Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:7856

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
27-06-2014
Datum publicatie
27-06-2014
Zaaknummer
09/465346
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

kort geding tegen de Staat. kluisverklaring. OM.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team Handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/465346 / KG ZA 14-534

Vonnis in kort geding van 27 juni 2014

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. J.L.E. Marchal te Maastricht,

tegen:

de publiekrechtelijke rechtspersoon,

de Staat der Nederlanden (het ministerie van Veiligheid en Justitie)

zetelend te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. C.M. Bitter te Den Haag,

Partijen worden hierna aangeduid als ‘[eiser] en ‘de Staat’.

1 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 27 juni 2014 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1.

[eiser] is medio mei 2009 aangehouden vanwege de verdenking van verduistering van gelden.

1.2.

Medio juni 2009 heeft [eiser] zich gewend tot het Openbaar Ministerie te Maastricht met de mededeling dat hij wetenschap had over onroerend goedtransacties in het kader waarvan sprake zou zijn van witwassen. Daarop is hij met het Openbaar Ministerie in overleg getreden om te komen tot een overeenkomst terzake door hem als getuige af te leggen verklaringen met betrekking tot strafbare feiten in het kader van bedoelde transacties, waarbij hij zelf ook betrokkenheid had. In dat kader heeft [eiser] een “tactische verklaring” afgelegd (hierna: de tactische verklaring).

1.3.

Eind juli/begin augustus 2009 heeft [eiser] in het kader van een te starten strafrechtelijk onderzoek naar witwassen (hierna: de vastgoedfraudezaak) zogeheten kluisverklaringen afgelegd. Deze verklaringen zijn opgetekend door verbalisanten [verbalisanten] (hierna: de verbalisanten).

1.4.

Kort na het afleggen van de kluisverklaringen heeft het Openbaar Ministerie te kennen gegeven niet tot een overeenkomst te willen komen met [eiser]. Daarna heeft [eiser] met het Openbaar Ministerie onderhandeld over de voorwaarden, waaronder van de kluisverklaringen gebruik mag worden gemaakt.

1.5.

Bij vonnis van 12 februari 2010 (zaaknr. 3517251 KG ZA 09-1533) heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank de Staat verboden de kluisverklaringen zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van [eiser] te gebruiken zo lang partijen geen overeenstemming hebben bereikt over de voorwaarden voor het gebruik daarvan.

1.6.

Bij arrest van 1 maart 2011 (zaaknummer 200.059.958/01) heeft het gerechtshof te ‘s-Gravenhage het vonnis van de voorzieningenrechter bekrachtigd. Aangaande het betoog van de Staat dat een civiele rechter het gevraagde verbod niet zou kunnen opleggen, omdat dat een miskenning zou zijn van de positie van de civiele rechter tegenover die van de strafrechter, wordt daarbij overwogen:

Ook onderdeel (b) faalt. Anders dan de Staat betoogt is zij gebonden aan de toezeggingen die zij aan [eiser] heeft gedaan, althans zoals [eiser] deze naar het oordeel van het hof redelijkerwijs heeft mogen begrijpen. Met dit oordeel gaat de civiele rechter niet op de stoel van de strafrechter zitten. Het kan echter toch niet zo zijn dat het OM in dit geval afspraken met de één zou mogen schenden, louter ten faveure van een strafzaak tegen een ander of anderen waarbij het OM zijn handen vrij wil houden.

1.7.

Bij vonnis van 27 maart 2012 heeft de rechtbank Maastricht, thans onderdeel van de rechtbank Limburg, in een strafzaak tegen [eiser] onder meer het volgende overwogen:

De rechtbank merkt met betrekking tot de zogenaamde kluisverklaringen op dat het Openbaar Ministerie aan verdachte kenbaar heeft gemaakt dat het die kluisverklaringen niet zonder zijn toestemming zou gaan gebruiken. De rechtbank is van oordeel dat verdachte [vzr: [eiser]] (…) erop mocht vertrouwen dat dit evenzeer zou gelden voor de zogenaamde tactische verklaring, die in het proces-verbaal van bevindingen van 9 juli 2009 is opgenomen. Nu het Openbaar Ministerie is gehouden om zijn eigen toezeggingen na te komen vloeit daaruit voort dat het de kluisverklaringen noch de tactische verklaring in de onderhavige strafprocedure mag inbrengen. De Rechtbank heeft daarom ter terechtzitting van 13 maart 2012 aan de officier van justitie opdracht gegeven om de tactische verklaring uit het dossier te verwijderen.

1.8.

Bij schrijven van 9 augustus 2012 stelt het Openbaar Ministerie zich op het standpunt dat de zogenaamde tactische verklaring van [eiser] los staat van de kluisverklaringen en dat het haar vrij staat om die verklaring naar eigen goeddunken in strafzaken te gebruiken.

1.9.

In verband met de mogelijkheid dat de tactische verklaring zou worden ingebracht in de vastgoedfraudezaak heeft [eiser] op 8 november 2012 de Staat in kort geding gedagvaard. De behandeling van deze zaak zou plaatsvinden op 19 december 2012. Na 8 november 2012 is [eiser] ermee bekend geworden dat de vastgoedfraudezaak door de rechtbank Limburg zou worden behandeld ter zitting van 17 december 2012. Op diens verzoek heeft de landsadvocaat op 14 november 2012 aan mr. Marchal meegedeeld:

Ik kan u bevestigen dat het OM de tactische verklaring niet eigener beweging in de strafzaak tegen [verdachte] gaat inbrengen. Het OM maakt nog een voorbehoud ingeval van een daartoe strekkende opdracht van de Rechtbank. Het zal zich daar dan eerst op beraden.”

1.10.

Ter zitting op 17 december 2012 heeft - de toezegging van de landsadvocaat ten spijt - het Openbaar Ministerie uit eigen beweging de tactische verklaring verstrekt aan de rechtbank en aan alle advocaten, optredende in de betreffende vastgoedfraudezaak. Daarop heeft de rechtbank het Openbaar Ministerie opdracht gegeven de kluisverklaringen in het geding te brengen. Ter zitting van 17 januari 2013 heeft het Openbaar Ministerie het standpunt ingenomen aan deze opdracht niet te kunnen voldoen omdat zij gebonden is aan het arrest van 1 maart 2011 van het gerechtshof. Daarbij heeft het Openbaar Ministerie twee voorstellen gedaan.

1.11.

Het eerste voorstel was om een aantal getuigen te horen die bij de totstandkoming van de geheime verklaringen betrokken zijn geweest, zijnde de verbalisanten, de CIE-officier en [eiser] zelf. Het tweede voorstel was de kluisverklaringen in handen te stellen van de rechter-commissaris om te beoordelen of deze verklaringen ontlastende elementen bevatten voor de verdachten in de vastgoedfraudezaak.

1.12.

Na deze voorstellen heeft [eiser] de Staat nogmaals in kort geding gedagvaard. Daarbij heeft hij gevorderd de Staat te verbieden getuigen te doen dagvaarden of op te roepen die over de inhoud van de kluisverklaringen enige verklaring zou kunnen afleggen en de Staat te verbieden de kluisverklaringen in handen te stellen van een rechter-commissaris. Bij vonnis van 24 januari 2013 (zaak- en rolnr. C/09/435453/KG ZA 13-69) heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank de vorderingen van [eiser] toegewezen:

1.13.

Van dit vonnis is de Staat in hoger beroep gekomen. Op dat hoger beroep heeft het gerechtshof Den Haag beslist bij arrest van 26 februari 2013 (zaaknummer 200.120.882/01). Daarin heeft het gerechtshof het verbod om de kluisverklaringen in handen te stellen van een rechter-commissaris in stand gelaten. Voorts overweegt het gerechtshof dat het Openbaar Ministerie de CIE- en de Recherche officier van justitie als getuige wil doen horen met het doel om duidelijkheid te krijgen over de vraag of de kluisverklaringen zijn gebruikt in de vastgoedfraudezaak en dat dit niet in strijd is met de toezeggingen van het Openbaar Ministerie over het gebruik van de kluisverklaringen. Een algemeen verbod op het oproepen van getuigen die over de kluisverklaringen zouden kunnen verklaren acht het gerechtshof een te vergaande inmenging van de civiele rechter in het strafproces. Het gerechtshof overweegt voorts dat, indien zij worden gehoord, de CIE- en de Recherche officier van justitie worden geacht voldoende in staat te zijn zich te onthouden van enige verklaring over de inhoud van de kluisverklaringen. Het gerechtshof past het dictum van de voorzieningenrechter aan in die zin dat de Staat wordt verboden om, anders dan op bevel van de voorzitter van de rechtbank, getuigen te doen dagvaarden of op te roepen die kunnen verklaren over de inhoud van de kluisverklaringen.

1.14.

Vanwege de mogelijkheid dat het Openbaar Ministerie alsnog haar toezeggingen aan [eiser] zou schenden in het kader van de vastgoedfraudezaak heeft [eiser] medio juni 2013 de Staat wederom in kort geding gedagvaard. Hij daarbij onder meer gevorderd de Staat te bevelen om de verbalisanten een geheimhoudingsverplichting op te leggen en hen de aanwijzing te geven zich op deze geheimhoudingsverplichting te beroepen. Bij vonnis van 25 juni 2013 (C/09/443237 KG ZA 13-556) heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank deze vorderingen afgewezen. Wel heeft de voorzieningenrechter daarbij de Staat bevolen de zaaksofficier(en) van justitie in de vastgoedfraudezaak op te dragen om ex artikel 293 Wetboek van Strafvordering (Sv) van de rechtbank te vorderen dat de zij zal beletten dat aan enige aan de verbalisanten te stellen vraag over de inhoud van de kluisverklaringen gevolg zal worden gegeven. Daarbij overweegt de voorzieningenrechter voorts dat, zoals het gerechtshof te Den Haag in het arrest van 26 februari 2013 heeft overwogen, de CIE- en de Recherche Officier van justitie voldoende in staat worden geacht om zich tijdens hun verhoor te onthouden van enige verklaring over de inhoud van de kluisverklaringen.

1.15.

Op 4 september 2013 hebben in de vastgoedfraudezaak getuigenverhoren plaatsgevonden ten overstaan van de rechter-commissaris. Als getuigen zijn onder anderen gehoord mr. [officier] (de CIE-officier van justitie), mr. [recherche officier] (de Recherche officier van justitie) en de verbalisanten [verbalisanten].

1.16.

Bij vonnis van 11 oktober 2013 heeft de strafkamer van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vastgoedfraudezaak omdat - samengevat - de verklaringen van [eiser] worden aangemerkt als processtukken en de verdediging van de verdachte(n) geen gelegenheid hebben gehad om deze stukken (de verklaringen) in te zien. Tegen dit vonnis heeft het Openbaar Ministerie hoger beroep ingesteld.

2 Het geschil

2.1.

[eiser] vordert - zakelijk weergegeven - de Staat te veroordelen om te bewerkstelligen dat Recherche Officier van justitie en de CIE-Officier van justitie zich zullen onthouden van verklaringen over de inhoud van de kluisverklaringen en te verbieden de kluisverklaringen of geluidsopnames daarvan in strafzaken of ontnemingszaken te gebruiken of over de inhoud daarvan te verklaren, een en ander op straffe van dwangsommen en met veroordeling van de Staat in de proceskosten.

2.2.

Daartoe voert hij het volgende aan. In het vonnis van 11 oktober 2013 van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, is het Openbaar Ministerie in de vastgoedfraudezaak niet-ontvankelijk verklaard omdat de verdediging de kluisverklaringen van [eiser] niet heeft kunnen inzien. Dit oordeel brengt mee dat het Openbaar Ministerie, teneinde de vastgoedfraudezaak te redden, in hoger beroep zal trachten te bewerkstelligen dat de inhoud van de kluisverklaringen bij de verdediging in deze strafzaak bekend en toetsbaar wordt, de toezeggingen van het Openbaar Ministerie aan [eiser] ten spijt. Die verwachting is volgens hem gerechtvaardigd op grond van het eerdere door het Openbaar Ministerie verstrekken van de tactische verklaring. Ook wijzen de op 4 september 2013 gehouden verhoren in die richting, nu de CIE-officier en de Recherche officier zich daarbij op geen enkel moment hebben beroepen op de toezeggingen van het Openbaar Ministerie aan [eiser]. Daarentegen hebben zij desgevraagd vrijuit verklaard of bepaalde namen van personen in de kluisverklaringen voorkomen. Bij de in de verhoren op 4 september 2013 aan de verbalisanten gestelde vragen, rakende aan de inhoud van de kluisverklaringen, heeft de officier van justitie weliswaar beletting van het gevorderd, maar daarbij heeft de rechter-commissaris in meerdere gevallen bepaald dat de verbalisanten toch dienen te antwoorden. Aan de inhoud van de kluisverklaringen had door de betreffende officieren van justitie en de verbalisanten echter op geen enkele wijze mogen worden gerefereerd zolang daarover geen overeenstemming is bereikt met [eiser]. Nu ligt het in de lijn der verwachting dat het Openbaar Ministerie bij het thans lopende hoger beroep in de vastgoedfraudezaak toevoeging van de kluisverklaringen aan de processtukken zal gaan vorderen. [eiser] heeft daarom spoedeisend belang bij de behandeling van zijn vorderingen.

2.3.

De Staat voert gemotiveerd verweer, dat hierna - voor zover nodig - zal worden besproken.

3 De beoordeling van het geschil

3.1.

In de vastgoedfraudezaak heeft de rechtbank het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard omdat in deze strafzaak door officieren van justitie en verbalisanten niet (volledig) de waarheid is gesproken dan wel is nagelaten relevante informatie te delen met rechtbank en verdediging over de vraag wie kennis heeft van de inhoud van de kluisverklaringen. Het Openbaar Ministerie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. [eiser] stelt zich op het standpunt dat de vrees gerechtvaardigd is dat het Openbaar Ministerie zich daarbij, teneinde de vastgoedfraudezaak te redden, niet volledig zal houden aan haar toezeggingen om - kort gezegd - zonder toestemming niet over de inhoud van de kluisverklaringen naar buiten te treden. Daarmee is de civiele rechter, in dit geval de voorzieningenrechter, bevoegd om van deze zaak kennis te nemen en is het spoedeisend belang van [eiser] bij de behandeling van zijn vorderingen gegeven.

3.2.

De voorzieningenrechter overweegt ten aanzien van de vordering de Staat te verbieden om de kluisverklaringen te gebruiken in straf- of ontnemingszaken dat die vordering in essentie al is beoordeeld in het vonnis van 12 februari 2010. In dit vonnis heeft de voorzieningenrechter de Staat immers verboden de kluisverklaringen zonder toestemming van [eiser] te gebruiken zolang daarover geen overeenstemming bestaat. Dat er tussen [eiser] en de Staat nog immer geen sprake is van overeenstemming over de voorwaarden waaronder de kluisverklaringen in rechtszaken kunnen worden gebruikt is niet in geschil. Het in het vonnis van 12 februari 2010 uitgesproken verbod, dat door het gerechtshof ’s-Gravenhage is bekrachtigd, is dan ook nog steeds van kracht. Voorts ligt in de strekking van dit oordeel besloten dat het verbod ook betrekking heeft op geluidsopnamen van de kluisverklaringen. [eiser] heeft onvoldoende aangevoerd om, zoals hier wordt gevorderd, aan dit reeds uitgesproken verbod thans ook dwangsommen te verbinden. De Staat heeft immers gemotiveerd en onweersproken uiteengezet dat de kluisverklaringen tot op heden niet in rechtszaken zijn ingebracht. Daarbij wijst de Staat op het feit dat dit, ondanks aanhoudende druk van de verdediging, ook in de strafzaak inzake de vastgoedfraude niet het geval is geweest. Ook wijst de Staat daarbij op het bevel van de rechtbank in de vastgoedfraudezaak om de kluisverklaringen in het geding te brengen en het in die zaak ter zitting van 17 januari 2013 door het Openbaar Ministerie ingenomen standpunt dat zij niet aan dit bevel kan voldoen, nu zij gebonden is aan het arrest van 1 maart 2011 van het gerechtshof Den Haag. Opmerking verdient nog dat de Staat zich op het standpunt stelt dat overeenstemming met [eiser] over het gebruik van de inhoud van de kluisverklaringen niet (meer) wordt nagestreefd en dat de Staat, anders dan [eiser] veronderstelt, om haar moverende redenen kennelijk niet van zins is om nog van de kluisverklaringen gebruik te maken bij straf- of vervolgingszaken. Ook daarom bestaat er geen aanleiding aan het eerder uitgesproken verbod thans dwangsommen te verbinden. Gelet op het voorgaande komt het door [eiser] gevorderde verbod de Staat te verbieden om de kluisverklaringen te gebruiken in straf- of ontnemingszaken niet voor toewijzing in aanmerking.

3.3.

Ook de vordering de Staat te veroordelen om - kort gezegd - te bewerkstelligen dat de verbalisanten zich onthouden van verklaringen over de inhoud van de kluisverklaringen is in rechte al aan de orde geweest, zij het in andere bewoordingen. Bij vonnis van 25 juni 2013 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank immers de Staat bevolen om de officieren van justitie in de vastgoedfraudezaak op te dragen bij de behandeling van deze zaak van de rechtbank te vorderen dat zij de verbalisanten zal beletten om aan vragen over de inhoud van de kluisverklaringen gevolg te geven. Blijkende uit de processen-verbaal van de op 4 september 2013 bij de rechter-commissaris in het kader van de vastgoedfraudezaak door de verbalisanten afgelegde getuigenverklaringen heeft de Staat aan dit bevel voldaan. In deze verklaringen wordt bij vragen van de raadslieden immers meerdere keren door de officier van justitie geïntervenieerd door van de rechtbank te vorderen beantwoording van de vraag te beletten. In het proces-verbaal van de verklaring van [verbalisant] is voorts opgetekend dat de officier van justitie te kennen heeft gegeven zulks bij elke vraag over de inhoud van de kluisverklaringen te zullen vorderen. Dit proces-verbaal sluit dan ook af met de opmerking van de rechter-commissaris dat van verder horen van [verbalisant] wordt afgezien, nu deze getuige heeft aangegeven geen enkele vraag over de inhoud te willen beantwoorden. Voor (nog) een veroordeling van de Staat, dit keer op straffe van dwangsommen, om te bewerkstelligen dat de verbalisanten zich onthouden van verklaringen over de kluisverklaringen bestaat daarom geen aanleiding. Dat, zoals [eiser] stelt, de verbalisanten inzake de gewenste terughoudendheid bij de beantwoording van vragen geen specifieke opdrachten hebben gekregen, en dat zij uit de media zouden hebben moeten vernemen dat zij niet over de inhoud van de kluisverklaringen mogen praten, maakt dit niet anders, nu de Staat aan het bij vonnis van 24 juni 2013 gegeven bevel van de voorzieningenrechter heeft voldaan. Ook de vordering betrekking hebbende op de verbalisanten komt daarom niet voor toewijzing in aanmerking.

3.4.

Ten aanzien van de vordering de Staat te veroordelen om te bewerkstelligen dat de Recherche officier van justitie en de CIE-officier van justitie zich onthouden van verklaringen over de inhoud van de kluisverklaringen wordt als volgt overwogen. De Staat stelt zich op het standpunt dat uit de overgelegde processen-verbaal blijkt dat het Openbaar Ministerie zich heeft gehouden aan haar toezeggingen en aan de uit eerdergenoemde vonnissen en arresten volgende verplichtingen. Daarin wordt de Staat echter niet gevolgd. Daarbij is van belang dat uit deze processen-verbaal niet blijkt dat de officieren zich op enig moment nadrukkelijk hebben beroepen op bedoelde toezeggingen / jurisprudentie en de daaruit voor hen volgende verplichting om zich van uitlatingen over de inhoud van de kluisverklaringen te onthouden. Uit de betreffende processen-verbaal blijkt daarentegen juist dat de officieren toch over de inhoud van de kluisverklaringen hebben verklaard. Desgevraagd hebben zij zich immers in meerdere gevallen uitgelaten over de vraag of de namen van bepaalde personen in de kluisverklaringen zijn genoemd. Anders dan de voorzieningenrechter in het vonnis van 25 juni 2013 heeft aangenomen (r.o. 3.8.) is bij het afnemen van de getuigenverhoren de concrete inhoud van de kluisverklaringen derhalve toch aan de orde geweest. In het merendeel van de gevallen verklaren de officieren zich niet te kunnen herinneren of de namen van bepaalde personen in de kluisverklaringen worden genoemd en zullen de gevolgen daarvan in beginsel beperkt zijn. Mede gelet op het feit dat de officieren bij de verhoren niet hebben gerefereerd aan hun verplichting om zich onthouden van inhoudelijke verklaringen over de kluisverklaringen kan evenwel niet worden uitgesloten dat zij op enig moment zich wel een en ander kunnen herinneren en desgevraagd bij de behandeling van het hoger beroep in de vastgoedfraudezaak daarover zullen verklaren. Zoals eerder door de voorzieningenrechter overwogen mag van het Openbaar Ministerie worden verlangd dat zij zich actief opstelt en zal doen hetgeen redelijkerwijs van haar kan worden verlangd om de toezeggingen aan [eiser] gestand te doen. Het ten aanzien van de betreffende officieren gevorderde zal daarom worden toegewezen.

3.5.

Voor het opleggen van een dwangsom bestaat geen aanleiding, nu de Staat gerechtelijke bevelen pleegt na te komen en de Staat nadrukkelijk heeft verklaard eventuele veroordelingen in deze zaak te zullen nakomen.

3.6.

De Staat zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

4 De beslissing

De voorzieningenrechter:

- beveelt de Staat om te bewerkstelligen dat de Recherche Officier van Justitie en de CIE-Officier van Justitie, als zijnde gebonden aan de toezeggingen van het Openbaar Ministerie aan [eiser], zich zullen onthouden van enige verklaring omtrent de inhoud van de kluisverklaringen;

- veroordeelt de Staat in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van [eiser] begroot op € 986,80 en veroordeelt de Staat uit dien hoofde te voldoen:

a. aan de griffier van deze rechtbank, na ontvangst van een nota:

€ 93,80 aan dagvaardingskosten;

aan [eiser]:

€ 77,-- aan griffierecht;

€ 816,-- aan salaris advocaat;

€ 893,-- in totaal derhalve;

- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.E. Groeneveld-Stubbe en in het openbaar uitgesproken

op 27 juni 2014.

[eiser] heeft het zogenaamde tactische proces-verbaal voor het eerst gezien nadat dat in opdracht van de Meervoudige Strafkamer in zijn strafzaak op 1 december 2011 in het geding is gebracht. En [eiser] is, bij het zien van dat zogenaamde tactische proces-verbaal, zich wezenloos geschrokken. In dat zogenaamde tactische proces-verbaal staat in hoofdlijnen vermeld, wat hij in uitvoerige vorm in de kluisverklaringen verklaard heeft. [eiser] heeft echter begrepen en mogen begrijpen dat hij slechts een “tipje van de sluier” (vide het “verslag” zoals bedoeld in § 7.2 van de Aanwijzing Toezeggingen aan getuigen in Strafzaken) oplichtte, zulks teneinde het Openbaar Ministerie in staat te stellen zich een oordeel te vormen over het feit of het opportuun zou zijn om met [eiser] tot een overeenkomst te komen. § 7.3 van de Aanwijzing Toezeggingen aan getuigen in Strafzaken bepaalt dan dat, indien nadere onderhandelingen niet tot resultaten leiden, dat verslag uitgesloten is van gebruik.

Onder r.o. 4.5 overweegt het Hof dan dat een verzoek tot het oproepen van getuigen c.q.

een bevel ingevolge artikel 263 Sv. ook door de verdachte c.q. de Voorzitter van de

Rechtbank zou kunnen worden gedaan. In dat geval heeft het Openbaar Ministerie

slechts beperkte gronden om oproeping van die getuigen te weigeren, aldus het Hof.

Voorts overweegt het Hof onder r.o.4.5: “Het Hof sluit niet uit dat andere getuigen dan

de CIE- en Recherche Officier van justitie, die kennis hebben van de inhoud van de

kluisverklaringen, daarover inhoudelijk zouden kunnen verklaren. Indien zodanige

getuigen ter terechtzitting worden ondervraagd, berust de bevoegdheid om hen te

beletten bepaalde vragen te beantwoorden, niet bij het OM; daarover beslist de

Rechtbank”.

- 14 -

Eerder heeft het Hof in r.o. 4.4 overwogen: “Het Hof acht de CIE en Recherche Officier

van Justitie, die gebonden zijn aan de toezeggingen van het OM aan [eiser] dat de

kluisverklaringen niet zonder zijn instemming mogen worden gebruikt, evenwel

voldoende in staat om zich bij de verhoren te onthouden van enige verklaring over de

inhoud daarvan.”

Artikel 293

1.

De rechtbank kan ambtshalve of op vordering van de officier van justitie of op verzoek van de verdachte beletten dat aan enige vraag, gesteld door de verdachte of diens raadsman of door de officier van justitie, gevolg wordt gegeven.

wordt daarbij overwogen:

Ter zitting van 25 januari 2013 heeft de rechtbank reeds overwogen dat, nu inmiddels duidelijk was geworden dat meerdere mensen die bij het onderzoek Landlord betrokken waren, op de hoogte waren van de inhoud van de tactische en/of verdere verklaringen van [eiser] en de verklaringen betrekking hebben op [verdachte] in relatie tot financiële constructies en witwassen, daarmee het belang gegeven is voor de verdediging om de verklaringen van [eiser] te kunnen inzien. De rechtbank heeft daarbij ook gekeken naar het proces-verbaal van rechercheofficier mr. Smits waarin hij in niet mis te verstane bewoordingen kenbaar heeft gemaakt dat het Openbaar Ministerie nooit de intentie heeft gehad om met [eiser] een deal te sluiten conform artikel 226g en 226h Wetboek van Strafvordering. De verklaringen van [eiser] zijn dus processtukken.

Het is vaste jurisprudentie van de Hoge Raad en het Europese Hof voor de Rechten van de Mens dat de verdachte, en overigens ook de rechtbank, de gelegenheid moet hebben om kennis te nemen van die stukken die op enigerlei wijze relevant kunnen zijn, processtukken dus. Dat recht vloeit direct voort uit artikel 6 EVRM, dat het recht op een eerlijk proces, een fair trial, garandeert. Meermalen is in de jurisprudentie ook uitgemaakt dat het daarbij gaat om informatie die belastend of ontlastend voor de verdachte kan zijn, maar ook om informatie die voor de beoordeling van de rechtmatigheid en/of betrouwbaarheid van het bewijsmateriaal van belang kan zijn.

Nu de rechtbank heeft overwogen dat de verklaringen van [eiser] processtukken zijn, moet de verdediging dus, op grond van de hiervoor genoemde jurisprudentie en artikel 6 EVRM, de gelegenheid krijgen om de verklaringen in te zien.

Of, wanneer inzage niet mogelijk blijkt te zijn, in ieder geval zodanig gecompenseerd worden dat de verdediging voldoende gelegenheid heeft de verklaringen van [eiser] op aanwezigheid van ontlastend materiaal te controleren en de mogelijkheid dat informatie uit de verklaringen in het verdere onderzoek Landlord is gebruik, uit te sluiten. Zo’n compensatie zou bijvoorbeeld kunnen plaats vinden door getuigenverhoren.

verklaard of hun namen wel of niet in de kluisverklaringen zich niet over bepaalde personen en onroerende zaken verklaren of waarvan zij zich niet kunnen herinneren of hun namen in de kluisverklaringen worden genoemd.

, maar naar aanleiding van de vragen van de raadslieden hebben de officieren bij de verhoren geen uitlatingen gedaan over de daadwerkelijke inhoud van de kluisverklaringen.

De Staat wijst daartoe ook op het arrest van 26 februari 2013 waarin het gerechtshof Den Haag (r.o. 4.4) toestaat dat de bedoelde officieren van justitie als getuige worden gehoord met het oog op duidelijkheid over de vraag of de kluisverklaringen zijn gebruikt in het zogeheten Landlord-onderzoek in de vastgoedfraudezaak.

Het gerechtshof acht het horen met deze strekking niet in strijd met de toezeggingen van het Openbaar Ministerie over het gebruik van de kluisverklaringen. Aangaande de stelling van [eiser] dat het Openbaar Ministerie geen controle heeft op de door de raadslieden te stellen vragen overweegt het gerechtshof daarbij dat de betreffende officieren van justitie voldoende in staat om zich bij de verhoren te onthouden van enige verklaring over de inhoud van de kluisverklaringen. Uit de overgelegde processen-verbaal van deze gehoren is niet op te maken dat de officieren van justitie desondanks hebben verklaard over de inhoud. Weliswaar refereren de officieren aan bepaalde personen waarvan zij zich niet kunnen herinneren of hun namen in de kluisverklaringen worden genoemd, maar naar aanleiding van de vragen van de raadslieden hebben de officieren bij de verhoren geen uitlatingen gedaan over de daadwerkelijke inhoud van de kluisverklaringen. Over de vraag of en hoe de genoemde personen in bij de veronderstelde vastgoedfraude een rol hebben gespeeld zijn immers geen uitlatingen gedaan. Dat de CIE-officier en de Recherche officier bij de verhoren op 4 september 2013 niet nadrukkelijk hebben vermeld dat zij zich vanwege de toezeggingen aan [eiser] niet kunnen uitlaten over de inhoud van de kluisverklaringen maakt dit niet anders.