleggen van een inreisverbod betekent geen schending van artikel 8 EVRM. Weliswaar is in dit geval sprake van inmenging op het familie- of gezinsleven van eiser, zijn echtgenote en hun kinderen, maar deze inmenging is gerechtvaardigd in het belang van de openbare orde. Tegenover het algemeen belang van de openbare orde staat het persoonlijk belang van eiser, dat is gediend met het in Nederland uitoefenen van zijn familie- of gezinsleven. Afweging van de belangen leidt in dit geval tot het oordeel dat in redelijkheid aan het algemeen belang meer gewicht kan worden toegekend. Hierbij is getoetst aan de ‘guiding principles’ zoals deze door het EHRM zijn geformuleerd in de arresten van 2 augustus 2001 (Boultif v. Zwitserland, ECLI:NL:XX:2001:AD3516) en van 18 oktober 2006 (Üner v. Nederland, ECLI:NL:XX:2006:AZ2407 ).

4.

De rechtbank stelt vast dat verweerder eiser een inreisverbod heeft opgelegd met de rechtsgevolgen bedoeld in artikel 66a, zevende lid, Vw. Eiser kan, gelet daarop, geen rechtmatig verblijf hebben. Uit de uitspraak van de Afdeling van 9 juli 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:298) volgt dat eiser, zolang voornoemd inreisverbod voortduurt, geen belang heeft bij de beoordeling van zijn beroep tegen de afwijzing van de door hem gevraagde verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Dit beroep kan immers niet leiden tot de door eiser beoogde verlening van een verblijfsvergunning, nu eiser geen rechtmatig verblijf kan hebben zolang het inreisverbod voortduurt. Of eiser in aanmerking komt voor de door hem gevraagde verblijfsvergunning, kan (in beginsel) ten volle in het kader van de toetsing van dat inreisverbod aan de orde worden gesteld.

De rechtbank zal hetgeen eiser aanvoert tegen de weigering van de door hem aangevraagde verblijfsvergunning daarom opvatten alsof dit deel uitmaakt van zijn gronden gericht tegen het inreisverbod en beoordelen, voor zover na te melden toetsingskader zulks toelaat.

5.

De rechtbank stelt verder vast dat het thans bestreden besluit, voor zover dit betrekking heeft op de afwijzing van de aanvraag van eiser om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, een met het eerdere besluit van 16 september 2003 materieel vergelijkbaar besluit betreft. De rechtbank zal daarom het geschil toetsen aan de hand van het navolgend toetsingskader.

6.

Uit het ne bis in idem beginsel vloeit voort dat, indien na een eerder afwijzend besluit een materieel vergelijkbaar besluit wordt genomen, op voorhand moet worden aangenomen dat laatstgenoemd besluit door de bestuursrechter niet mag worden getoetst als ware het een eerste afwijzing. Slechts indien door de vreemdeling in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, kunnen dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen door de bestuursrechter worden getoetst. Dat geldt ook indien uit hetgeen de vreemdeling heeft aangevoerd kan worden afgeleid dat zich een voor hem relevante wijziging van het recht voordoet. Dit is slechts anders, indien zich bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden als bedoeld in overweging 45 van het arrest van het EHRM van 19 februari 1998 (Bahaddar tegen Nederland; ECLI:NL:XX:1998:AG8817) voordoen.

6.1

De rechtbank beoordeelt ambtshalve of aan de aanvraag nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag zijn gelegd.

6.2

Eiser heeft geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden aangevoerd, maar wel betoogd dat in zijn zaak het ‘nieuwe’ beleid van verweerder ten aanzien van Somalië een voor eisers zaak relevante wijziging van het recht is. Ter zitting heeft eiser nader toegelicht dat hij hier doelt op het beleid zoals weergegeven in Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire 2000 (WBV) 2011/13. Op grond van dit gewijzigde recht kan de rechtbank het bestreden besluit toetsen en daarbij dient tevens beoordeeld te worden of eiser, gelet op voornoemd beleid, reeds met ingang van 8 maart 2001 in aanmerking kwam voor een verblijfsvergunning asiel.

6.3

Naar het oordeel van de rechtbank is het asielbeleid ten aanzien van Somalië als genoemd in WBV 2011/13 niet aan te merken als een rechtens relevante wijziging van het recht ten opzichte van het afwijzende besluit op eisers eerste asielaanvraag. Hiertoe is redengevend dat de in het WBV vermelde beleidsconclusies ten aanzien van de algehele veiligheidssituatie in Somalië gelding hebben vanaf 17 mei 2011. Dat betekent dat eiser met ingang van die datum, zoals verweerder ook aanneemt, niet uitzetbaar is. Dat betekent echter niet dat eiser met ingang van die datum (laat staan een eerdere datum) aanspraak kan maken op een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw. Bij de afwijzing van eisers eerste asielaanvraag is immers onherroepelijk vastgesteld dat eiser vanwege de toepasselijkheid van artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag niet in aanmerking komt voor de gevraagde verblijfsvergunning asiel. Daarin kan WBV 2011/13 geen verandering brengen. Het is derhalve op voorhand uitgesloten dat de verslechtering van de algehele veiligheidssituatie in Somalië, neergelegd in WBV 2011/13, kan afdoen aan het eerdere afwijzende besluit.

6.4

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat eiser geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft aangevoerd, noch dat sprake is van een voor eiser relevante wijziging van het recht, zodat geen aanleiding bestaat het besluit, voor zover dit betrekking heeft op de afwijzing van de aanvraag van eiser, inhoudelijk te beoordelen.

7.

Ten aanzien van eisers beroep, gericht tegen het terugkeerbesluit en het opgelegde inreisverbod, overweegt de rechtbank als volgt.

8.

Eiser voert aan dat het opleggen van een inreisverbod, terwijl artikel 3 EVRM zich tegen uitzetting verzet, innerlijk tegenstrijdig en derhalve onrechtmatig is. Artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (hierna: richtlijn) verzet zich tegen verwijdering van een vreemdeling wanneer die verwijdering zal leiden tot een schending van het beginsel van non-refoulement. Het mogelijke standpunt van verweerder dat eiser niet verwijderd wordt en om die reden artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, richtlijn niet op hem van toepassing zou zijn, is onnavolgbaar en ontbeert een deugdelijke motivering. Het systeem van de richtlijn is, gelet op artikel 3, zesde lid, richtlijn, zo ingericht, dat een inreisverbod altijd samenvalt met een terugkeerbesluit. Een terugkeerbesluit impliceert dat terugkeer en de uitvoering van terugkeer mogelijk is. Het opleggen van een inreisverbod vereist derhalve dat terugkeer mogelijk is. Het door verweerder gemaakte onderscheid tussen enerzijds de mogelijkheid tot uitzetting van eiser en anderzijds de mogelijkheid van eiser om Nederland zelfstandig te kunnen verlaten is kunstmatig en in strijd met de richtlijn. Eiser verwijst ter onderbouwing hiervan naar een schriftelijk advies van professor mr. P. Boeles van de Vrije Universiteit Amsterdam van 8 november 2013 in een andere zaak. Volgens eiser is het advies ook in zijn geval van toepassing. In een geval als het onderhavige is het opleggen dan wel handhaven van een inreisverbod dan ook in strijd met het unierecht.

8.1

In artikel 3, aanhef en onder drie, richtlijn is neergelegd dat voor de toepassing van de richtlijn onder “terugkeer” wordt verstaan het proces waarbij een onderdaan van een derde land, vrijwillig gevolg gevend aan een terugkeerverplichting of gedwongen, terugkeert naar:

- zijn land van herkomst, of

- een land van doorreis overeenkomstig unierechtelijke of bilaterale overnameovereenkomsten of andere regelingen, of

- een ander derde land waarnaar de betrokken onderdaan van een derde land besluit vrijwillig terug te keren en waar deze wordt toegelaten.

In dit artikel is onder vier neergelegd dat onder “terugkeerbesluit” wordt verstaan de administratieve of rechterlijke beslissing of handeling waarbij wordt vastgesteld dat het verblijf van een onderdaan van een derde land illegaal is of dit illegaal wordt verklaard en een terugkeerverplichting wordt opgelegd of vastgesteld.

Onder vijf is bepaald dat onder “verwijdering” wordt verstaan de tenuitvoerlegging van de terugkeerverplichting, dat wil zeggen de fysieke verwijdering uit de lidstaat.

Onder acht van dit artikel is neergelegd dat onder “vrijwillig vertrek” wordt verstaan het nakomen van de verplichting om binnen de in het terugkeerbesluit gestelde termijn terug te keren.

8.1.1

Ingevolge artikel 6, vierde lid, richtlijn kunnen de lidstaten te allen tijde in schrijnende gevallen, om humanitaire redenen of om andere redenen beslissen een onderdaan van een derde land die illegaal op hun grondgebied verblijft een zelfstandige verblijfsvergunning of een andere vorm van toestemming tot verblijf te geven. In dat geval wordt geen terugkeerbesluit uitgevaardigd. Indien al een terugkeerbesluit is uitgevaardigd, wordt het ingetrokken of opgeschort voor de duur van de geldigheid van de verblijfsvergunning of andere vorm van toestemming tot legaal verblijf.

8.1.2

In artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, richtlijn is neergelegd dat de lidstaten de verwijdering uitstellen in geval deze in strijd zou zijn met het beginsel van non-refoulement.

8.2

De rechtbank volgt eiser niet in zijn beroepsgrond. Een terugkeerbesluit betreft de vaststelling dat het verblijf van eiser in Nederland onrechtmatig is en dat een terugkeerverplichting bestaat voor eiser. Dit betekent allereerst dat eiser gehouden is Nederland vrijwillig te verlaten. In het algemeen is het zo dat, indien de vreemdeling niet vrijwillig Nederland verlaat binnen de termijn die hem daarvoor is gegund en aldus niet voldoet aan zijn terugkeerverplichting, verweerder tot fysieke verwijdering van die vreemdeling kan overgaan. In het geval van eiser heeft verweerder evenwel vastgesteld dat uitzetting naar het land van herkomst in strijd is met het verbod van non-refoulement. Verweerder zal daarom niet overgaan tot fysieke verwijdering van eiser uit Nederland, conform het gestelde in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, richtlijn. Noch de tekst, noch de systematiek van de richtlijn verzet zich er vervolgens tegen dat op eiser een terugkeerverplichting blijft rusten. Voor zover eiser heeft betoogd dat hiermee sprake is van indirecte refoulement, overweegt de rechtbank dat eiser hierin niet kan worden gevolgd nu verweerder niet zal overgaan tot uitzetting van eiser zolang de uitzettingsbelemmering op grond van artikel 3 EVRM voortduurt.

9.

Eiser stelt zich op het standpunt dat hem, indien hij dient te voldoen aan zijn vertrekplicht, slechts de mogelijkheid rest naar een derde land te gaan, waar hij ook wordt toegelaten. Eiser heeft echter geen banden met een derde land, zodat er ook geen aanknopingspunten voor een ander land zijn waarnaar eiser kan terugkeren. Ten onrechte negeert verweerder dit. Het is onduidelijk hoe eiser meer aannemelijk kan maken dat hij niet uit Nederland kan vertrekken.

9.1

Uit artikel 3, aanhef en onder drie, richtlijn volgt naar het oordeel van de rechtbank dat het aan de vreemdeling is om aannemelijk te maken dat hij niet kan voldoen aan de op hem rustende terugkeerverplichting, al dan niet door te vertrekken naar een ander land dan zijn land van herkomst, en niet aan verweerder om te onderzoeken of de vreemdeling al dan niet aan zijn terugkeerverplichting kan voldoen. Derhalve is het niet aan verweerder om te onderzoeken of eiser kan voldoen aan de op hem rustende terugkeerverplichting, maar aan eiser om aannemelijk te maken dat hij hieraan niet kan voldoen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat van hem niet kan worden gevergd dat hij voldoet aan de op hem rustende terugkeerverplichting.

10.

Eiser stelt zich op het standpunt dat hem ingevolge de preambule bij de richtlijn en het vierde lid van artikel 6 richtlijn een tijdelijk verblijfsrecht moet worden verstrekt voor de duur van de periode waarin het voor hem onmogelijk is te vertrekken of voor verweerder om hem uit te zetten.

10.1

Ten aanzien van dit betoog overweegt de rechtbank als volgt. De richtlijn verplicht verweerder niet eiser in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning, dan wel af te zien van het opleggen van een terugkeerbesluit of inreisverbod indien eiser er in slaagt aannemelijk te maken dat hij niet kan voldoen aan de op hem rustende terugkeerverplichting. Op verweerder rust in een geval als het onderhavige op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, richtlijn slechts de plicht de verwijdering uit te stellen. Indien verweerder tot het oordeel komt dat sprake is van een schrijnend geval, om humanitaire of andere redenen, kan verweerder op grond van artikel 6, vierde lid, richtlijn afzien van het opleggen of handhaven van een terugkeerbesluit en eiser in het bezit stellen van een verblijfsvergunning. Een dergelijk geval doet zich volgens verweerder eerst voor indien artikel 3 EVRM zich duurzaam verzet tegen de terugkeer van eiser naar zijn land van herkomst, te weten als eiser zich reeds gedurende tenminste tien jaren zonder verblijfstitel in Nederland in de situatie bevindt dat hij vanwege schending van artikel 3 EVRM niet kan worden uitgezet, niet naar een ander land kan vertrekken en onthouding van een verblijfsvergunning disproportioneel is. Dit beleid acht de rechtbank niet onredelijk. Nu eerst met ingang van 17 mei 2011 wordt aangenomen dat artikel 3 EVRM zich verzet tegen de verwijdering, bevindt eiser zich in ieder geval nog niet in de situatie dat hij zich gedurende tien jaar zonder verblijfstitel in Nederland bevindt, terwijl hij vanwege schending van artikel 3 EVRM niet kan worden uitgezet.

11.

Eiser heeft aangevoerd dat belangrijke onduidelijkheden bestaan over hoe op basis van het unierecht moet worden omgegaan met situaties zoals die van eiser. Gelet op de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) van 9 november 1995 (C-479/93, Francovich; http://eur-lex.europa.eu) en 30 september 2003 (C-224/01, Köbler; http://eur-lex.europa.eu) dient te worden voorkomen dat een situatie ontstaat waarin sprake is van strijd met het unierecht. Eiser verzoekt de rechtbank daarom het Hof bij wijze van prejudiciële procedure vragen te stellen over de uitleg van de bepalingen van de richtlijn. Eiser verwijst hierbij naar het hiervoor genoemde schriftelijk advies van professor mr. P. Boeles.

11.1

Zoals hiervoor is geoordeeld, verzet de richtlijn zich er niet tegen dat in een geval als het onderhavige aan de vreemdeling een terugkeerbesluit worden opgelegd, terwijl hij zich in de situatie bevindt dat artikel 3 EVRM zich op dat moment verzet tegen zijn verwijdering naar het land van herkomst. Gelet hierop bestaat er geen grond voor het oordeel dat onduidelijkheden bestaan over de uitlegging van het unierecht op dit punt, zodat de rechtbank geen aanleiding ziet voor het stellen van vragen aan het Hof.

12.

Eiser stelt zich op het standpunt dat er redenen zijn om af te zien van het opleggen van een inreisverbod, dan wel om de duur ervan te bekorten. De enkele overweging van verweerder dat het uitzettingsbeletsel de vertrekplicht van eiser onverlet laat en zich ook niet verzet tegen het opleggen van een inreisverbod, ontbeert een op de persoon van eiser toegespitste belangenafweging ingevolge artikel 3:4 juncto artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het facultatieve karakter van het inreisverbod vergt een belangenafweging in die gevallen waarin niet is voldaan aan de terugkeerverplichting ingevolge artikel 3:4 Awb en het unierechtelijke evenredigheidsbeginsel. Uit de Nota van Toelichting blijkt dat in alle gevallen een op de individuele situatie toegespitste belangenafweging moet plaatsvinden wanneer een beroep wordt gedaan op artikel 66a, achtste lid, Vw. Daarbij dient ook rekening te worden gehouden met de eventuele gevolgen van het inreisverbod. Verder is volstrekt onduidelijk op welke wijze verweerder rekening heeft gehouden met het non-refoulementverbod. Er is een verplichting voor de lidstaten om te zorgen voor de basisomstandigheden om te overleven, mede in het licht van artikel 1 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest). Verweerder heeft geen blijk gegeven aan deze verplichting enige invulling te hebben gegeven.

12.1

Ingevolge artikel 11, eerste lid, aanhef en onder a, richtlijn gaat het terugkeerbesluit gepaard met een inreisverbod indien er geen termijn voor vrijwillig vertrek is toegekend.

In het tweede lid is bepaald dat de duur van het inreisverbod volgens alle relevante omstandigheden van het individuele geval wordt bepaald, en in principe niet meer dan vijf jaar bedraagt. De duur kan meer dan vijf jaar bedragen indien de onderdaan van een derde land een ernstig gevaar vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid.

12.2

Nu, zoals hiervoor is overwogen, verweerder op goede grond een terugkeerbesluit aan eiser heeft opgelegd en hem daarbij, op grond van overwegingen van openbare orde, in redelijkheid een termijn voor vrijwillig vertrek heeft kunnen onthouden, heeft verweerder eiser terecht een inreisverbod opgelegd.

12.3

De rechtbank ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of verweerder eiser een inreisverbod kon opleggen met een duur van tien jaar. Hierbij is het volgende van belang.

12.3.1

De rechtbank volgt eiser niet in diens stelling dat verweerder ten onrechte heeft nagelaten een op het geval van eiser toegespitste belangenafweging te maken. Hierbij is allereerst van belang dat verweerder heeft overwogen dat eiser een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde, nu artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag op hem van toepassing is en eiser verantwoordelijk wordt gehouden voor zeer ernstige misdrijven, te weten het mishandelen, martelen en doden van politieke tegenstanders en ongewapende burgers. Dit oordeel is in rechte vast komen te staan. Verweerder heeft dit dan ook ten nadele van eiser bij de belangenafweging kunnen betrekken.

12.3.2

Voorts heeft verweerder zich, als overwogen, op het standpunt kunnen stellen dat het uitzettingsbeletsel op grond van artikel 3 EVRM de vertrekplicht van eiser onverlet laat. Van eiser kan in redelijkheid worden verlangd dat hij het grondgebied van Nederland vrijwillig verlaat. Voor zover eiser heeft gesteld dat het inreisverbod tot gevolg heeft dat hij zich nergens binnen de Europese Unie kan vestigen, overweegt de rechtbank dat eiser hierin niet wordt gevolgd. Indien eiser in een andere lidstaat van de Europese Unie in aanmerking komt voor verblijf, kan hij aldaar een verzoek doen om opheffing van het inreisverbod, zodat dit niet langer in de weg staat aan verlening van rechtmatig verblijf door een andere lidstaat dan Nederland. Verder is van belang dat eiser, zoals hiervoor is overwogen, niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet kan voldoen aan de op hem rustende terugkeerverplichting, zodat dit niet in de weg staat aan het opleggen van een inreisverbod voor de duur van tien jaar. Indien eiser op enig moment in aanmerking komt voor rechtmatig verblijf, kan hij dan een verzoek indienen om opheffing van het inreisverbod.

12.3.3

Verweerder heeft ten slotte eisers beroep op artikel 8 EVRM bij de belangenafweging betrokken en hierin evenmin reden gezien af te zien van het opleggen van een inreisverbod of om de duur ervan te bekorten. In beroep heeft eiser uitsluitend een grond gericht tegen de overwegingen van verweerder die zien op de vraag of het privéleven van eiser leidt tot het afzien van het opleggen van een inreisverbod, dan wel het bekorten van de duur ervan. De door eiser in dit verband aangevoerde omstandigheden behoefden voor verweerder geen aanleiding te vormen om af te zien van het opleggen van een inreisverbod of het bekorten van de duur ervan. Hiertoe heeft verweerder allereerst kunnen overwegen dat eiser nimmer verblijf heeft gehad in Nederland op grond van een verblijfsvergunning. Dat eiser gedurende periodes rechtmatig verblijf heeft gehad in afwachting van het besluit op zijn aanvraag om een verblijfsvergunning, maakt dit niet anders. Verder heeft verweerder van belang kunnen achten dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij zodanig sterke banden met Nederland heeft opgebouwd, dat op grond hiervan sprake is van beschermingswaardig privéleven en verweerder daarom diende af te zien van oplegging van het inreisverbod.

13.

Eiser doet verder een beroep op de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van 30 oktober 2012 (AWB 12/3779) en met name op rechtsoverwegingen 22.2, 23.2 en 24 van die uitspraak. Ook doet eiser een beroep op bestendige jurisprudentie van de Afdeling dat ongewenstverklaring van personen die op grond van artikel 3 EVRM (duurzaam) onuitzetbaar zijn, beperkt dient te blijven. Gelet hierop, gevoegd bij het feit dat het Hof bij herhaling een inreisverbod als ultimum remedium aanmerkt, heeft verweerder, aldus eiser, onvoldoende gemotiveerd waarom in dit geval een inreisverbod passend, proportioneel en evenredig is.

13.1

De rechtbank wijst er op dat in de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van 30 oktober 2012 expliciet is overwogen dat in die zaak in rechte vaststaat dat artikel 3 EVRM zich duurzaam verzet tegen terugkeer van de vreemdeling naar diens land van herkomst. In het onderhavige geval staat niet vast dat artikel 3 EVRM zich duurzaam verzet tegen terugkeer van eiser naar het land van herkomst. Al gelet hierop kan eisers beroep op deze uitspraak niet slagen.

13.2

Nu eiser nog niet in de situatie verkeert dat artikel 3 EVRM zich duurzaam verzet tegen zijn terugkeer naar het land van herkomst, kan eiser niet met vrucht een beroep doen op door hem bedoelde bestendige jurisprudentie van de Afdeling. Nu eiser voorts niet nader heeft onderbouwd in welke arresten het Hof het inreisverbod als ultimum remedium heeft aangemerkt en bovendien in het onderhavige geval een belangenafweging is gemaakt door verweerder ten aanzien van het opleggen van het inreisverbod en de duur ervan, wordt eiser niet in zijn beroepsgrond gevolgd.

14.

Tenslotte heeft eiser aangevoerd dat het inreisverbod in strijd is met de artikelen 41 en 47 Handvest. Eiser stelt daartoe dat, indien de rechtbank accepteert dat het inreisverbod kan worden opgelegd zonder dat de vraag naar uitzetbaarheid aan de orde kan komen, eisers recht op een effectief rechtsmiddel wordt geschonden.

14.1

Eiser heeft zijn beroep op artikel 41 Handvest niet nader geconcretiseerd. De rechtbank volgt eiser daarom niet in zijn stelling dat zijn recht op behoorlijk bestuur, als bedoeld in dat artikel, is geschonden. Het enkele feit dat eisers aanvraag niet heeft geleid tot verlening van de gevraagde verblijfsvergunning, vormt in ieder geval onvoldoende grond voor het oordeel dat zijn zaak niet op onpartijdige of billijke wijze of binnen een redelijke termijn is behandeld. Nu eiser daarbij in de onderhavige procedure is gehoord, in de gelegenheid is gesteld de door hem van belang geachte feiten en omstandigheden naar voren te brengen middels een zienswijze, hij inzage heeft gehad in zijn dossier en verweerder in het bestreden besluit zijn beslissing afdoende heeft gemotiveerd, kan niet worden geconcludeerd dat eisers rechten als omschreven in artikel 41 Handvest zijn geschonden.

14.2

Ook eisers beroep op artikel 47 van het Handvest slaagt niet. Immers, eiser heeft een rechtsmiddel kunnen instellen tegen het besluit tot oplegging van het inreisverbod. Dat dit beroep niet de uitkomst heeft die eiser had gewenst, maakt niet dat het ingestelde rechtsmiddel niet kan worden aangemerkt als een doeltreffende voorziening in rechte bij een onpartijdig gerecht als bedoeld in artikel 47 Handvest.

15.

Het beroep, gericht tegen het opleggen van het terugkeerbesluit en inreisverbod, is ongegrond.

16.

Nu het beroep van eiser, gericht tegen het opleggen van het terugkeerbesluit en inreisverbod, ongegrond wordt verklaard, dient zijn beroep, gericht tegen de afwijzing van zijn aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet-ontvankelijk te worden verklaard, nu hij bij de beoordeling daarvan geen belang kan hebben zolang het inreisverbod voortduurt.

17.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Verzoek om een voorlopige voorziening

18.

Indien tegen een besluit beroep bij de rechtbank is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Awb op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

19.

Nu in de hoofdzaak wordt beslist, is aan het verzoek het belang komen te ontvallen, zodat dit reeds daarom niet voor toewijzing in aanmerking komt. De voorzieningenrechter zal het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen.

20.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep;
- voor zover dit is gericht tegen het terugkeerbesluit en het inreisverbod, ongegrond;
- voor zover dit is gericht tegen de afwijzing van de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, niet-ontvankelijk.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Kos, voorzitter, tevens voorzieningenrechter, en mrs. E.B. de Vries – van den Heuvel en S.W.S. Kiliç, leden van de meervoudige kamer, in aanwezigheid van mr. drs. S.R.N. Parlevliet, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 april 2014.

griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan, voor zover het de hoofdzaak betreft, binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.