Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:7995

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
01-07-2014
Datum publicatie
16-07-2014
Zaaknummer
AWB-14_593
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanvraag bijstand namens minderjarige, door zijn grootouders die hem verzorgen.

Grootouders krijgen geen pleegzorgvergoeding.

Eiser is zelfstandig subject voor de toepassing van de Wwb maar komt in beginsel als minderjarige niet voor bijstandsverlening in aanmerking. Toetsing aan artikel 16, eerste lid, Wwb, waarbij tevens de artikelen 3 en 27 IVRK worden betrokken. Gezien het inkomen van de grootouders ruim boven de bijstandsnorm geen dringende redenen, ook niet gelet op het IVRK, om eiser bijstand te verlenen.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand 13, geldigheid: 2014-07-01
Wet werk en bijstand 16, geldigheid: 2014-07-01
Wet werk en bijstand 15, geldigheid: 2014-07-01
Wet op de jeugdzorg 5, geldigheid: 2014-07-01
Wet op de jeugdzorg 28, geldigheid: 2014-07-01
Wet werk en bijstand 4, geldigheid: 2014-07-01
Verdrag inzake de rechten van het kind 3, geldigheid: 2014-07-01
Verdrag inzake de rechten van het kind 27, geldigheid: 2014-07-01
Grondwet 93, geldigheid: 2014-07-01
Grondwet 94, geldigheid: 2014-07-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2014/228

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 14/593

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 juli 2014 in de zaak tussen

[eiser] , te [plaats], eiser

wettelijk vertegenwoordiger [A], voogd,

(gemachtigde: J.A. Vrancken),

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: mr. E.H. Buizert).

Procesverloop

Bij besluit van 5 juli 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag voor een bijstandsuitkering voor eiser afgewezen.

Bij besluit van 13 januari 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het door [A] namens eiser gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Namens eiser heeft [A] tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 april 2014.

[A] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en [B].

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Voorts is verschenen Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden, vertegenwoordigd door [C].

Overwegingen

1.

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Eiser is geboren op [datum] 2012. De vader van eiser is niet in beeld en heeft hem niet erkend. De moeder van eiser is niet in staat voor hem te zorgen. Sinds eind 2012 hebben zijn grootouders, [A] en [B] eiser opgevoed en verzorgd. [A] is voogd en daarmee wettelijke vertegenwoordiger van eiser.

1.2.

Namens eiser is op 24 april 2013 een aanvraag ingediend voor een uitkering krachtens de Wet werk en bijstand (Wwb) om te kunnen voorzien in zijn levensonderhoud.

1.3.

Bij het primaire besluit heeft verweerder deze aanvraag afgewezen Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt.

1.4.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

2.1.

De primaire afwijzing steunt op de grond dat ingevolge artikel 13, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wwb geen recht op bijstand bestaat voor degene die jonger is dan 18 jaar en er geen sprake was van zeer dringende redenen zoals bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Wwb.

2.2.

Bij het bestreden besluit is aan de afwijzing tevens ten grondslag gelegd dat pleegouders een beroep kunnen doen op een voorliggende voorziening, als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de Wwb. Gelet op het bepaalde in de artikelen 5 en 28 van de Wet op de jeugdzorg (Wjz) geldt die wet volgens het college als een passende en toereikende voorziening voor de kosten van de verzorging en opvoeding van de in het gezin van de pleegouder geplaatste jeugdige. Voor zover de grootouders van eiser geen pleegouders zijn en de Wjz niet als een voorliggende voorziening kan worden beschouwd, is niet gebleken van zeer dringende redenen waardoor de minderjarige een zelfstandig recht op bijstand toekomt. Daartoe stelt verweerder dat [A] in zijn hoedanigheid als voogd als gezaghebbende en verzorger kan worden gezien. Daarnaast was de moeder van eiser ten tijde van de aanvraag meerderjarig zodat aangenomen mag worden dat zij redelijkerwijs een inkomen op tenminste bijstandsniveau kon verwerven, waarmee zij een bijdrage kan leveren aan het levensonderhoud van eiser, aldus het college.

2.3.

Namens eiser wordt, onder verwijzing naar het Handboek WWB van Stimulanz betoogd dat, nu hij geen pleegkind van zijn grootouders is, zij voor hem geen pleeggeldvergoeding ontvangen. Zijn ouders kunnen niet bijdragen in hun onderhoud, zodat verweerder aan eiser algemene bijstand moet toekennen. Daarbij heeft eiser tevens een beroep gedaan op het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (Trb. 1990, 170, hierna: IVRK).

3.

De rechtbank gaat uit van de volgende regelgeving.

3.1.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, aanhef en onder c, ten tweede van de Wwb, wordt verstaan onder “gezin” de gehuwden met de tot hun last komende kinderen. Ingevolge artikel 4, eerste lid, aanhef en onder d wordt verstaan onder “kind”, voor zover relevant, het eigen kind of stiefkind.

3.2.

Ingevolge artikel 13, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wwb heeft een persoon jonger dan 18 jaar geen recht op bijzondere bijstand dan wel een inkomensvoorziening.

3.3.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de Wwb bestaat geen recht op bijstand voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn.

3.4.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de Wwb kan het college aan een persoon die geen recht op bijstand heeft, gelet op alle omstandigheden, bijstand verlenen indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken.

3.5.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, IVRK, vormen bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, de belangen van het kind de eerste overweging.

Ingevolge artikel 3, derde lid, IVRK, verbinden de Staten die partij zijn, zich ertoe het kind te verzekeren van de bescherming en de zorg die nodig zijn voor zijn of haar welzijn, rekening houdend met de rechten en plichten van zijn of haar ouders, wettige voogden of anderen die wettelijk verantwoordelijk voor het kind zijn, en nemen hiertoe alle passende wettelijke en bestuurlijke maatregelen.

3.6.

Ingevolge artikel 27, eerste lid, IVRK, erkennen de Staten die partij zijn, het recht van ieder kind op een levensstandaard die toereikend is voor de lichamelijke, geestelijke, intellectuele, zedelijke en maatschappelijke ontwikkeling van het kind.

Ingevolge artikel 27, tweede lid, IVRK, De ouder(s) of anderen die verantwoordelijk zijn voor het kind, hebben de primaire verantwoordelijkheid voor het waarborgen, naar vermogen en binnen de grenzen van hun financiële mogelijkheden, van de levensomstandigheden die nodig zijn voor de ontwikkeling van het kind.

Ingevolge artikel 27, derde lid, IVRK, nemen de Staten die partij zijn, in overeenstemming met de nationale omstandigheden en met de middelen die hun ten dienste staan, passende maatregelen om ouders en anderen die verantwoordelijk zijn voor het kind te helpen dit recht te verwezenlijken, en voorzien, indien de behoefte daaraan bestaat, in programma's voor materiële bijstand en ondersteuning, met name wat betreft voeding, kleding en huisvesting.

4.

De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

4.1

Eiser is geen eigen kind of stiefkind van zijn grootouders. Gelet op artikel 4, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wwb behoort eiser daarom niet tot het gezin van de grootouders. Het voorgaande betekent dat eiser als zelfstandig subject voor de toepassing van de Wwb moet worden beschouwd, nu hij ook geen deel uitmaakt van het gezin van zijn moeder of zijn vader in de zin van deze bepaling.

4.2

Gelet op artikel 13, eerste lid, aanhef en onder f, Wwb, is verweerder in beginsel niet bevoegd aan eiser bijstand te verlenen.


4.3. Het beroep spitst zich daarom toe op de vraag of verweerder met toepassing van artikel 16, eerste lid, Wwb, in dit geval toch algemene bijstand aan eiser moet verlenen, waarbij verweerder tevens rekening dient te houden met de verplichtingen die voor verweerder jegens eiser voortvloeien uit het IVRK. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 29 maart 2005 (ECLI:NL:CRVB:2005:AT3468).

4.3.1.

Uit de memorie van toelichting bij artikel 16 van de Wwb blijkt dat er sprake moet zijn van ‘een acute noodsituatie en dat de behoeftige omstandigheden waarin de belanghebbende verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand volstrekt onvermijdelijk is’. Voorts is vermeld dat uitsluitend vanwege het feit dat het de belanghebbende ontbreekt aan de noodzakelijke middelen om in het bestaan te voorzien, nog niet kan worden gesproken van zeer dringende redenen zoals in het artikel is bedoeld. Het is voorts vaste rechtspraak dat van een acute noodsituatie slechts sprake is in een situatie die van levensbedreigende aard is of blijvend ernstig letsel of invaliditeit tot gevolg kan hebben.

4.3.2.

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting acht de rechtbank voldoende aannemelijk gemaakt dat de ouders van eiser niet voor hem kunnen en zullen zorgen, althans niet op afzienbare termijn. Daarbij betrekt de rechtbank dat eiser niet door een vader is erkend en dat zijn moeder niet voor niets uit de ouderlijke macht is ontzet. Vast staat dat eiser verzorgd wordt door zijn grootouders. Beide grootouders werken blijkens de stukken in loondienst en ontvangen een inkomen ruim boven de bijstandsnorm. Dat betekent dat zij in beginsel geacht kunnen worden de kosten voor het verzorgen van eiser te kunnen dragen.

4.3.3.

Ter zitting hebben de grootouders uiteengezet dat zij er in financieel opzicht fors op achteruit zijn gegaan sinds zij de verzorging van eiser op zich hebben genomen. De grootmoeder is minder gaan werken om eiser op te vangen en daarnaast gaat eiser ook nog drie dagen per week naar de kinderopvang, wat ongeveer € 1.000,- per maand kost. Bovendien hebben zijn grootouders nog een thuiswonend kind, de jongere broer van de moeder van eiser. Een belangrijke drijfveer voor de aanvraag is verder geweest dat de grootouders geen pleegzorgvergoeding krijgen op grond van de Wet op de Jeugdzorg (Wjz), omdat [A] al voogd was van eiser toen hij en zijn echtgenote pleegouders van eiser werden. Naar ter zitting door de vertegenwoordiger van Bureau Jeugdzorg Haaglanden nader is toegelicht staat dit aan het toekennen van een pleegvergoeding in de weg.

4.3.4.

Anders dan verweerder in het bestreden besluit heeft gesteld staat artikel 15 van de Wwb niet aan bijstandsverlening aan eiser in de weg omdat zijn pleegouders onder de werkingssfeer van de Wjz vallen. Dit is immers niet een voor eiser voorliggende voorziening.

4.3.5.

Het ontbreken van een pleegzorgvergoeding, in samenhang met de andere financiële offers die de grootouders hebben gebracht voor de verzorging van eiser, betekent op zichzelf niet dat zij daardoor niet in staat zijn eiser adequaat te verzorgen. Gesteld noch gebleken is dat de grootouders in zodanig behoeftige omstandigheden zijn komen te verkeren, of zullen komen te verkeren, dat daardoor voor eiser een toestand als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Wwb is ontstaan of zal ontstaan. Er zijn geen feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit de conclusie valt te trekken dat sprake is of zal zijn van een acute noodsituatie dan wel dat eiser in behoeftige omstandigheden zal komen te verkeren die het verlenen van bijstand volstrekt onvermijdelijk maken. Niet is aannemelijk geworden dat de grootouders van eiser niet in staat zijn om bij te dragen in de kosten van voeding en kleding en andere voor eiser essentiële noodzakelijke kosten.

4.3.6.

Het beroep van eiser op artikel 3, eerste lid en 27, derde lid, IVRK leidt niet tot een andere conclusie. De omstandigheid dat volgens de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep aan deze bepalingen geen eenieder verbindende werking toekomt als bedoeld in de artikelen 93 en 94 van de Grondwet laat onverlet dat verweerder bij de toepassing van artikel 16, eerste lid, Wwb, op deze bepalingen acht dient te slaan. Gelet op het tweede lid van artikel 27 IVRK neemt verweerder terecht als uitgangspunt dat de verantwoordelijkheid voor de verzorging van eiser in de eerste plaats bij zijn verzorgers ligt, in dit geval zijn grootouders. Uit het derde lid van dit artikel volgt dat verweerder gehouden zou kunnen zijn bijstand te verlenen ten behoeve van eiser indien zijn grootouders niet in staat zijn hem te voorzien van voeding, kleding en huisvesting. Daarvan is geen sprake. De rechtbank ziet in de feitelijke omstandigheden ook geen aanknopingspunt voor het oordeel dat eiser geen toereikende levensstandaard als bedoeld in het eerste lid van artikel 27 IVRK wordt geboden. Daaraan verbindt de rechtbank tevens de conclusie dat de meer algemeen geformuleerde normen die in artikel 3 IVRK zijn neergelegd evenmin nopen tot bijstandsverlening in dit geval, aangezien deze normen geen verdergaande aanspraken geven dan het bepaalde in artikel 27 IVRK.

4.4.

De door eisers aangehaalde passage uit het handboek van Stimulanz mist relevantie, omdat deze niet ziet op bijstandsverlening aan eiser zelf maar aan pleegouders met een bijstandsuitkering aan wie geen pleegzorgvergoeding is toegekend.

5.

De beroepsgronden falen. Verweerder heeft bijstand aan eiser mogen weigeren. Het beroep is daarom ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Verbeek, rechter, in aanwezigheid van mr. M.B. Weel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2014.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.