Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:7849

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13-02-2014
Datum publicatie
04-08-2014
Zaaknummer
C-09-458117 - KG ZA 14-40
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding; onrechtmatige overheidsdaad, executie strafrecht; verbod tenuitvoerlegging vervangende hechtenis in verband met schadevergoedingsmaatregel afgewezen, ondanks ziekte echtgenote van eiser. Onvoldoende aannemelijk geworden dat de echtgenote, die gescheiden van eiser in het buitenland leeft, juist nu de zorg van eiser behoeft, terwijl eiser ook geen enkele waarborg heeft geboden voor de door hem aangeboden betalingsregeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Den Haag

Team Handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/458117 / KG ZA 14-40

Vonnis in kort geding van 13 februari 2014

in de zaak van

[eiser],

thans verblijvende te [plaatsnaam],

eiser,

advocaat mr. D. Uygul te Leeuwarden,

tegen:

de publiekrechtelijke rechtspersoon

de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Veiligheid en Justitie),

zetelende te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. M.M.C. van Graafeiland te Den Haag.

1 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 6 februari 2014 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1.

Bij (onherroepelijk) vonnis van 3 december 2009 heeft de (toenmalige) rechtbank Leeuwarden eiser in de zaak met parketnummer 17.880219-09 wegens – kort gezegd – medeplegen van diefstal met geweld, (medeplegen van respectievelijk medeplichtigheid aan) afpersing en opzetheling veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk. In datzelfde vonnis zijn aan eiser vijf schadevergoedingsmaatregelen opgelegd van in het totaal € 7.434,06 bij gebreke van betaling te vervangen door (in totaal) 117 dagen hechtenis. Voor (een deel van de) schadevergoedingsmaatregelen zijn twee mededaders van eiser hoofdelijk aansprakelijk.

1.2.

Nadat het strafvonnis onherroepelijk was geworden, is de tenuitvoerlegging van de schadevergoedingsmaatregelen overgedragen aan het Centraal Justitieel Incassobureau (hierna: ‘CJIB’).

1.3.

Eiser heeft meerdere betalingsregelingen getroffen met het CJIB. Eiser is deze betalingsregelingen slechts voor een klein gedeelte nagekomen.

1.4.

Tot op heden is een bedrag van € 833,23 op de schadevergoedingsmaatregelen voldaan. Inclusief de opgelegde verhogingen bedraagt het openstaande bedrag thans € 8.918,65, te vervangen door 104 dagen vervangende hechtenis. Blijkens het door gedaagde overgelegde betalingsoverzicht heeft eiser laatstelijk op 29 april 2011 een bedrag van € 100,- voldaan het CJIB.

1.5.

Nadat eiser in 2011 voorwaardelijk in vrijheid was gesteld, is hij in strijd met de aan hem opgelegde voorwaarden naar Suriname vertrokken.

1.6.

In Suriname heeft eiser [A] (hierna ‘[A]’) leren kennen, met wie hij op 19 juni 2012 in het huwelijk is getreden. Eiser heeft meerdere perioden met [A] in Suriname verbleven.

1.7.

Op 11 september 2011 is eiser gesignaleerd in het opsporingsregister en nadat eiser zelf naar Nederland is gekomen, is hij op 23 januari 2013 aangehouden. Van 23 januari 2013 tot en met 17 januari 2014 heeft eiser het voorwaardelijk deel van de onder 1.1 vermelde straf ondergaan. Aansluitend is de tenuitvoerlegging van de aan de schadevergoedingsmaatregelen verbonden vervangende hechtenis aangevangen. De einddatum van deze vervangende hechtenis is vastgesteld op 2 mei 2014.

1.8.

Bij brief van 18 februari 2013 heeft eiser het CJIB verzocht een betalingsregeling te treffen. Dit verzoek is door het CJIB afgewezen, met als onderbouwing dat geen betalingsregeling meer kan worden getroffen omdat de zaak reeds ter executie is aangeboden.

1.9.

Bij brief van 6 december 2013 heeft de advocaat van eiser de executieofficier verzocht om de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis te schorsen omdat eiser (tijdelijk) in Suriname de zorg voor [A] op zich wil nemen omdat zij door alvleesklierkanker in kritieke toestand zou verkeren. Op 11 december 2013 heeft de advocaat per e-mail een aantal bijlagen, waaronder een medische verklaring, aan de executieofficier verzonden. De moeilijk leesbare medische verklaring, die gedateerd is op 28 november 2013 en afkomstig is van het Regional Health Services Department van het Ministery of Health in Guyana, vermeldt dat [A] gediagnosticeerd is met levercirrose, pancreatitis, diabetes mellitus en kanker in de abdomen en dat de patiënt in een kritische conditie verkeert.

1.10.

Bij e-mailbericht van 12 december 2013 heeft de executieofficier het verzoek afgewezen. In dit e-mailbericht schrijft de executieofficier onder meer dat uit de medische verklaring niet valt op te maken dat [A] in kritieke toestand verkeert en dat de voorgestelde betalingsregeling niet voldoet aan het door het CJIB gehanteerde uitgangspunt dat schadevergoedingsmaatregelen binnen 36 maanden moeten zijn betaald. Daarnaast wijst de executieofficier erop dat eiser – die geen verblijfadres heeft – bij een eventuele betalingsregeling waarborgen dient te bieden voor de nakoming van die regeling.

1.11.

Bij e-mailbericht van 16 december 2013 heeft de executieofficier aan de advocaat van eiser meegedeeld dat ook de overgelegde aanvullende medische verklaring geen bewijs biedt van de stelling dat de medische toestand van [A] opschorting van de (op dat moment ten uitvoer gelegde) detentie van eiser noodzakelijk maakt.

2 Het geschil

2.1.

Eiser vordert – zakelijk weergegeven – de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis te schorsen zolang de medische toestand van de echtgenote van eiser dit noodzakelijk maakt, al dan niet onder de voorwaarde dat eiser € 100,- per maand op de schadevergoedingsmaatregelen zal aflossen.

2.2.

Daartoe stelt eiser het volgende. De echtgenote van eiser, die in Suriname of Guyana woont, is ernstig ziek en zij heeft dringend zorg nodig, temeer nu zij de zorg over twee kinderen, waarvan één van eiser, heeft. Aangezien eiser de (fysieke en financiële) zorg voor zijn echtgenote op zich wil nemen, is sprake van een uitzonderingssituatie op grond waarvan hem, mede gelet op zijn inkomen van € 800,- per maand, een betalingsregeling van € 100,- per maand – en daarmee een betalingsregeling met een langere looptijd dan gebruikelijk – moet worden toegestaan.

2.3.

Gedaagde voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

3 De beoordeling van het geschil

3.1.

Aangezien eiser aan zijn vordering (impliciet) ten grondslag heeft gelegd dat gedaagde onrechtmatig jegens hem handelt, is de burgerlijke rechter – in dit geval de voorzieningenrechter in kort geding – bevoegd tot kennisneming van de vordering. Eiser is in zijn vordering ook ontvankelijk, nu hem voor hetgeen hij wil bereiken – een verbod op tenuitvoerlegging van vervangende hechtenis – geen andere met voldoende waarborgen omklede rechtsgang meer ten dienste staat.

3.2.

Bij de beoordeling van dit geschil staat voorop dat in het wettelijke stelsel besloten ligt dat een veroordelende beslissing van de strafrechter – zoals in dit geval de aan eiser opgelegde schadevergoedingsmaatregel –, waartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat, niet alleen mag maar ook moet worden ten uitvoer gelegd. Op grond van artikel 561 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) dient een schadevergoedingsmaatregel zo spoedig mogelijk ten uitvoer te worden gelegd. In lid 3 van dit artikel is bepaald dat het openbaar ministerie uitstel van betaling kan verlenen of betaling in termijnen kan toestaan. In opdracht van het openbaar ministerie, orgaan van gedaagde, is het CJIB belast met de executie van – onder meer – schadevergoedingsmaatregelen. Het CJIB heeft dienaangaande een ruime beleidsvrijheid, wat meebrengt dat de voorzieningenrechter in kort geding de bedoelde beslissingen van het CJIB in beginsel slechts marginaal kan toetsen.

3.3.

De wijze waarop het CJIB een schadevergoedingsmaatregel ten uitvoer legt, is in hoofdlijnen neergelegd in (de voorgangers van) de ‘Aanwijzing executie’ (laatstelijk gepubliceerd in Staatscourant 28 februari 2013, 213A003). In bijlage 3 is ten aanzien van betalingsregelingen opgenomen dat de verantwoordelijkheid voor het aangaan daarvan exclusief is voorbehouden aan het CJIB, alsmede dat het CJIB in beginsel geen betalingsregeling treft, tenzij een daartoe strekkend verzoek, dat voorzien is van relevante stukken, op grond van bijzondere omstandigheden kan worden gehonoreerd. Hierbij is bepaald dat een verzoek tot het treffen van een betalingsregeling niet in behandeling wordt genomen indien voor de vorderingen een waarschuwing arrestatiebevel, dan wel een arrestatiebevel is uitgevaardigd of indien de veroordeelde de vervangende hechtenis reeds ondergaat. Bij de beoordeling van het verzoek geldt volgens bijlage 3 als uitgangspunt dat uitzicht moet bestaan op volledige voldoening van de opgelegde schadevergoedingsmaatregel. Voorts is bepaald dat de termijn waarbinnen volledige betaling moet zijn gerealiseerd in beginsel maximaal 12 maanden bedraagt doch dat in bijzondere gevallen de termijn kan worden verlengd tot maximaal 36 maanden en dat in uitzonderingsgevallen ook van de termijn van 36 maanden kan worden afgeweken en dat in die gevallen ‘maatwerk in het individuele geval’ wordt toegepast.

3.4.

Tegen de achtergrond van het voorgaande en nu het in de Aanwijzing executie neergelegde beleid, gelet op het doel en de strekking van de wettelijke bepalingen betreffende de schadevergoedingsmaatregelen, als alleszins redelijk moet worden beschouwd, kan het gedaagde niet worden verweten dat hij ten aanzien van eiser niet (verder) heeft willen afwijken van de in de Aanwijzing executie neergelegde maximale betalingstermijnen van 12 en 36 maanden. De door eiser aangeboden betalingsregeling van € 100,- per maand zou er immers – zoals gedaagde onbetwist naar voren heeft gebracht – op neerkomen dat – buiten de periode die reeds is verstreken sinds het onherroepelijk worden van het strafvonnis – het resterende bedrag pas na ruim 7 jaar zou zijn voldaan, hetgeen niet kan worden aangemerkt als voldoening binnen een redelijke termijn. Gedaagde behoefde dan ook geen genoegen te nemen met de door eiser aangeboden betalingsregeling, ook niet als eisers draagkracht geen hogere maandbedragen toelaat. De omstandigheid dat gedaagde eerder wel betalingsregelingen voor relatief kleine maandbedragen heeft geaccepteerd, doet aan het voorgaande niet af, aangezien gedaagde onweersproken heeft gesteld dat deze regelingen van tijdelijke aard waren en regelingen bovendien niet volledig door eiser zijn nagekomen. Na 29 april 2011 is ook geen enkel bedrag meer van eiser ontvangen, zodat het CJIB de zaak op goede gronden ter executie heeft aangeboden en het ook om die reden op grond van het in de Aanwijzing executie neergelegde beleid geen betalingsregeling meer behoeft toe te staan. Eiser dient de vervangende hechtenis, die onderdeel is van de onherroepelijk aan hem opgelegde straf, dan ook onverkort te ondergaan.

3.5.

De omstandigheid dat eisers echtgenote ziek zou zijn en volgens de medische verklaring in kritieke toestand zou verkeren, maakt het voorgaande in dit geval niet anders. De voorzieningenrechter is van oordeel dat uit de overgelegde medische verklaring weliswaar kan worden afgeleid dat [A] in kritieke toestand zou verkeren, maar verder is gesteld noch gebleken dat zij aanvullende verzorging behoeft en dat eiser daartoe de enige aangewezen persoon is. Evenmin heeft eiser aannemelijk gemaakt waarom [A] juist nu, terwijl eiser al sinds januari 2013 gescheiden van haar in Nederland verblijft, de zorg van eiser zou behoeven. Bovendien zouden er behoorlijke reis- en verblijfkosten voor eiser met die verzorging in Suriname zijn gemoeid, terwijl eiser – hoewel daartoe verzocht – geen enkele waarborg heeft geboden voor de nakoming van de thans door hem aangeboden betalingsregeling. Alle belangen tegen elkaar afwegend is de voorzieningenrechter van oordeel dat gedaagde onder deze omstandigheden niet gehouden is de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis te schorsen.

3.6.

Slotsom van het voorgaande is dat de vordering van eiser moet worden afgewezen. Hij zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

4 De beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het gevorderde af;

- veroordeelt eiser in de kosten van dit geding, aan de zijde van gedaagde tot dusver begroot op € 1.424,-, waarvan € 816,- aan salaris advocaat en € 608,- aan griffierecht.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M.J. Keltjens en in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2014.

WJ