Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:7938

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-06-2014
Datum publicatie
04-08-2014
Zaaknummer
C-09-465139 - KG ZA 14-522
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Aanbesteding. De vorderingen strekkende tot een verbod om de Opdracht te gunnen wordt afgewezen. Eiseres legt de conformiteitstoets in de pre-award fase te beperkt uit. In die fase mocht de aanbestedende dienst niet slechts de uitwerking van het plan van aanpak, maar de hele inschrijving, waaronder de geboden prijzen, beoordelen. Anders dan eiseres stelt heeft zij niet aan de conformiteitstoets voldaan. Zij heeft kosten onder de verkeerde post geprijsd en heeft bepaalde kosten niet in haar inschrijving meegenomen. Haar inschrijving is dan ook op goede gronden van deelname uitgesloten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Aanbesteding 2015/736
JAAN 2014/182
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Den Haag

Team Handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/465139 / KG ZA 14-522

Vonnis in kort geding van 19 juni 2014

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CGI Nederland B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres,

advocaat mr. G. ‘t Hart te Rotterdam,

tegen:

de publiekrechtelijke rechtspersoon

de Staat der Nederlanden, (het Ministerie van Defensie, meer in het bijzonder de Defensie Pijpleiding Organisatie ((DPO),

zetelend te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. J.E. Palm te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘CGI’ en ‘de Staat’.

1 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 5 juni 2014 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1.

De Defensie Pijpleiding Organisatie (DPO) heeft, namens de Staat, een Europese openbare aanbestedingsprocedure uitgeschreven. De aanbesteding betreft het sluiten van een meerjarige overeenkomst om te voorzien in het integraal leveren, implementeren en onderhouden van een Pipeline Management System 2.0., hierna ‘de Opdracht’. Als gunningscriterium geldt de economisch meest voordelige inschrijving. DPO heeft als exploitant van een buisleidingnetwerk met gevaarlijke stoffen een risicomanagementsysteem (Pipeline Management System (PMS)) in werking. Het huidige PMS is verouderd en de Opdracht heeft tot doel het risicomanagementsysteem te vervangen. DPO heeft de aanbesteding doen uitvoeren door Pro 10 B.V., Partners in Procurement & Tendering te Den Haag, hierna ‘Pro 10’.

1.2.

De aanbestedingsprocedure is nader omschreven in de ‘Aanbestedingsleidraad Openbare Europese Aanbesteding: Pipeline Management Systeem 2.0’ van 15 november 2013, hierna ‘de Leidraad’. In de Leidraad is – voor zover hier van belang – het volgende opgenomen:

“(…)

4.2.1

Proces van BVP

(…)

Na beoordeling van de Inschrijvingen wordt de gunningsbeslissing genomen en begint de zogenaamde “Pre Award en Verificatie fase”. In deze fase zal verificatie plaatsvinden en zal Inschrijver bewijsstukken waarmee de afgegeven verklaringen zijn te staven moeten overleggen. Verder zal in deze fase, voordat tot definitieve gunning wordt overgegaan, de in potentie winnende Inschrijver, zijn voorstel en planning (zie hoofdstuk 1) gedetailleerd moeten uitwerken conform zijn inschrijving.

4.2.2

Best Value Procurement voor PMS 2.0

(…)

Inschrijvers dienen geanonimiseerd de volgende informatie op te leveren:

  1. Een kort en goed plan van aanpak neer te leggen (scope);

  2. Op beknopte wijze kansen te identificeren die voor DPO van extra toegevoegde waarde zijn (kansendossier);

  3. Op beknopte wijze de risico’s te identificeren en maatregelen te benoemen (risicodossier);

  4. Een planning en kostenonderbouwing;

  5. Een profiel van de sleutelpersonen die zij inzetten voor de Opdracht en die de Inschrijving uitstekend doorgronden en die DPO vanuit hun expertise kunnen overtuigen dat de voorgestelde aanpak (interviews);

  6. Een tarief voor de levering en implementatie van PMS 2.0;

  7. Een tarief voor het onderhouden en beheren van PMS 2.0 (voor een periode van 4+1+1 jaar);

  8. Uurtarieven voor het doorvoeren van changes op verzoek van DPO.

(…)

Als onderdeel van de Pre-award dient Inschrijver in overleg met DPO het volgende op te leveren:

  1. Een functioneel ontwerp;

  2. een werkende demo-omgeving;

  3. een beschrijving van het Technisch ontwerp;

  4. een detailplanning en taakverdeling rond de implementatie;

  5. en uitgewerkt Service Level Agreement met resultaatafspraken en KPI’s.

(…)

Op het moment dat de Inschrijver zijn beloften uit zijn Inschrijving niet blijkt te kunnen waarmaken in een gedetailleerd en goed plan van aanpak, dan leidt dit alsnog tot uitsluiting van de procedure, immers de Inschrijver doet zijn Inschrijving niet gestand.(…)

Op het moment dat de uitwerking van de potentieel winnende Inschrijver volledig voldoet en niet afwijkt van de Inschrijving en er verder geen juridische belemmeringen zijn om definitief te gunnen, dan zal de Aanbestedende tot deze definitieve gunning overgaan.

(…)

4.5

Kwaliteit: Wensen en kansendossier

(…)

Dus, alle kosten die gemoeid zijn met het voorzien in de wensen en het benutten van de kansen (bij elkaar opgeteld) mogen niet boven het door de Aanbestedende dienst gestelde prijsplafond (€ 495.000,- excl. BTW) uitkomen .(…)

4.9

Prijs

Bij de prijs wordt onderscheid gemaakt in 3 onderdelen:

  1. De prijs voor levering en implementatie van PMS 2.0 (onder prijsplafond);

  2. De prijs voor instandhouding van PMS 2.0 gedurende maximaal 6 jaar (4+1+1)

  3. De prijs voor de inzet van medewerkers voor het doorvoeren van changes op verzoek van DPO.

Zoals eerder gesteld wordt er binnen het principe van Best Value Procurement een plafondprijs gehanteerd. Deze plafondprijs geldt uitsluitend voor dat deel van de aanbodscope dat ziet op de levering en implementatie van PMS 2.0 inclusief het wensen- en kansendossier. Indien Inschrijver inschrijft met een hoger bedrag van leidt dit tot uitsluiting.(…)

4.9.2

Instandhouding (Beheer en onderhoud)

Inschrijver dient een vaste prijs per jaar af te geven voor het volledig gebruiksgereed en beschikbaar houden van PMS 2.0 als beschreven in zijn aanbodscope gedurende een periode van maximaal 6 jaar. Alle kosten dienen hierbij te zijn inbegrepen met uitzondering van kosten van changes die op verzoek van DPO doorgevoerd moeten worden. De tarieven per jaar dienen in verhouding te staan met de inspanningen die Inschrijver (dan Opdrachtnemer) in het betreffende jaar moet treffen. Het is dus niet toegestaan alle kosten naar voren te trekken. De verdeling dient logisch te zijn en dient tijdens de verificatiefase op sluitende wijze onderbouwd te kunnen worden.

(…)”.

1.3.

Bij de bij de inschrijving in te dienen stukken behoort een Conformiteitenlijst, waarop de inschrijver dient te verklaren aan elke afzonderlijke eis te voldoen, op straffe van uitsluiting. Algemene eis AE 7 van de Conformiteitenlijst luidt: “Het systeem maakt gebruik van de nieuwste, door de Inschrijver ondersteunde software en zal niet gedurende een maximale periode van 6 jaar na implementatie bij Opdrachtgever de status end-of-life bereiken”.

1.4.

In (ten minste) twee Nota’s van Inlichtingen is antwoord gegeven op vragen van de potentiële inschrijvers.

1.5.

Onder meer CGI heeft tijdig ingeschreven voor de Opdracht. CGI heeft de Conformiteitenlijst daarbij geaccordeerd. In haar offerte heeft CGI in paragraaf 2 een ‘Kostenonderbouwing Ontwikkeling/Implementatie/Beheer’ gegeven, waarbij zij meedeelt dat zij in het kader van de levering en implementatie van PMS 2.0 opleidingskosten van € 10.500,-- moet maken. Deze kostenpost heeft zij in de kolom ‘implementatie’ tussen haakjes geplaatst en zij heeft (elders in de tabel) meegedeeld ‘bedragen tussen haakjes zitten in beheerskosten’.

Voorts heeft CGI in haar offerte – voor zover hier van belang – het volgende vermeld:

“(…)

2.2.2

Beheer

(…)

2. Adaptief onderhoud. Wij stellen voor dat voor PMS 2.0 een release kalander wordt opgesteld. In de release kalender kunnen wijzigingen zitten die voortkomen uit verschillende typen onderhoud (correctief, preventief, adaptief). Adaptieve wijzigingen zijn functionele verrijkingen van PMS 2.0 en vallen buiten de oorspronkelijke scope.

3. In het kader van deze opdracht wordt GeoWeb 4.2 aan DPO geleverd en geïmplementeerd. DPO krijgt de beschikking over nieuwe releases van GeoWeb. Het implementeren van deze nieuwe releases is geen onderdeel van de scope van deze opdracht.”.

1.6.

Bij brief van 19 februari 2014 heeft Pro 10 aan CGI en aan de overige inschrijvers meegedeeld dat CGI de economisch meest voordelige inschrijving heeft gedaan en dat het voornemen bestaat de Opdracht aan CGI te gunnen. Voorts is meegedeeld dat de verificatiefase en pre awardfase aanvangen en dat definitieve gunning plaats vindt als deze fases zijn beoordeeld als voldoende en er geen juridische belemmeringen bestaan.

1.7.

Bij brief van 21 februari 2014 heeft Pro 10 CGI uitgenodigd voor de verificatie- en pre-awardfase. In deze brief is – voor zover hier van belang – het volgende opgenomen:

“(…)

Met betrekking tot de pre-awardfase dient u de volgende stukken op te leveren:

  1. een Functioneel Ontwerp;

  2. een werkende demo-omgeving;

  3. een beschrijving van het Technisch Ontwerp;

  4. een detailplanning en taakverdeling rond de implementatie;

  5. en uitgewerkt Service Level Agreement met resultaatafspraken en KPI’s.

Verder dient u een uitgebreide en gedetailleerde kostenonderbouwing voor de ontwikkeling, implementatie, instandhouding (beheer en onderhoud) in te dienen. Bij deze onderbouwing dient u duidelijk onderscheid te maken in de kosten betreffende de inschrijfsom voor aanbodscope, wensen en kansen enerzijds, en de kosten voor de instandhouding uitgewerkt per contractjaar anderzijds.

Bij de wensen en kansen dient u expliciet aan te geven of en welke kosten aan de zijde van DPO liggen. U dient daarbij binnen de kaders als gesteld in de aanbestedingsstukken en de kaders van uw eigen inschrijving te blijven.

U dient een volledig overzicht te geven over alle benodigde licenties en bijbehorende kosten die nodig zijn voor uw PMS 2.0 ontwerp, beschreven in de aanbodscope. U dient zich tevens uit te spreken over alle benodigde licenties bijv. FME licenties (zoals aangegeven onder Wensen en Kansen, vervangen WION robot) die benodigd zijn en of de kosten zijn opgenomen in uw prijs.(…)”.

1.8.

Op 28 februari 2014 heeft CGI schriftelijk aan Pro 10 bevestigd dat zij de verlangde stukken uiterlijk op 21 maart 2014 zal aanleveren.

1.9.

Op 26 maart 2014 heeft de Staat CGI telefonisch meegedeeld dat bij de nadere verificatie van de inschrijving van CGI is geconstateerd dat CGI een ongeldige inschrijving heeft gedaan en dat zij van deelname aan de aanbesteding wordt uitgesloten.

1.10.

Tussen partijen staat vast dat CGI in een (niet in het geding gebracht) e-mailbericht van 1 april 2014 het volgende aan Pro 10/DPO heeft meegedeeld:

“CGI en Grontmij doen hierbij een gewijzigd aanbod voor de Beheerkosten van PMS 2.0 van € 807.738,- (6 jaar) naar € 602.144 (6 jaar). Dit gewijzigde aanbod is gebaseerd op de Diensten zoals beschreven in bijgaande Service Level Agreement. Als gevolg van deze kostenvermindering komen de Beheerkosten voor de komende 6 jaar gemiddeld op 20,3% van de projectkosten (€ 495.000,--)

(…)

Bijgaand de toelichting op de vermindering van de kosten:

M.b.t. tot het onderdeel: Beheer licenties

De benodigde licenties om PMS 2.0 te ontwikkelen zijn:

(…)

FME Desktop Professional Edition 2014 (Wens 1). CGI heeft hier een vergissing gemaakt. Indien DPO gebruik wenst te maken van de invulling van wens 1, zal CGI deze licentiekosten voor eigen rekening nemen(…)”.

1.11.

Op 3 april 2014 heeft een bespreking plaatsgevonden tussen CGI en Pro 10/DPO, waarbij de voorgenomen uitsluiting van CGI is toegelicht. Bij brief van 4 april 2014 heeft Pro 10 – voor zover hier van belang – het volgende aan CGI meegedeeld:

“(…)CGI heeft de verificatiefase en pre-award fase niet goed doorstaan om diverse redenen. De redenen zetten wij hieronder voor u op een rij.

Overschrijding plafondbedrag beheer en implementatie

(…)

U heeft ingeschreven met een bedrag van precies € 495.000,- (excl. BTW), waarmee de inschrijving zo is opgesteld dat het maximum plafondbedrag is behaald. Tijdens de verificatiefase en pre-award fase is uit de door u verstrekte informatie ontegenzeggelijk komen vast te staan dat niet alle kosten voor de realisatie (en de instandhouding) van de wensen en kansen, opgeteld bij de kosten van de aanbodscope, hierin zijn meegenomen. De kosten van de FME-licentie voor de WION robot (wens 1) zijn door u niet meegenomen bij de wensen. Ook de onderhoudskosten zijn niet meegenomen. In de 2e Nota van inlichtingen is hierover een vraag gesteld en is expliciet aangegeven dat die kosten wel meegenomen moeten worden in de aanbieding.

Het bovenstaande leidt er toe dat de kosten van uw inschrijving boven het gestelde prijsplafond uit stijgen en uw inschrijving, overeenkomstig het gestelde in de aanbestedingsleidraad, uitgesloten moet worden. Verder blijkt hieruit dat u bij uw inschrijving klaarblijkelijk onjuiste gegevens heeft verstrekt. Conform punt 4 van de aanbestedingsvoorschriften (paragraaf 2.2 in de aanbestedingsleidraad) staat hierop de sanctie van uitsluiting.

Uitwerking

(…)

DPO moet constateren dat hier onvoldoende invulling aan wordt gegeven. DPO heeft u tot drie keer toe om een kostenonderbouwing gevraagd. Tevens laat de uitwerking van de SLA en de ontwikkeling / implementatie veel te wensen over. Zonder de intentie te hebben hieronder een volledige opsomming te geven, benoemen wij een aantal opvallende zaken die bijgedragen hebben aan het besluit van DPO om de opdracht niet aan CGI te gunnen. Het betreft:

a. CGI geeft aan dat nieuwe releases op basis van nacalculatie plaatsvinden. Dit is in strijd met de aanbestedingsleidraad. Alle kosten voor de instandhouding en het beheer dienen binnen de inschrijfsom te vallen, behalve kosten van changes op verzoek van DPO (…). Indien nieuwe releases nodig zijn om de werking te garanderen dan dient dit bij de tarieven inbegrepen te zijn.

De kosten rond levering en implementatie alsmede de instandhouding zijn niet gedetailleerd onderbouwd ondanks herhaaldelijk verzoek.(…)

Uit de ontvangen zeer beperkte onderbouwing blijkt wel dat er kosten voor het opleiden van medewerkers zijn toegekend aan de instandhoudingsfase terwijl dit onderdeel hoort te zijn van de implementatie van het systeem en dus in de aanbodscope zou moeten zijn meegenomen.

De uitwerking van de onderdelen (…) van de aanbodscope is niet akkoord. De uitwerking van de volgende onderdelen uit de conformiteitenlijst is niet akkoord (…).”

1.12.

Op 9 april 2014 heeft Pro 10 schriftelijk de tweede gunningsbeslissing van DPO bekend gemaakt.

1.13.

Bij brief van 17 april 2014 heeft CGI bezwaar gemaakt tegen het tweede gunningsvoornemen van DPO. In deze brief is – voor zover hier van belang – het volgende meegedeeld:

“(…)

Bij de onverplichte verstrekking hiervan op 7 maart 2014 heeft CGI echter een kostenpost met betrekking tot de FME licentie voor de WION robot (wens 1) abusievelijk opgenomen in de kosten voor instandhouding. DPO heeft deze fout geconstateerd blijkens een gesprek op 26 maart 2014, maar daar geen verdere consequenties aan verbonden, sterker nog DPO vraagt daarna (op 27 maart 2014) nog een aangepaste offerte voor Instandhouding aan CGI uit. Eerst op 2 april 2014 komt DPO hier op terug en dan als reden voor afwijzing.

(…)

Omdat de te hoge beheers- en onderhoudskosten van € 807.739,- door DPO op 26 maart 2014 als het belangrijkste “afwijzingscriterium” werd bestempeld, is tijdens het onderhoud van 27 maart 2014 overeengekomen dat CGI een nieuw voorstel indient voor instandhouding (Beheer en Onderhoud). CGI doet op 1 april 2014 een alternatief vaste prijs voorstel voor Instandhouding.

Geheel onverwacht krijgt CGI vervolgens op 2 april mondeling het bericht dat DPO niet verder wil met CGI met als reden dat het “vertrouwen” er niet is om met CGI succesvol de Instandhoudingsfase in te gaan.

(…)

Resumerend beoordeelt DPO op een tweetal aspecten opnieuw de Prijs, welke beoordeling bij de voorlopige gunning reeds heeft plaatsgehad. Voorts hanteert DPO subjectieve inhoudelijke argumenten die CGI heeft weerlegd.

CGI kan zich derhalve met de beoordeling van de pre-award fase door DPO niet verenigen en verzoekt DPO dringend over te gaan tot een herbeoordeling van de door haar opgeleverde documenten.

(…)”.

1.14.

Bij brieven van 23 april 2014 en 28 april 2014 heeft Pro 10 aan CGI kenbaar gemaakt dat het verzoek om herbeoordeling niet wordt ingewilligd en dat het tweede gunningsvoornemen wordt gehandhaafd.

2 Het geschil

2.1.

CGI vordert – zakelijk weergegeven – de Staat (DPO) te verbieden de Opdracht aan een ander dan CGI te gunnen, dan wel – voor het geval de Opdracht reeds is gegund – de Staat te gebieden de uitvoering van de Opdracht te staken, een en ander met veroordeling van de Staat in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

2.2.

Daartoe stelt CGI het volgende. In paragraaf 4.2.1 en 4.2.2 van de Leidraad is bepaald dat alleen wanneer het tijdens de pre-award fase opgestelde plan van aanpak niet overeenstemt met de inschrijving tot uitsluiting wordt overgegaan. Andere uitsluitingsgronden zijn niet opgenomen. In de brief van 4 april 2014 heeft Pro 10 echter gronden voor de uitsluiting van CGI gehanteerd die niet in de aanbestedingsstukken zijn opgenomen. De geboden prijzen behoren immers niet tot de inhoud van het plan van aanpak en zijn al beoordeeld voorafgaand aan de bekendmaking van de eerste gunningsbeslissing. Ook verwijst Pro 10 ter onderbouwing van de uitsluiting van CGI naar hetgeen in de Leidraad is opgenomen met betrekking tot het onderdeel kwaliteit, dat echter eveneens reeds was beoordeeld. Zonder basis in de aanbestedingsstukken mocht niet worden overgegaan tot een volledige verificatie van de inschrijving, omdat dat Pro 10/DPO een te grote beoordelingsvrijheid zou geven, en mocht het plan van aanpak tijdens de pre-awardfase nog slechts worden beoordeeld op conformiteit. CGI heeft onverplicht, op verzoek van Pro 10, een uitgebreide en gedetailleerde kostenonderbouwing gegeven. Op basis van de aanbestedingsstukken was dit niet vereist, zodat aan de kostenonderbouwing geen zelfstandige betekenis toe komt. CGI heeft weliswaar in die kostenonderbouwing abusievelijk de licentiekosten voor de WION robot opgenomen onder de post ‘instandhouding’, maar aangezien deze kostenonderbouwing geen onderdeel uitmaakt van de inschrijving, kan op basis daarvan geen uitsluiting volgen. Evenmin is sprake van overschrijding van de plafondprijs nu CGI geen extra kosten in rekening brengt. Ook was het substantieel verminderen van de instandhoudingskosten niet ontoelaatbaar. Bovendien waren de prijzen van CGI al beoordeeld en was de inschrijving van CGI al geldig verklaard. Anders dan de Staat heeft betoogd zijn de kosten van de implementatie van nieuwe releases ten behoeve van correctief en preventief onderhoud in de aangeboden prijs inbegrepen. Adaptieve wijzigingen, die niet nodig zijn om aan de huidige eisen voor PMS 2.0 te voldoen, vallen buiten de scope van de Opdracht en vormen ‘meerwerk’. In haar kostenonderbouwing heeft CGI bepaalde opleidingskosten onder de kostenpost ‘implementatie’ tussen haakjes geplaatst, omdat deze kosten weliswaar tijdens de beheerfase verschuldigd worden en onderdeel zijn van de beheersvergoeding, maar de daarop betrekking hebbende werkzaamheden gedeeltelijk al tijdens de implementatiefase zijn uitgevoerd. De aard van de werkzaamheden verandert daarmee echter niet en deze kosten vallen dan ook niet onder de werking van het prijsplafond.

In de brief van 4 april 2014 heeft alleen onderdeel d betrekking op de wijze waarop CGI haar inschrijving heeft uitgewerkt, maar de reden dat die uitwerking niet voldoet wordt door Pro 10 niet onderbouwd. De ongemotiveerde mededeling dat de uitwerking van een aantal onderdelen van de aanbodscope en de conformiteitenlijst niet akkoord is, is daarvoor onvoldoende. CGI heeft aan de conformiteitstoets voldaan en er is dan ook geen ruimte voor haar uitsluiting van deelname aan de aanbestedingsprocedure.

2.3.

De Staat voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

3 De beoordeling van het geschil

3.1.

Tussen partijen is in geschil of de Staat gehouden is de Opdracht te gunnen aan CGI, hetgeen CGI stelt en de Staat gemotiveerd betwist.

3.2.

CGI heeft zich op het standpunt gesteld dat de Staat de inschrijving van CGI in de pre-award fase nog slechts mocht beoordelen op conformiteit en niet meer op prijs en kwaliteit. Dit deel van de beoordeling was reeds voorafgaand aan de gunningsbeslissing voltooid, aldus CGI. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan dit standpunt niet worden gevolgd. Uit paragraaf 4.2.1 van de Leidraad blijkt dat na het nemen van de gunningsbeslissing ‘de Pre Award en Verificatie fase’ aanvangt, dat in deze fase een verificatie plaatsvindt, dat de inschrijver bewijsstukken zal moeten overleggen waarmee de afgegeven verklaringen te staven zijn en dat de in potentie winnende inschrijver zijn voorstel en planning gedetailleerd moet uitwerken conform zijn inschrijving. Voorts blijkt uit paragraaf 4.2.2 van de Leidraad dat op het moment dat de uitwerking van de potentieel winnende inschrijver voldoet, deze uitwerking niet afwijkt van de inschrijving en er ook overigens geen juridische belemmeringen zijn, tot definitieve gunning wordt overgegaan. De door CGI voorgestane beperkte toetsing van de inschrijving, namelijk slechts op het punt van conformiteit, verdraagt zich daarmee naar voorlopig oordeel niet. Dit betekent dat in de pre-award fase niet slechts de uitwerking van het plan van aanpak, maar de gehele inschrijving, waaronder de aangeboden prijzen, ter beoordeling voor ligt. Dit laatste geldt te meer nu in de uitnodiging van 21 februari 2014 tevens is verzocht om een gedetailleerde kostenonderbouwing voor ontwikkeling, implementatie en instandhouding van PMS 2.0 en CGI in haar brief van 28 februari 2014 heeft bevestigd dat zij deze kostenonderbouwing zal verstrekken. Anders dan CGI kennelijk meent is gelet op het voorgaande niet gebleken dat de Staat de inschrijving van CGI in afwijking van de aanbestedingsstukken heeft beoordeeld en deze heeft uitgesloten op andere gronden dan die welke in de aanbestedingsstukken zijn vermeld.

3.3.

Voorts heeft CGI betwist dat zij niet aan de conformiteitstoets heeft voldaan. Allereerst stelt zij dat zij de licentiekosten die samenhangen met de door haar als Wens 1 aangeboden WION robot (slechts) abusievelijk heeft opgenomen bij de kosten voor instandhouding en heeft zij in haar e-mailbericht van 1 april 2014 aangeboden deze kosten voor eigen rekening te nemen indien DPO van deze robot gebruik wenst te maken. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de Staat op dit punt voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat, zou CGI deze licentiekosten overeenkomstig de aanbestedingsstukken hebben meegenomen bij de beheerskosten, zij het prijsplafond dat geldt voor de beheerskosten zou hebben overschreden, aangezien CGI precies op het plafondbedrag van € 495.000,-- heeft ingeschreven. Overeenkomstig het bepaalde in paragraaf 4.9 van de Leidraad leidt dit tot uitsluiting van deelname. Het aanbod van CGI in de e-mail van 1 april 2014 doet daaraan niet af, aangezien CGI dan nog altijd niet alle kosten met betrekking tot de beheerskosten in haar offerte heeft betrokken, hetgeen in de aanbestedingsstukken is voorgeschreven.

3.4.

CGI heeft tevens betoogd dat de Staat zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat CGI de kosten van de implementatie van nieuwe releases ten behoeve van correctief en preventief onderhoud niet in de aangeboden prijs heeft inbegrepen. Uit de algemene eis AE7 van de Conformiteitenlijst en uit paragraaf 4.9.2 van de Leidraad volgt dat alle kosten voor het volledig gebruiksgereed en beschikbaar houden van PMS 2.0 gedurende een periode van maximaal 6 jaar dienen te zijn inbegrepen in de offerte, met uitzondering van de zogenoemde ‘changes’. In paragraaf 2.2.2 onder 3 van haar offerte heeft CGI echter opgenomen dat DPO de beschikking krijgt over nieuwe releases van GeoWeb en dat het implementeren van de nieuwe releases geen onderdeel is van de scope van de Opdracht. Voorts heeft de Staat in dit verband onbetwist naar voren gebracht dat uit het door CGI in de verificatiefase overgelegde concept van de Service Level Agreement blijkt dat CGI voornemens is nieuwe releases op basis van nacalculatie aan DPO in rekening te brengen. Derhalve heeft de Staat naar het oordeel van de voorzieningenrechter terecht kunnen menen dat nieuwe releases geen onderdeel uitmaken van het aanbod van CGI en heeft de Staat kunnen oordelen dat de inschrijving van CGI ook op dit punt niet voldoet aan hetgeen in de aanbestedingsstukken is voorgeschreven.

3.5.

Ten slotte is de voorzieningenrechter van oordeel dat de Staat op goede gronden heeft betoogd dat CGI ten onrechte bepaalde opleidingskosten bij de kosten voor instandhouding heeft ondergebracht, daar waar zij deze had moeten opnemen bij de kosten voor levering en implementatie. CGI heeft op dit punt betoogd dat zij voornemens is om parallel aan de ontwikkeling van PMS 2.0, voorafgaand aan de beheerfase, de beheerders bij de implementatiefase te betrekken, zodat zij vertrouwd raken met PMS 2.0 en zij niet onvoorbereid zijn op het moment dat de beheerfase een aanvang neemt. Echter, nu vast staat dat de kosten voor kennisoverdracht volgens CGI worden gemaakt bij de realisatie/implementatie van PMS 2.0, stond het haar gelet op hetgeen is voorgeschreven in paragraaf 4.9 van de Leidraad, mede in aanmerking genomen de omstandigheid dat voor de kosten van levering en implementatie een plafondprijs geldt, niet vrij deze kosten in de prijs voor instandhouding mee te nemen.

3.6.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de Staat de inschrijving van CGI op goede gronden van (verdere) deelname heeft uitgesloten en dat de vorderingen van CGI worden afgewezen. CGI zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding, alsmede (deels voorwaardelijk) in de nakosten.

4 De beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst de vorderingen af;

- veroordeelt CGI in de kosten van dit geding, tot dusver aan de zijde van de Staat begroot op € 1.424,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat en € 608,-- aan griffierecht, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis;

- veroordeelt CGI tevens in de nakosten, forfaitair begroot op € 131,-- aan salaris advocaat, te vermeerderen met € 68,-- aan salaris en met de deurwaarderskosten gemaakt voor de betekening van dit vonnis indien tot betekening wordt overgegaan;

- verklaart deze proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.H.I.J. Hage en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2014.

mvt