Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:7881

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
28-02-2014
Datum publicatie
31-07-2014
Zaaknummer
C-09-460010 - KG ZA 14-144
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Het gevorderde verbod tot tenuitvoerlegging van gijzeling (vanwege openstaande WAHV-boetes) wordt afgewezen. Dat eiser niet op de hoogte was van de boetes en dat hij geen verweer heeft kunnen voeren is niet aannemelijk geworden. Het beroep op betalingsonmacht wordt verworpen. De thuissituatie van eiser en de duur van de gijzelingen rechtvaardigen een verbod op tenuitvoerlegging van de gijzeling evenmin.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Den Haag

Team Handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/460010 / KG ZA 14-144

Vonnis in kort geding van 28 februari 2014

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats], thans verblijvende in Detentiecentrum [p.i.], eiser,

advocaat mr. M. Raaijmakers te Hoofddorp,

tegen:

de publiekrechtelijke rechtspersoon

de Staat der Nederlanden, (Ministerie van Veiligheid en Justitie),

zetelend te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. W.M. Limborgh te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘[eiser]’ en ‘de Staat’.

1 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 24 februari 2014 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1.

Aan [eiser] zijn – voor zover hier van belang – bij vier beschikkingen geldboetes opgelegd op grond van de Wet Administratiefrechtelijke Handhaving Verkeersvoorschriften (WAHV). Uit hoofde van deze beschikkingen – die inmiddels onherroepelijk zijn geworden – is [eiser] in totaal (inclusief wettelijke verhogingen) een bedrag van in totaal € 3.859,-- verschuldigd.

1.2.

Omdat [eiser] heeft nagelaten de openstaande bedragen te voldoen heeft de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, hierna ‘de kantonrechter’, op vordering van de officier van justitie, op 14 oktober 2013 vier machtigingen verleend voor het toepassen van het dwangmiddel gijzeling van [eiser], telkens voor de duur van zeven dagen.

1.3.

Op 18 februari 2014 heeft [eiser] een aan hem in het kader van een andere strafzaak opgelegde schadevergoedingsmaatregel ten bedrage van € 2.842,-- voldaan, zodat de daaraan gekoppelde vervangende hechtenis is vervallen.

1.4.

De Staat is voornemens de gijzeling ten uitvoer te leggen met ingang van 27 februari 2014, aansluitend aan de huidige detentie van [eiser].

2 Het geschil

2.1.

[eiser] vordert – na wijziging van eis en zakelijk weergegeven – primair de Staat te verbieden tot tenuitvoerlegging van de gijzeling van [eiser] over te gaan, dan wel deze tenuitvoerlegging te staken en subsidiair de tenuitvoerlegging van de gijzeling van [eiser] te schorsen totdat het Europese Hof voor de rechten van de mens heeft beslist op de aanvraag van een ‘Interim Measure’, dan wel totdat het Openbaar Ministerie een besluit heeft genomen op het verzoek van [eiser] om de gijzeling niet ten uitvoer te leggen, een en ander op straffe van een dwangsom en met veroordeling van de Staat in de proceskosten.

2.2.

Daartoe stelt [eiser] het volgende. [eiser] was niet op de hoogte van de aan hem opgelegde geldboetes en evenmin van de door de kantonrechter verleende machtigingen tot gijzeling. Hij heeft geen oproep voor de zitting voor de kantonrechter ontvangen en is derhalve niet in de gelegenheid gesteld zijn standpunt kenbaar te maken. De gijzeling is dan ook onrechtmatig en bovendien disproportioneel, nu deze langer duurt dan het door het Landelijk Overleg Coördinerend Kantonrechters gehanteerde uitgangspunt van maximaal 15 dagen gijzeling. De tenuitvoerlegging van de machtigingen gaat voorts volledig voorbij aan het doel van het dwangmiddel van gijzeling. Aan de zijde van [eiser] is immers geen sprake van betalingsonwil, maar van betalingsonmacht. [eiser] heeft een groot aantal schulden en is niet in staat om de boetes te voldoen, zodat de Staat geen rechtens te respecteren belang heeft bij gijzeling. Ten slotte verzet de thuissituatie van [eiser] zich tegen zijn gijzeling. De twee minderjarige kinderen van [eiser] zijn onder toezicht van Bureau Jeugdzorg gesteld en zij zijn aan hem toegewezen, aangezien hun moeder niet in staat is om voor hen te zorgen. [eiser] woont thans met deze kinderen bij zijn moeder. Wanneer de gijzeling van [eiser] daadwerkelijk ten uitvoer wordt gelegd, zullen de kinderen uit huis worden geplaatst in een pleeggezin, hetgeen niet in het belang van de kinderen is. Gelet op het voorgaande dient de tenuitvoerlegging van de gijzeling van [eiser] primair te worden verboden, althans te worden gestaakt en subsidiair dient deze te worden geschorst, in afwachting van een uitspraak van het Europese Hof, dan wel van het Openbaar Ministerie.

2.3.

De Staat voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

3 De beoordeling van het geschil

3.1.

[eiser] heeft aan zijn vorderingen ten grondslag gelegd dat de Staat onrechtmatig jegens hem handelt. Daarmee is de bevoegdheid van de burgerlijke rechter, in dit geval de voorzieningenrechter in kort geding, gegeven.

3.2.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat indien degene aan wie een administratieve sanctie op grond van de WAHV is opgelegd geen (volledig) verhaal biedt, de kantonrechter op vordering van de officier van justitie een machtiging kan verlenen voor het toepassen van het dwangmiddel gijzeling voor de duur van ten hoogste één week per gedraging. Doel van gijzeling is betaling af te dwingen, waarbij geldt dat de betalingsverplichting door de gijzeling niet komt te vervallen. Tegen een dergelijke beslissing van de kantonrechter staat op grond van het bepaalde in artikel 28, tweede lid, WAHV geen rechtsmiddel open. Derhalve dient in beginsel van de rechtmatigheid van de machtiging en de als gevolg daarvan voorgenomen gijzeling te worden uitgegaan en dient de voorzieningenrechter zich terughoudend op te stellen bij de beoordeling van vorderingen zoals door [eiser] in het onderhavige kort geding zijn ingesteld. Slechts wanneer sprake is van bijzondere omstandigheden, die meebrengen dat de gijzeling geen enkel redelijk doel (meer) dient, kan de gijzeling worden opgeheven.

3.3.

Dat [eiser] niet op de hoogte was van de aan hem opgelegde boetes en dat hij onvoldoende in de gelegenheid is gesteld om verweer te voeren voor de kantonrechter is voorshands niet gebleken. De Staat heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de beschikkingen waarin de geldboetes aan [eiser] zijn opgelegd zijn gezonden naar het adres waar [eiser] op dat moment in de Gemeentelijke Basisadministratie (GBA) stond ingeschreven en dat het vervolgens de verantwoordelijkheid van [eiser] is dat hij de aldaar bezorgde post daadwerkelijk ontvangt. Uit de machtigingen die de kantonrechter heeft verleend kan voorts worden afgeleid dat [eiser] behoorlijk voor de mondelinge behandeling voor de kantonrechter is opgeroepen. Mede gelet op hetgeen hiervoor onder 3.2. is overwogen dient vooralsnog van de juistheid van het oordeel van de kantonrechter te worden uitgegaan. De Staat heeft in dit verband bovendien ter zitting naar voren gebracht dat [eiser] op het moment dat hij werd opgeroepen voor de zitting voor de kantonrechter in de GBA als geëmigreerd geregistreerd stond en dat [eiser] daarom door middel van een openbaar exploot in het Algemeen Dagblad is opgeroepen. Dat [eiser] door de kantonrechter niet rechtsgeldig is opgeroepen en dat hem de mogelijkheid om verweer te voeren is onthouden, is dan ook voorshands niet gebleken.

3.4.

[eiser] stelt zich voorts op het standpunt dat de Staat geen rechtens te respecteren belang heeft bij gijzeling, aangezien niet aannemelijk is dat het effectueren van de machtigingen van de kantonrechter bijdraagt aan het bereiken van het doel dat met de gijzeling wordt beoogd. [eiser] stelt in dat verband dat sprake is van betalingsonmacht, maar hij heeft zijn stelling naar voorlopig oordeel onvoldoende onderbouwd. Weliswaar heeft [eiser] salarisspecificaties en een overzicht van een groot aantal schulden in het geding gebracht, maar hieruit volgt nog niet dat hij in betalingsonmacht verkeert. Daar komt bij dat (de vriendin van) [eiser] op 18 februari 2014 – ter voorkoming van tenuitvoerlegging van 38 dagen vervangende hechtenis in het kader van een andere strafzaak – een aan hem opgelegde schadevergoedingsmaatregel heeft voldaan. De keuze om deze schadevergoedingsmaatregel te voldoen en de openstaande boetes onbetaald te laten, is echter een keuze die voor rekening en risico van [eiser] dient te blijven. Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat de financiële situatie van [eiser] een verbod op of schorsing van de tenuitvoerlegging van de gijzeling niet rechtvaardigt en dat de machtiging tot gijzeling thans nog aan haar doel beantwoordt. Voor zover [eiser] heeft gesteld dat de gijzeling in het onderhavige geval een punitief karakter heeft, wordt deze stelling dan ook verworpen.

3.5.

De thuissituatie van [eiser] rechtvaardigt naar voorlopig oordeel evenmin een verbod op of schorsing van de tenuitvoerlegging van de gijzeling. [eiser] heeft naar voren gebracht dat Bureau Jeugdzorg heeft meegedeeld dat zijn kinderen uit huis zullen worden geplaatst in een pleeggezin als zijn detentie niet wordt beëindigd, maar hij heeft deze stelling in het geheel niet onderbouwd, terwijl gesteld noch gebleken is dat thans geen adequate zorg voor de kinderen van [eiser] voorhanden is, bijvoorbeeld door de moeder van [eiser] of door zijn nieuwe vriendin. Dat de belangen van de kinderen van [eiser] door de gijzeling van [eiser] geschaad worden, is gelet op het voorgaande dan ook onvoldoende gebleken.

3.6.

Dat de duur van de gijzeling van [eiser] de onmiddellijke opheffing ervan rechtvaardigt is naar voorlopig oordeel niet aannemelijk geworden. De voortzetting van de gijzeling is in beginsel slechts onrechtmatig in gevallen waarin de betrokkene in betalingsonmacht verkeert. Dat daarvan in het onderhavige geval sprake is, is echter – zoals hiervoor is overwogen – voorshands niet vast te stellen. Van onrechtmatige gijzeling kan tevens sprake zijn indien weliswaar onvoldoende vaststaat dat de betrokkene in betalingsonmacht verkeert, maar de duur van de gijzeling niet in een redelijke verhouding tot de openstaande boetes staat. De Staat heeft in dit verband evenwel onbetwist aangevoerd dat de duur van de gijzeling van in totaal 28 dagen proportioneel is in verhouding tot de openstaande boetes ten bedrage van € 3.859,-- en voorts dat de vier machtigingen alle zijn verleend door dezelfde kantonrechter, zodat aannemelijk is dat de omstandigheid dat [eiser] in totaal 28 dagen gegijzeld mag worden door de kantonrechter reeds is meegewogen. Dat de aaneensluitende tenuitvoerlegging van de machtigingen tot gijzeling onrechtmatig is jegens [eiser], is dan ook niet gebleken.

3.7.

Ook anderszins is voorshands niet gebleken dat de tenuitvoerlegging van de gijzeling van [eiser] onrechtmatig is. De slotsom van het voorgaande is dat de vorderingen van [eiser] worden afgewezen en dat hij, als de in het ongelijk gestelde partij, zal worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

4 De beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst de vorderingen af;

- veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding, tot dusver aan de zijde van de Staat begroot op € 1.424,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat en € 608,-- aan griffierecht;

- verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.P. van Ham en in het openbaar uitgesproken op 28 februari 2014.

mvt