Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:7909

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25-04-2014
Datum publicatie
04-08-2014
Zaaknummer
C-09-462349 - KG ZA 14-322
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Het gevorderde verbod om executiemaatregelen te treffen met betrekking tot boetebeschikkingen wordt afgewezen. Iedere vennoot is hoofdelijk aansprakelijk voor de verbintenissen van de vennootschap onder firma, zodat het de Staat vrij stond om eiser als vennoot aan te spreken tot voldoening van de aan de vennootschap opgelegde boetebeschikkingen. Anders dan eiser stelt is niet gebleken dat hij niet in de gelegenheid is gesteld om rechtsmiddelen aan te wenden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Den Haag

Team Handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/462349 / KG ZA 14-322

Vonnis in kort geding van 25 april 2014

in de zaak van

[A],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. J. el Hannouche te Amsterdam,

tegen:

de publiekrechtelijke rechtspersoon

de Staat der Nederlanden, (Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid),

zetelende te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. A.C. Rop te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘[A]’ en ‘de Staat’.

1 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 23 april 2014 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1.

[A] is een van de vennoten van de vennootschap onder firma ‘Café-restaurant Kasba v.o.f.’, hierna ‘de vof’. Tot en met begin januari 2010 was zijn medevennoot [B], vanaf januari 2010 was dat [C].

1.2.

Op 6 november 2009 en op 9 december 2009 is door inspecteurs van de Arbeidsinspectie geconstateerd dat twee personen, respectievelijk [D] en [E], die op grond van de ‘Wet arbeid vreemdelingen’ (Wav) als vreemdeling moeten worden aangemerkt, arbeid verrichtten voor de vof zonder te beschikken over een tewerkstellingsvergunning, derhalve in strijd met het bepaalde in de Wav. Met betrekking tot deze constateringen zijn op respectievelijk 6 januari 2010 en 28 januari 2010 boeterapporten opgesteld, die aan de vennoten van de vof zijn toegezonden. Ter zake van beide boeterapporten is aan de vennoten van de vof een voornemen tot boeteoplegging kenbaar gemaakt.

1.3.

[A] en [B] hebben met betrekking tot het boetevoornemen ten aanzien van [D] een zienswijze kenbaar gemaakt.

1.4.

De Staat (meer in het bijzonder de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid) heeft bij beschikking van 10 februari 2010 aan de vof een boete van € 8.000,-- opgelegd in verband met overtreding van de Wav ten aanzien [D]. Bij besluit van 15 maart 2010 heeft de Staat eveneens een boete van € 8.000,-- aan de vof opgelegd in verband met overtreding van de Wav ten aanzien van [E].

1.5.

Tegen de boetebeschikking van 15 maart 2010 is namens [A] en [C] bezwaar gemaakt. Bij besluit van 25 juni 2010 is het bezwaar ongegrond verklaard. Tegen dit laatste besluit is geen rechtsmiddel ingesteld.

1.6.

Omdat betaling van de aan de vof opgelegde boetes – ook na aanmaningen – uitbleef zijn dwangbevelen uitgevaardigd tegen de vennoten van de vof, onder wie [A]. Deze dwangbevelen zijn op 9 augustus 2010 door de deurwaarder betekend aan de vof, aan [A] en aan zijn medevennoot [C].

2 Het geschil

2.1.

[A] vordert – zakelijk weergegeven en na wijziging van eis – primair de Staat te verbieden executiemaatregelen jegens [A] te treffen met betrekking tot de boetebeschikkingen, althans de Staat te gebieden de executie te staken en gestaakt te houden, op straffe van een dwangsom en met veroordeling van de Staat in de proceskosten en in de nakosten. Voor het geval de vorderingen worden afgewezen vordert [A] (voorwaardelijk) aanhouding van de zaak totdat onherroepelijk is beslist ten aanzien van de positie van alle vennoten.

2.2.

Ter zitting heeft [A] meegedeeld dat hij zijn stelling met betrekking tot het niet hebben ontvangen van een dwangbevel ter zake van de boetebeschikking van 15 maart 2010 niet langer handhaaft. Ter onderbouwing van zijn vorderingen stelt hij thans nog het volgende. De boetes in verband met overtreding van de Wav zijn opgelegd aan de vof en niet aan [A] zelf. Het is ook de vof die verwijtbaar heeft gehandeld. Nu de beschikking niet is gericht tegen [A] en hij ook niet in de gelegenheid is gesteld om namens zichzelf rechtsmiddelen aan te wenden, is de executie van de boetebeschikkingen in strijd met het recht op een eerlijk proces en daarmee onrechtmatig jegens [A]. Bovendien wordt [A] als enige vennoot tot voldoening aangesproken. De Staat maakt hiermee misbruik van zijn executiebevoegdheid.

2.3.

De Staat voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

3 De beoordeling van het geschil

3.1.

Tussen partijen is in geschil of de Staat onrechtmatig jegens [A] heeft gehandeld door tegen hem executiemaatregelen te treffen met betrekking tot de boetebeschikkingen van 10 februari 2010 en 15 maart 2010, hetgeen [A] stelt en de Staat betwist.

3.2.

[A] heeft zich op het standpunt gesteld dat de in verband met overtreding van de Wav opgelegde boetes niet op hem verhaald kunnen worden, aangezien de onderliggende boetebeschikkingen gericht zijn tegen de vof en niet tegen [A]. Echter, op grond van het bepaalde in artikel 18 van het Wetboek van Koophandel is iedere vennoot hoofdelijk aansprakelijk voor de verbintenissen van de vennootschap onder firma. Dit betekent dat ieder van de vennoten in een vennootschap onder firma aansprakelijk is voor het geheel van de verplichtingen van de vennootschap onder firma en dat een schuldeiser elke vennoot persoonlijk kan aanspreken voor de gehele schuld. Gelet op het voorgaande stond het de Staat dan ook vrij om [A] als vennoot van de vof aan te spreken tot betaling van de bij beschikking van 10 februari 2010 en 15 maart 2010 opgelegde boetes. Dat dergelijke boetes een punitief karakter dragen, zoals [A] heeft betoogd, leidt niet tot een ander oordeel. Voorts geldt dat het ter vrije keuze van de Staat als schuldeiser staat om te kiezen op welke vennoot hij zich wenst te verhalen, zodat aan de stelling van [A] dat de Staat zich ook had moeten verhalen op de medevennoot voorbij wordt gegaan. Daar komt nog bij dat met betrekking tot de boetebeschikkingen wellicht verrekening tussen de vennoten onderling mogelijk is, zodat het [A] vrij staat te trachten (een deel van) de boete te verhalen op zijn medevennoot. Van onrechtmatige executie, dan wel van handelen in strijd met het recht op een eerlijk proces is naar voorlopig oordeel niet gebleken.

3.3.

Het betoog van [A] dat hij geen rechtsmiddelen heeft kunnen aanwenden tegen de boetebeschikkingen kan niet worden gevolgd. [A] had als vennoot en belanghebbende wel degelijk het recht om rechtsmiddelen in te stellen tegen de boetebeschikkingen en van die mogelijkheid heeft hij voor wat betreft de boetebeschikking van 15 maart 2010 ook daadwerkelijk gebruik gemaakt. Dat [A] geen rechtsmiddelen ‘namens zichzelf’ heeft kunnen instellen, zoals hij heeft betoogd, maakt dit niet anders, aangezien de boetes zijn opgelegd aan de vof en niet aan [A], zodat de noodzaak daarvoor naar voorlopig oordeel ontbreekt.

3.4.

Gelet op het voorgaande worden de vorderingen afgewezen. De (voorwaardelijke) vordering strekkende tot aanhouding van de zaak wordt afgewezen. Gelet op de hiervoor onder 3.2. beschreven positie van de vennoten van een vennootschap onder firma valt vooralsnog niet in te zien op grond waarvan een beslissing over de rechtspositie van de medevennoten van invloed kan zijn op de positie van [A].

3.5.

[A] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding, alsmede (deels voorwaardelijk) in de nakosten, een en ander op de hierna te vermelden wijze. Voor een veroordeling van de Staat in de proceskosten, zoals door [A] gevorderd voor het geval de vorderingen worden afgewezen op basis van verweren die de Staat in een eerder stadium had kunnen voeren, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding. De afwijzing van de vorderingen vloeit immers voort uit het bepaalde in de wet en niet (slechts) uit van de zijde van de Staat gevoerde verweren.

4 De beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst de vorderingen af;

- veroordeelt [A] in de kosten van dit geding, tot dusver aan de zijde van de Staat begroot op € 1.424,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat en € 608,-- aan griffierecht;

- veroordeelt [A] tevens in de nakosten, forfaitair begroot op € 131,-- aan salaris advocaat;

- bepaalt dat, indien niet binnen veertien dagen na heden aan voormelde proceskostenveroordeling(en) is voldaan, wettelijke rente daarover verschuldigd is;

- bepaalt dat, indien en voor zover [A] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en het vonnis om die reden door de Staat aan [A] is betekend, de nakosten worden vermeerderd met een bedrag van € 68,-- aan salaris advocaat, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na voormelde aanschrijving tot de dag van algehele voldoening, en met de explootkosten van de betekening van dit vonnis;

- verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.H.I.J. Hage en in het openbaar uitgesproken op 25 april 2014.

mvt