Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:7950

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-06-2014
Datum publicatie
30-06-2014
Zaaknummer
AWB 14/150
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

\Verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘conform beschikking Minister’; mvv-vereiste; privéleven; beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Vreemdelingenkamer

zaaknummer: AWB 14/150

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 juni 2014

in de zaak tussen

[eiser],

geboren op [geboortedatum],

v-nummer [nummer],

van Nicaraguaanse nationaliteit,

eiser,

(gemachtigde: mr. J.J. Eizenga),

en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

Immigratie- en Naturalisatiedienst,

verweerder, (onder verweerder wordt tevens verstaan de rechtsvoorganger(s) van de Staatssecretaris van Justitie).

Het procesverloop

Op 2 september 2009 heeft eiser een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘conform beschikking Minister’ aangevraagd. Bij ongedateerd besluit, verzonden op 21 mei 2010, heeft verweerder de aanvraag van eiser afgewezen.

Het daartegen door eiser op 4 juni 2010 gemaakte bezwaar is door verweerder bij besluit van 19 november 2010 ongegrond verklaard. Op 15 december 2010 heeft eiser beroep ingesteld tegen dat besluit.

Bij uitspraak van 24 mei 2011 (Awb 10/43057) heeft deze rechtbank, nevenzittingsplaats Zwolle, het beroep gegrond verklaard, het besluit van 19 november 2010 vernietigd en bepaald dat verweerder opnieuw op het bezwaar dient te beslissen.

Bij besluit van 20 december 2013 heeft verweerder het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

Op 5 januari 2014 heeft eiser beroep ingesteld tegen dit besluit.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van

20 februari 2014. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Voorts is verschenen [naam] als getuige. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. R.R. de Groot.

De beoordeling

1.

Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), dient de rechtbank het bestreden besluit - de motivering waarop dit besluit berust daaronder begrepen - te toetsen aan de hand van de tegen dat besluit aangevoerde beroepsgronden.

2.

Bij de beoordeling van het beroep gaat de rechtbank uit van de volgende feiten. Eiser is in mei 2007 op 11 jarige leeftijd Nederland ingereisd samen met mevrouw [naam]. Bij beschikking van de rechtbank Dordrecht van 2 september 2009 is mevrouw [naam] belast met de tijdelijke voogdij over eiser. Tot aan het indienen van de onderhavige aanvraag in september 2009 heeft eiser illegaal in Nederland verbleven. Bij vonnis van 23 februari 2010 van de rechtbank Dordrecht, sector strafrecht, is eiser veroordeeld tot jeugddetentie van drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.

Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen en bij heeft bij besluit van 4 juni 2010 het daartegen gemaakte bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Deze rechtbank, en nevenzittingsplaats Zwolle, heeft in de eerder genoemde uitspraak van 24 mei 2011 het besluit van 4 juni 2010 vernietigd. In die uitspraak is, voor zover hier van belang, overwogen dat eiser sedert in ieder geval 24 mei 2007 met mevrouw [naam] samenwoont, mevrouw [naam] dient te worden aangemerkt als pleeg- of opvangouder en dat tussen eiser en mevrouw [naam] sprake is van familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Volgens de rechtbank heeft verweerder deze vaststelling echter op geen enkele wijze betrokken bij de beoordeling van het beroep op (analoge toepassing van) artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder k, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb 2000). Voorts heeft de rechtbank in voornoemde uitspraak overwogen dat uit hetgeen verweerder in het bestreden besluit heeft overwogen niet blijkt dat de door eiser in het kader van zijn beroep op artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder k, van het Vb 2000 aangevoerde omstandigheden bij de beoordeling in het kader van artikel 3.71, vierde lid (thans: derde lid), van het Vb 2000 zijn betrokken.

Eiser is op 4 november 2011 onder toezicht gesteld en uit huis geplaatst en is sindsdien niet meer woonachtig bij mevrouw [naam]. Sinds april 2013 is eiser in een zogenoemd fasehuis van de Hoenderloo Groep in Apeldoorn geplaatst. De ondertoezichtstelling is vanwege de meerderjarigheid van eiser inmiddels geëindigd.

3.

Verweerder heeft bij het thans bestreden besluit de bezwaren opnieuw ongegrond verklaard. Daaraan heeft verweerder - kort weergegeven - ten grondslag gelegd dat eiser niet in het bezit is van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv), terwijl hij niet valt onder één van de in artikel 17, eerste lid, onder a tot en met f, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) hiervan vrijgestelde categorieën vreemdelingen. Evenmin komt eiser in aanmerking voor vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder k, dan wel l, van het Vb 2000. De uitzetting van eiser levert geen strijd op met artikel 8 van het EVRM. Voorts bestaat er volgens verweerder geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 3.71, derde lid, van het Vb 2000 (hardheidsclausule).

4.

Hiermee kan eiser zich niet verenigen. Op hetgeen eiser in dit verband heeft aangevoerd, zal, voor zover van belang, in het navolgende worden ingegaan.

5.

De rechtbank overweegt als volgt.

6.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000 worden afgewezen indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd.

In artikel 3.71, eerste lid, van het Vb 2000 is bepaald dat een dergelijke aanvraag in dat geval wordt afgewezen.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de Vw 2000 en artikel 3.71, tweede lid,

van het Vb 2000, is een aantal categorieën vreemdelingen vrijgesteld van het vereiste van het beschikken over een geldige mvv.

Daarnaast is in artikel 3.71, derde lid, van het Vb 2000 bepaald dat verweerder het eerste lid van dit artikel buiten toepassing kan laten, voor zover toepassing daarvan naar zijn oordeel zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

7.

De rechtbank stelt vast dat eiser niet beschikt over een geldige mvv.

8.

Op grond van artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder k, van het Vb 2000 is van het vereiste van een geldige mvv, op grond van artikel 17, eerste lid, onder g,

van de Vw 2000, vrijgesteld de vreemdeling die minderjarig is, schoolgaand is en drie jaar ononderbroken hoofdverblijf in Nederland heeft en een aanvraag heeft ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000, onder een beperking verband houdend met gezinshereniging bij een Nederlander of een hoofdpersoon met rechtmatig verblijf, als bedoeld in artikel 8,

onder a tot en met e dan wel l, van de Vw 2000.

9.

Eiser heeft aangevoerd dat gezien de eerdere uitspraak van deze rechtbank en nevenzittingsplaats Zwolle van 24 mei 2011 het geschil zich beperkt tot de analoge toepassing van artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder k, van het Vb 2000. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser toegelicht, dat verweerder in het bestreden besluit de omstandigheden van eiser die in dit artikelonderdeel zijn benoemd, dient te betrekken in de beoordeling van de hardheidsclausule. Eiser heeft in dit verband een beroep gedaan op het in artikel 2, van het Verdrag inzake de rechten van het kind van 20 november 1989 (hierna: het IVRK), neergelegde discriminatieverbod. Verweerder had volgens eiser op grond van die bepaling artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder k, analoog toe dienen te passen in het kader van de hardheidsclausule. Eiser heeft ter zitting nog aangevoerd dat door de wijziging van artikel 3.4, eerste lid, van het Vb 2000, het onderscheid tussen gezinshereniging en adoptie is komen te vervallen, hetgeen te meer reden is voor analoge toepassing van artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder k, van het Vb 2000.

10.

Naar het oordeel van de rechtbank kan hetgeen eiser heeft aangevoerd, niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Gelet op de eerdergenoemde uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Zwolle, diende verweerder in een nieuw te nemen besluit op bezwaar de in het kader van zijn beroep op artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder k, van het Vb 2000 aangevoerde omstandigheden bij de beoordeling omtrent de toepasbaarheid van de hardheidsclausule te betrekken. Verweerder heeft in het bestreden besluit bij de beoordeling van de toepasbaarheid van de hardheidsclausule de door eiser in het kader van zijn beroep op voornoemd artikel aangevoerde omstandigheden – zijn minderjarigheid, schoolgang en ononderbroken hoofdverblijf in Nederland gedurende drie jaar – betrokken. Aldus heeft verweerder in het bestreden besluit van uitvoering gegeven aan de voornoemde uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Zwolle.

11.

De situatie van eiser is een andere dan de in artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder k, van het Vb 2000 genoemde gezinshereniging. Zoals volgt uit de in artikel 3.4 van het Vb 2000 (zoals dit artikel ten tijde van de aanvraag luidde) genoemde beperkingen, dient de situatie van gezinshereniging te worden onderscheiden van verblijf als pleegkind of ter adoptie. Voor dit oordeel vindt de rechtbank steun in jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling), bijvoorbeeld de uitspraak van 20 juli 2011 in zaaknr. 201010189/1/V1 (www.raadvanstate.nl). Het in het eerste lid van artikel 2 van het IVRK neergelegde discriminatieverbod staat er niet aan in de weg dat op zakelijke en redelijke gronden een onderscheid wordt gemaakt tussen kinderen ten behoeve waarvan in het kader van gezinshereniging een verblijfsvergunning wordt gevraagd en kinderen die zoals eiser niet tot die groep behoren. Het beroep van eiser op artikel 2, eerste lid, van het IVRK treft daarom geen doel.

12.

De omstandigheid dat na de inwerkingtreding van de wet Modern Migratiebeleid op 1 juni 2013, derhalve ten tijde van het bestreden besluit, artikel 3.4, eerste lid, van het Vb 2000 geen afzonderlijke beperkingen meer bevat voor verblijf in het kader en gezinshereniging en gezinsvorming enerzijds, en voor verblijf ter adoptie of als pleegkind anderzijds, maakt het voorgaande naar het oordeel van de rechtbank niet anders. In artikel 3.4, aanhef en onder a, van het Vb 2000 zijn genoemde beperkingen weliswaar samengevoegd tot de beperking “verblijf als familie- of gezinslid”, maar artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder k, van het Vb 2000 is ongewijzigd gebleven. De genoemde wijziging laat derhalve onverlet dat alleen kinderen in het kader van gezinshereniging (rechtstreeks) worden vrijgesteld van het mvv-vereiste indien zij aan de in artikel 3.71 tweede lid, aanhef en onder k, van het Vb 2000 genoemde criteria voldoen.

13.

Eiser heeft vervolgens aangevoerd dat verweerder hem ten onrechte niet op grond van artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder l, van het Vb 2000 heeft vrijgesteld van het mvv-vereiste. Eiser heeft in dat kader een beroep gedaan op zijn familieleven met mevrouw [naam] en op zijn privéleven.

14.

In artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder l, van het Vb 2000 is bepaald dat van het vereiste van een geldige mvv, op grond van artikel 17, eerste lid, onder g,

van de Vw 2000, is vrijgesteld de vreemdeling van wie uitzetting in strijd met artikel 8 van het EVRM zou zijn.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, van het EVRM, voor zover thans van belang, heeft een ieder recht op respect voor zijn privéleven en familie- en gezinsleven. Ingevolge het tweede lid is geen inmenging van enig openbaar gezag toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

15.

Niet wordt betwist dat eiser in mei 2007 op 11-jarige leeftijd naar Nederland is gekomen en aldus een belangrijk deel van zijn jeugd in Nederland heeft verbleven en hij tijdens zijn verblijf alhier een sterke sociale en culturele band met Nederland heeft opgebouwd.

Verweerder stelt zich evenwel op het standpunt dat zich geen feiten en omstandigheden voordoen waaruit vanwege het recht op eerbiediging van het privéleven voor verweerder een positieve verplichting voortvloeit om eiser verblijf toe te staan. Verweerder heeft het algemeen belang, dat is gediend met het voeren van een restrictief toelatingsbeleid, afgewogen tegen het persoonlijk belang van eiser bij de uitoefening van zijn privéleven hier te lande en daarbij aan het algemeen belang doorslaggevend gewicht toegekend.

16.

Nu de afwijzing van de aanvraag er niet toe strekt eiser een verblijfstitel te ontnemen die hem in staat stelde privéleven dan wel familie- en gezinsleven hier te lande uit te oefenen, is van inmenging in het recht op eerbiediging hiervan als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van het EVRM geen sprake. Evenwel dient beoordeeld te worden of zich zodanige feiten en omstandigheden voordoen dat uit het recht op eerbiediging van het privéleven onderscheidenlijk het familie- en gezinsleven voor verweerder een positieve verplichting voortvloeit om eiser verblijf toe te staan. Zoals volgt uit jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM), bijvoorbeeld het arrest Rodrigues da Silva en Hoogkamer tegen Nederland van 31 januari 2006, nummer 50435/99 (JV 2006/90), en jurisprudentie van de Afdeling, bijvoorbeeld de uitspraak van 13 juli 2009, zaaknr. 200903237/1/V2 (www.raadvanstate.nl), moet bij de belangenafweging in het kader van het door artikel 8 van het EVRM beschermde recht op respect voor het privéleven dan wel familie- en gezinsleven een "fair balance" worden gevonden tussen het belang van de betrokken vreemdeling enerzijds en het Nederlands algemeen belang dat is gediend bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid anderzijds. Daarbij moeten alle voor die belangenafweging van betekenis zijnde feiten en omstandigheden kenbaar worden betrokken. Bij deze afweging komt verweerder een zekere beoordelingsruimte toe.

De rechtbank dient te toetsen of verweerder alle relevante feiten en omstandigheden (kenbaar) in zijn belangenafweging heeft betrokken en, indien dit het geval is, of verweerder zich, gelet op de “fair balance” tussen de belangen die in de onderhavige zaak een rol spelen, niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de weigering eiser vrij te stellen van het mvv-vereiste geen schending van het in artikel 8 van het EVRM neergelegde recht op eerbiediging van eisers privéleven en zijn familie- en gezinsleven betekent. Deze maatstaf impliceert dat de toetsing door de rechter enigszins terughoudend dient te zijn.

17.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in het bestreden besluit terecht op het standpunt gesteld dat geen sprake meer is van familie- en gezinsleven tussen eiser en mevrouw [naam]. Vaststaat immers dat eiser op 4 november 2011 niet meer bij haar verblijft. Behoudens incidenteel telefonisch contact, heeft eiser geen persoonlijk contact meer met mevrouw [naam]. Aan de stelling van eiser dat volgens de jurisprudentie van de Hoge Raad slechts in uitzonderlijke omstandigheden een relatie die onder de werking van artikel 8 EVRM valt als verbroken kan worden beschouwd, komt in dit verband niet de betekenis toe die hij daaraan gehecht wil zien, nu tussen eiser en mevrouw [naam] geen biologische verwantschap bestaat, hetgeen in die arresten wel het geval is. Hoewel de rechtbank kan begrijpen dat eiser zijn relatie met mevrouw [naam] als bijzonder beschouwt, en hij heeft aangegeven dat hij graag het contact met haar wil herstellen zodra dat mogelijk is, is van het uitoefenen van familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM geen sprake meer. Het betoog van eiser faalt in zoverre.

18.

Ten aanzien van het beroep van eiser op artikel 8 van het EVRM met betrekking tot zijn privéleven overweegt de rechtbank als volgt.

19.

Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 13 november 2013 in zaaknr. 201112108/1/V2 (www.raadvanstate.nl) kan uit het arrest Butt tegen Noorwegen van

4 december 2012, nr. 47017/09 (www.echr.coe.int) worden afgeleid dat zwaarwegende redenen van migratiebeleid in beginsel aanleiding zijn het gedrag van de ouders van een vreemdeling aan de desbetreffende vreemdeling toe te rekenen, in verband met het risico dat ouders de positie van hun kinderen misbruiken om een verblijfsrecht te verkrijgen. Indien de desbetreffende vreemdeling dan wel diens ouders konden - althans hadden moeten - weten dat het verblijfsrecht van die vreemdeling onzeker was, bestaat slechts onder bijzondere omstandigheden reden voor de conclusie dat op grond van artikel 8 van het EVRM een verplichting bestaat tot het laten voortzetten van het privéleven onderscheidenlijk familie- en gezinsleven.

Uit de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling volgt voorts dat indien het niet de keuze van de vreemdeling is geweest om naar Nederland te komen en hier te verblijven zonder verblijfsrecht, maar die van de ouder, verweerder, indien de ouder van de vreemdeling voor het verblijfsrecht niet afhankelijk is van het verblijfsrecht van de vreemdeling en er derhalve geen risico op misbruik bestaat, de in beginsel aan de vreemdeling toe te rekenen keuze van de ouder geen doorslaggevend element in de te verrichten belangenafweging mag laten vormen. Tevens wijst de Afdeling op de in die uitspraak genoemde jurisprudentie van het EHRM waaruit volgt dat voor het aannemen van een schending van het in artikel 8 van het EVRM neergelegde recht op eerbiediging van het privéleven niet in alle gevallen is vereist dat sprake is van zeer langdurig verblijf. Hierbij dienen bijzondere omstandigheden in acht te worden genomen.

20.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in het bestreden besluit ten onrechte niet alle relevante feiten en omstandigheden (kenbaar) in zijn belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM betrokken alsmede hierin feiten en omstandigheden ten onrechte betrokken. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.

Blijkens het hiervoor overwogene is voor het aannemen van een schending van het in artikel 8 van het EVRM neergelegde recht op eerbiediging van het privéleven niet in alle gevallen is vereist dat sprake is van zeer langdurig verblijf. Verweerder kent in de belangenafweging evenwel grote betekenis toe aan de omstandigheid dat de door eiser in Nederland aangegane sociale en culturele banden geen zeer langdurige tijdsduur beslaan en overweegt hierbij (enkel) dat verweerder gedurende deze periode nimmer heeft ingestemd met zijn verblijf en dat zijn verblijf altijd onzeker is geweest.

Verweerder heeft in zijn beoordeling niet, althans niet kenbaar betrokken, dat eiser van 4 november 2011 tot en met 11 mei 2013 onder toezicht is gesteld van Bureau Jeugdzorg en blijkens een verklaring van kinder-/jeugdpsychiater [naam] onder psychiatrische behandeling staat. Hieruit volgt weliswaar niet dat Nederland met het verblijf van eiser hier te lande heeft ingestemd, maar de ondertoezichtstelling acht de rechtbank in het kader van de belangenafweging niet zonder betekenis. De rechtbank wijst er in dit verband op dat, zoals ook valt af te leiden uit de uitspraak van de rechtbank Amsterdam, afdeling privaatrecht, van 18 december 2013, nr. 13-611/539597 (ECLI:NL:RBAMS:2013:9771) een onder toezicht gestelde minderjarige in principe in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Indien verweerder met gepaste voortvarendheid had gehandeld na de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, van 24 mei 2011, had eiser in principe gedurende de periode waarin hij onder toezicht was gesteld rechtmatig verblijf op grond van een verblijfsvergunning gehad.

Voorts onderkent verweerder weliswaar dat het niet de keuze van eiser is geweest om naar Nederland te komen en hier te verblijven zonder verblijfsrecht, maar heeft verweerder gelet op het hiervoor overwogene ten onrechte niet in de belangenafweging betrokken dat een risico op misbruik hierbij niet bestaat, omdat er in dit geval geen sprake is van een ouder of andere volwassene die voor het verblijfsrecht afhankelijk is van het verblijfsrecht van eiser, en dat ook nimmer het geval is geweest.

Hoewel te begrijpen valt dat verweerder kanttekeningen heeft geplaatst bij de beslissing van mevrouw [naam] om eiser mee te nemen naar Nederland, heeft verweerder verder niet inzichtelijk gemaakt, waarom dat van belang is in het kader van de hier te verrichten belangenafweging, hetgeen wel op de weg van verweerder had gelegen, nu eiser vanwege zijn jonge leeftijd op die beslissing geen invloed zal hebben gehad.

De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder ten onrechte heeft nagelaten in de belangenafweging te betrekken dat eiser in ieder geval sinds zijn komst naar Nederland in mei 2007 geen direct contact met zijn biologische moeder heeft gehad en het contact tussen eiser en zijn biologische moeder sinds mei 2009 volledig verbroken is, alsmede dat eiser sinds zijn vertrek uit Nicaragua nimmer is teruggekeerd naar zijn land van herkomst.

Verweerder heeft bij de aanname dat eiser vanwege zijn jeugdige leeftijd over enige flexibiliteit beschikt, waardoor hij zich bij terugkeer weer aan het land van herkomst kan aanpassen, niet, althans niet op kenbare wijze rekening gehouden met de omstandigheid dat eiser hier te lande in een aangepaste woongroep leeft en voor zijn psychiatrische problematiek onder behandeling staat.

Hoewel verweerder bij de belangenafweging het nodige gewicht heeft mogen toekennen aan de omstandigheid dat eiser antecedenten heeft, heeft verweerder in dit kader ten onrechte niet, althans niet kenbaar, in aanmerking genomen dat deze antecedenten zien op een periode dat eiser 14 jaar oud was, alsook dat hij daarvoor een voorwaardelijke straf heeft gekregen en uit de gedingstukken naar voren komt dat de kans op recidive gering is.

21.

Nu gezien het voorgaande van een deugdelijke belangenafweging van de wederzijdse belangen, die in dit geval wordt geëist, niet gesproken kan worden, heeft verweerder niet deugdelijk gemotiveerd dat de weigering eiser vrij te stellen van het mvv-vereiste geen schending oplevert van het door artikel 8 van het EVRM beschermde recht op eerbiediging van het privéleven. Het besluit is daarom genomen in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.

22.

Het beroep zal gegrond worden verklaard en het besluit zal worden vernietigd. Gezien de aard van de door verweerder te maken nadere afweging, ziet de rechtbank geen mogelijkheid om het geschil finaal te beslechten. De overige beroepsgronden behoeven thans geen bespreking.

23.

De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs gemaakte proceskosten, die op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht zijn begroot op € 974,- aan kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting à € 487,- per punt). Voorts bestaat aanleiding te bepalen dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht aan hem vergoedt.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 20 december 2013;

- bepaalt dat verweerder opnieuw op het bezwaar dient te beslissen, met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 974;

- gelast dat verweerder het griffierecht ad €160,- aan eiser vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, rechter, in tegenwoordigheid van mr. G.T.J. Kouwenberg, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2014.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen de uitspraak in beroep kunnen partijen binnen vier weken na de verzending van een afschrift hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing. Een afschrift van de uitspraak dient overgelegd te worden. Meer informatie treft u aan op de website van de Raad van State (www.raadvanstate.nl).