Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:8015

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
01-07-2014
Datum publicatie
01-07-2014
Zaaknummer
AWB 14/2512
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Kinderpardon; onttrekking toezicht.

Eisers zijn niet in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning op grond van de Kinderpardonregeling, omdat zij zich volgens verweerder hebben onttrokken aan het toezicht van de rijksoverheid, doordat zij langer dan drie maanden buiten beeld zijn geweest. Eisers hebben betoogd dat verweerder een onjuiste uitleg heeft gegeven aan het in paragraaf B22/2.1 van de Vreemdelingencirculaire opgenomen beleid. De rechtbank overweegt dat in dat beleid wisselend wordt gesproken van ‘hebben onttrokken aan toezicht’ en ‘uit beeld zijn’, maar dat bedoeld is om dezelfde betekenis aan deze begrippen te geven. Dit betekent dat aan het begrip ‘uit beeld zijn’ geen andere of ruimere uitleg kan worden gegeven dan aan eerder in het beleid opgenomen, en aan het Regeerakkoord ontleende, begrip ‘hebben onttrokken aan toezicht’. De rechtbank overweegt dat de woorden ‘hebben onttrokken’ veronderstellen dat een vreemdeling niet voldoet aan de voorwaarden van de Kinderpardonregeling indien hij zich door eigen handelen actief heeft afgekeerd van het uitgeoefende toezicht van het rijksorgaan, en daarmee een bewuste keuze heeft gemaakt om niet uit Nederland te vertrekken maar hier illegaal te verblijven. Dat dit bedoeld is volgt ook uit de totstandkomingsgeschiedenis van de Kinderpardonregeling. Naar het oordeel van de rechtbank geeft het besluit van verweerder blijk van een onjuiste uitleg van het begrip ‘hebben onttrokken aan toezicht’. Uit de enkele sluiting van een vertrekdossier door de Dienst terugkeer en Vertrek kan niet zonder meer worden afgeleid dat eisers zich hebben onttrokken aan het toezicht. De conclusie dat een vreemdeling zich heeft onttrokken aan het toezicht, dient naar het oordeel van de rechtbank gelet op het doel van de Regeling gegrond te zijn op een actieve handeling dan wel een bewust nalaten van die vreemdeling. Daarvan is onvoldoende gebleken. Hieruit volgt dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat eiseres zich heeft onttrokken aan het toezicht van de rijksoverheid en eisers, gelet hierop, niet in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning op grond van de Kinderpardonregeling. Aangezien het inreisverbod voortvloeit uit de gehandhaafde weigering een verblijfsvergunning te verlenen en het daaraan verbonden terugkeerbesluit, ontbreekt ook daarvoor een deugdelijke motivering.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 16
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 3.71
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2014/254

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Vreemdelingenkamer

zaaknummer: AWB 14/2512

uitspraak van de meervoudige kamer van 1 juli 2014

in de zaak tussen

[eiser],

geboren op [geboortedatum],

v-nummer[nummer],

eiser,

[eiseres],

geboren op [geboortedatum],

v-nummer [nummer],

eiseres,

en haar minderjarige dochter

[dochter],

geboren op [geboortedatum],

v-nummer [nummer],

allen van (gesteld) onbekende nationaliteit,

gezamenlijk te noemen eisers,

(gemachtigde: mr. H.F.J.L. van Pelt),

en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

Immigratie- en Naturalisatiedienst,

verweerder.

Het procesverloop

Op 28 maart 2013 heeft eiser een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van de Regeling langdurig in Nederland verblijvende kinderen (hierna: de Regeling). Eiseres en haar dochter hebben in het kader van de Regeling aanvragen ingediend als gezinsleden van eiser.

Bij afzonderlijke besluiten van 18 juli 2013 heeft verweerder deze aanvragen afgewezen. Verweerder heeft tegen eiseres een inreisverbod uitgevaardigd voor de duur van twee jaren.

Tegen deze besluiten hebben eisers op 19 juli 2013 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 29 januari 2014 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Op 30 januari 2014 hebben eisers beroep ingesteld tegen dit besluit.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van

20 mei 2014. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. L. Pricker.

De beoordeling

1. Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), dient de rechtbank het bestreden besluit – de motivering waarop dit besluit berust daaronder begrepen – te toetsen aan de hand van de tegen dat besluit aangevoerde beroepsgronden.

2. Verweerder heeft aan het besluit van 29 januari 2014 ten grondslag gelegd dat eisers niet voldoen aan de voorwaarden van de Regeling, zodat geen aanleiding bestaat hen vrij te stellen van het vereiste om te beschikken over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv). Daartoe heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eisers zich vanaf de peildatum van 27 juli 2010 langer dan een aaneengesloten periode van drie maanden hebben onttrokken aan het toezicht van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: IND), de Dienst Terugkeer en Vertrek (hierna: de DT&V) en het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (hierna: het COa). Ook overigens is volgens verweerder niet gebleken van omstandigheden die aan het tegenwerpen van het mvv-vereiste in de weg staan.

3. Hiermee kunnen eisers zich niet verenigen. Op hetgeen zij tegen het besluit van 29 januari 2014 hebben aangevoerd wordt hierna ingegaan.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

5. Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van die wet worden afgewezen, indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd.

In artikel 17, eerste lid, van de Vw 2000 en in artikel 3.71, tweede lid, van het

Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000), worden categorieën vreemdelingen opgesomd die vrijgesteld zijn van de verplichting over een (geldige) mvv te beschikken. Op grond van het vierde lid, zoals dat luidde ten tijde van de aanvraag, wijst verweerder de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier niet af wegens het ontbreken van een geldige mvv als dit leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard (de hardheidsclausule).

6. In hoofdstuk 9 van het op 29 oktober 2012 gesloten Regeerakkoord is opgenomen dat langdurig in Nederland verblijvende kinderen en alleenstaande minderjarige vreemdelingen in aanmerking kunnen komen voor een verblijfsvergunning op grond van de Regeling en dat één van de ter zake geldende voorwaarden is dat kinderen zich niet langdurig aan het toezicht van de rijksoverheid mogen hebben onttrokken.

7. In paragraaf B22/3.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000), zoals deze luidde ten tijde van de aanvraag, is opgenomen dat in aanvulling op het bepaalde in paragraaf B1/4.1.1 van de Vc 2000 verweerder de groep vreemdelingen die voldoet aan de voorwaarden van de Regeling aanmerkt als bijzondere groep aan wie in het kader van de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 3.71, vierde lid van het Vb 2000 vrijstelling van het mvv-vereiste wordt verleend.

Volgens de in paragraaf B22/2.1 van de Vc 2000 opgenomen definitieve regeling verleent verweerder een verblijfsvergunning aan de vreemdeling die in het kader van de Regeling als hoofdpersoon kan worden beschouwd:

‘c. die zich gedurende de periode van verblijf in Nederland niet langer dan een aaneengesloten periode van drie maanden heeft onttrokken aan het toezicht van de IND, de DT&V, het COa of de Vreemdelingenpolitie (in het kader van de meldplicht), of in het geval van alleenstaande minderjarige vreemdelingen, van voogdijinstelling Nidos; én

(…)

Ad c. De IND neemt aan dat sprake is van niet langdurig onttrekken aan het toezicht indien de vreemdeling of zijn eventuele gezinsleden:

• sinds 27 juli 2010 bekend is bij de IND, DT&V, COa, of Vreemdelingenpolitie (in het kader van de opgelegde meldplicht), of in het geval van alleenstaande minderjarige vreemdelingen voogdijinstelling Nidos; en

• niet langer dan een aaneengesloten periode van maximaal drie maanden uit beeld is geweest.’

8. Niet in geschil is dat eisers niet beschikken over een geldige mvv. In geschil is of eisers van dit vereiste moeten worden vrijgesteld omdat zij voldoen aan de voorwaarden van de Regeling. Zoals verweerder ter zitting heeft bevestigd, wordt eisers in dat verband uitsluitend tegengeworpen dat zij zich hebben onttrokken aan het toezicht. Niet in geschil is derhalve dat eisers voldoen aan de overige voorwaarden van de Regeling.

9. Verweerder heeft aan het standpunt dat eisers zich aan het rijkstoezicht hebben onttrokken ten grondslag gelegd dat aangenomen dient te worden dat eisers vanaf

28 januari 2010, zijnde het moment waarop de DT&V het vertrekdossier van eiseres heeft gesloten, niet meer onder toezicht hebben gestaan van de DT&V. Verweerder heeft in dit verband gewezen op de bij bericht van 17 december 2013 gegeven toelichting van de DT&V, waaruit blijkt dat op 22 januari 2010 een (laatste) vertrekgesprek met eiseres is gevoerd, waarbij zij er nogmaals op gewezen is dat zij Nederland zelfstandig dient te verlaten. De DT&V heeft de vertrekprocedure afgesloten omdat eiseres in dit gesprek kenbaar heeft gemaakt dat zij geen gebruik wilde maken van een plaatsing in een vrijheidsbeperkende locatie (hierna: VBL). Eiseres is volgens verweerder nadien uit beeld geraakt vanaf het moment dat deze rechtbank, nevenzittingsplaats Middelburg, bij uitspraak van 17 maart 2011 het beroep tegen de gehandhaafde afwijzing van de aanvraag van 15 maart 2010 tot het verlenen van een verblijfsvergunning ongegrond heeft verklaard. Na deze datum was eiseres niet meer in beeld bij de DT&V, omdat zij niet meer in de ‘caseload’ van de DT&V was opgenomen. Dat het eerder opgestarte traject voor de verkrijging van een laissez-passer niet is afgesloten en dat eiseres drie vertrekgesprekken van haar zus heeft bijgewoond, betekent volgens verweerder niet dat zij nog in beeld was bij de rijksoverheid. Eiseres heeft immers nagelaten om DT&V actief te benaderen om haar vertrek naar het land van herkomst te bewerkstelligen.

10. Eisers hebben in beroep betoogd dat niet gebleken is dat zij zich, als gezin, langdurig hebben onttrokken aan het rijkstoezicht dan wel uit beeld zijn geweest. Onder verwijzing naar de totstandkomingsgeschiedenis van de Regeling hebben zij betoogd dat aan het criterium dat een vreemdeling zich niet mag hebben onttrokken een onjuiste uitleg is gegeven. De door verweerder gegeven uitleg is volgens eisers strijdig met het oorspronkelijke doel van deze voorwaarde.

11. Verweerder heeft in het besluit van 29 januari 2014 uiteengezet dat de Regeling begunstigend beleid is dat slechts op een beperkte categorie vreemdelingen van toepassing is. Bij het vaststellen van dergelijk begunstigend beleid komt hem een grote mate van discretie toe ten aanzien van de bepaling welke groep van personen daar onder valt en welke toelatingseisen van toepassing zijn. Verweerder heeft ter zitting het standpunt ingenomen dat het voorgaande betekent dat de rechter bij de uitleg van dit beleid een zekere terughoudendheid in acht dient te nemen.

12. De rechtbank overweegt, onder verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 29 december 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BV0963) en van 31 januari 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BV2881), dat de rechter de uitleg van een beleidsregel of een hierin voorkomend begrip, die een bestuursorgaan voorstaat, zonder terughoudendheid kan toetsen, tenzij die beleidsregel of dat begrip een nadere invulling van het bestuursorgaan in het voorliggende geval behoeft. De tekst van voormelde, onder 7 weergegeven, paragraaf, biedt geen aanknopingspunt om aan te nemen dat zodanige invulling in dit geval nodig is. Hieruit volgt dat verweerder bij de uitleg van voormelde paragraaf, en de daarin gebezigde begrippen ‘hebben onttrokken aan toezicht’ en ‘uit beeld zijn’, niet een zekere vrijheid toekomt. De rechtbank kan de door verweerder gegeven uitleg dan ook zonder terughoudendheid toetsen.

13. In paragraaf B22/2.1 van de Vc 2000 wordt wisselend gesproken van ‘hebben onttrokken aan toezicht’ en ‘uit beeld zijn’. Zoals verweerder in het verweerschrift en ter zitting heeft toegelicht, is bedoeld om aan deze begrippen dezelfde betekenis te geven. Deze bedoeling van de regelgever volgt ook uit de wijze waarop paragraaf B22/2.1 van de Vc 2000 is opgesteld. Daaruit kan immers worden afgeleid dat met het in deze paragraaf onder ad c. vermelde beleid, en specifiek met de daar gebezigde term ‘uit beeld zijn’, beoogd is het eerder in die paragraaf opgenomen en aan het regeerakkoord ontleende uitgangspunt dat een vreemdeling geen aanspraken ontleent aan de Regeling indien hij zich (langdurig) heeft onttrokken aan toezicht nader in te vullen. Aldus volgt uit de wijze waarop dit beleid vorm heeft gekregen dat aan het begrip ‘uit beeld zijn’ geen andere of ruimere uitleg kan worden gegeven dan aan het criterium ‘hebben onttrokken aan toezicht’. In het licht van het voorgaande ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld welke betekenis moet worden toegekend aan het in paragraaf B22/2.1 van de Vc 2000 opgenomen begrip ‘hebben onttrokken aan toezicht’.

14. Volgens paragraaf B22/2.1 van de Vc 2000 voldoet een vreemdeling niet aan de voorwaarden van de Regeling indien hij zich, kort gezegd, gedurende de periode van verblijf in Nederland langer dan een aaneengesloten periode van drie maanden heeft onttrokken aan het rijkstoezicht. Deze (door de rechtbank) gecursiveerde woorden veronderstellen dat een vreemdeling niet voldoet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning op grond van de Regeling indien hij zich door eigen handelen actief heeft afgekeerd van het uitgeoefende toezicht van het rijksorgaan, en daarmee een bewuste keuze heeft gemaakt om niet uit Nederland te vertrekken maar hier illegaal te verblijven. Dat bedoeld is deze uitleg aan de Regeling te geven volgt ook uit het verslag van het op 12 maart 2013 over de Regeling gehouden plenaire debat (Handelingen 2012-2013, nr. 60, pag. 90). In dat debat heeft verweerder toegelicht dat met voormeld criterium beoogd wordt te voorkomen dat vreemdelingen die zich jarenlang hebben onttrokken aan het toezicht van de rijksoverheid en die een leven in illegaliteit hebben verkozen, in aanmerking kunnen komen voor de Regeling. Ook in antwoorden op Kamervragen (TK, 2012-2013, nr. 1394) is te lezen dat voorkomen moet worden dat vreemdelingen die zich hebben onttrokken aan het toezicht van de Rijksoverheid en een leven in de illegaliteit hebben verkozen in aanmerking zouden kunnen komen voor de regeling. In aanmerking genomen hetgeen hiervoor onder 13 is overwogen over de betekenis van het begrip ‘uit beeld zijn’, als nadere invulling van het begrip ‘hebben onttrokken aan toezicht’, kan aan dit begrip geen andere betekenis te worden toegekend.

15. Gelet op hetgeen onder 13 en 14 is overwogen is de rechtbank van oordeel dat verweerder met het hiervoor onder 9 weergegeven standpunt blijk heeft gegeven van een onjuiste uitleg van de Regeling. Daartoe overweegt de rechtbank dat uit de enkele sluiting van een vertrekdossier door DT&V niet zonder meer kan worden afgeleid dat eisers zich hebben onttrokken aan het toezicht. Daaraan doet niet af dat de sluiting van een vertrekdossier met zich brengt dat een vreemdeling in de visie van DT&V niet meer in beeld is en dat deze dienst niet meer actief op zoek gaat naar de vreemdeling. De conclusie dat een vreemdeling zich heeft onttrokken aan het toezicht, dient naar het oordeel van de rechtbank gelet op het doel van de Regeling gegrond te zijn op een actieve handeling dan wel een bewust nalaten van die vreemdeling. De rechtbank begrijpt uit het besluit van 29 januari 2014, en de door de DT&V op 17 december 2013 gegeven antwoorden op vragen van verweerder, dat de opstelling van eiseres tijdens het op 22 januari 2010 vertrekgesprek aanleiding is geweest voor sluiting van het vertrekdossier. Naar het oordeel van de rechtbank geeft de inhoud van dit gesprek echter onvoldoende grond voor het oordeel dat eiseres zich heeft onttrokken aan toezicht. De stelling dat eiseres op het vertrekgesprek te kennen heeft gegeven geen gebruik te willen maken van een plaatsing in de VBL vindt onvoldoende steun in het verslag van dit gesprek. Daaruit blijkt immers dat de DT&V het verblijf in een VBL aan de orde heeft gesteld en eiseres heeft toegelicht waarom zij het nut niet inziet van een dergelijke plaatsing, in welk verband zij heeft gewezen op het feit dat zij samenwoont met haar echtgenoot en twee kinderen en deze plaatsing in haar ogen niets zou toevoegen aan haar kansen om terug te keren. Uit dit verslag noch anderszins uit het dossier blijkt van een concreet voornemen om een vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen, waaraan opvang in een VBL is gekoppeld, noch dat eiseres bij voorbaat heeft aangegeven geen gehoor te willen geven aan deze toezichtsmaatregel. Ook de opmerking van eiseres tijdens het vertrekgesprek dat zij het voornemen had een aanvraag in te dienen tot het verlenen van een verblijfsvergunning is onvoldoende voor de conclusie dat eiseres zich actief heeft onttrokken aan het toezicht. Daarbij is van belang dat eiseres tijdens het vertrekgesprek ook de wens heeft geuit om te vertrekken naar haar land van herkomst en blijkens het besluit van 29 januari 2014 eiseres door indiening van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning tot 17 maart 2011 onder toezicht van de rijksoverheid is gebleven.

De rechtbank is voorts niet gebleken dat eiseres zich na 17 maart 2011 heeft onttrokken aan het toezicht van de DT&V in de hiervoor bedoelde zin. Met de stelling dat eiseres na sluiting van het dossier een eigen verantwoordelijkheid had om de DT&V te benaderen om weer in beeld te komen van de rijksoverheid heeft verweerder een onjuiste uitleg gegeven aan het in paragraaf B22/2.1 van de Vc 2000 neergelegde beleid. De rechtbank merkt in dit verband nog op dat de DT&V eiseres niet in kennis heeft gesteld van de sluiting van haar vertrekdossier. Dat het gelet op de verklaringen van eiseres tijdens het laatste vertrekgesprek duidelijk had moeten zijn dat geen vertrekgesprekken meer zouden plaatsvinden en haar vertrekdossier mitsdien zou worden gesloten, kan gelet op hetgeen eerder over deze verklaringen is overwogen, niet worden gevolgd. Daarbij komt dat de DT&V eiseres op 26 januari 2010 heeft bericht dat zij op de hoogte gesteld zou worden bij nieuwe ontwikkelingen ten aanzien van de aanvraag tot verkrijging van een laissez-passer en het traject ter verkrijging daarvan nog is blijven doorlopen.

16. Uit het voorgaande volgt dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat eiseres zich (na 17 maart 2011) heeft onttrokken aan het toezicht van de rijksoverheid als bedoeld in de Regeling en eisers, gelet hierop, niet in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning op grond van de Regeling. Aangezien het inreisverbod voortvloeit uit de gehandhaafde weigering een verblijfsvergunning te verlenen en het daaraan verbonden terugkeerbesluit, ontbreekt ook daarvoor een deugdelijke motivering.

17. Gelet op al het voorgaande zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en het besluit van 29 januari 2014 vernietigen wegens schending van artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. De rechtbank ziet, gelet op de aard van het gebrek, geen mogelijkheden om het geschil finaal te beslechten. Verweerder dient, met inachtneming van deze uitspraak, een nieuw besluit te nemen.

18. Nu het beroep gegrond wordt verklaard, acht de rechtbank termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en verweerder te veroordelen in de door eisers in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten, welke zijn begroot op € 974 aan kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt € 487,-, wegingsfactor 1). Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken. Voorts bestaat aanleiding te bepalen dat verweerder het door eisers betaalde griffierecht aan hen vergoedt.

Beslissing

De rechtbank:

-verklaart het beroep gegrond;

-vernietigt het besluit van 29 januari 2014;
-veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers ten bedrage van € 974, -;

-gelast dat verweerder het door eisers betaalde griffierecht ten bedrage van € 165, - aan hen vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.B. Terlouw, voorzitter, mr. L. van Gijn en mr. B.J. Zippelius, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R. Barzilay, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2014.

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen de uitspraak in beroep kunnen partijen binnen vier weken na de verzending van een afschrift hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing. Een afschrift van de uitspraak dient overgelegd te worden. Meer informatie treft u aan op de website van de Raad van State (www.raadvanstate.nl).